Ppt inleiding:
Voor kleuters (3-5 jaar) wordt aanbevolen:
Minstens 180 minuten (3 uur) per dag bewegen
Daarvan minstens 60 minuten matig tot intensief bewegen
Zo weinig mogelijk lang stilzitten
Voldoende slaap krijgen
De vier ontwikkelingsgebieden in LO
1. Motorische ontwikkeling
De motorische ontwikkeling gaat over het leren en verbeteren van bewegingsvaardigheden.
Kinderen leren hun lichaam steeds beter beheersen en bewegingen nauwkeuriger uitvoeren,
zoals lopen, springen, klimmen, gooien en vangen.
de wijze waarop een kind beweegt
2. Fysieke ontwikkeling
De fysieke ontwikkeling heeft betrekking op de lichamelijke conditie van het kind. Hierbij
ontwikkelen kinderen kracht, lenigheid, uithoudingsvermogen en snelheid. Deze
vaardigheden vormen de basis om bewegingen goed te kunnen uitvoeren.
klus
3. Dynamisch-affectieve ontwikkeling
De dynamisch-affectieve ontwikkeling gaat over de sociaal-emotionele groei van het kind.
Kinderen bouwen een positief zelfbeeld op, krijgen meer zelfvertrouwen en leren omgaan en
samenwerken met anderen.
positief zelfbeeld/ relatie met de omgeving
4. Cognitieve ontwikkeling
De cognitieve ontwikkeling heeft betrekking op het denken en leren. Kinderen verwerven
kennis en inzicht over bewegingen en bewegingssituaties. Ze leren problemen oplossen,
regels begrijpen en nadenken over hun handelen tijdens het bewegen
inhoud begrip/kennis over beweging
,Minimumdoelen
1. Motorische competenties en fysieke competenties
Grootmotorische vaardigheden
Fysieke competenties
Psychomotoriek:
o Lichaamsperceptie
o Ruimteperceptie
o Tijdsperceptie
2. Zelfconcept en interactie in groep
Positief zelfbeeld ontwikkelen.
Goed leren samenwerken.
3. Attitude: gezonde levensstijl
Belang van bewegen en gezond leven leren kennen
Vak inhouden : Motorische ontwikkeling
Algemeen:
Belangrijke begrippen
Motorische ontwikkeling
Het proces waarbij kinderen bewegingsvaardigheden leren en steeds beter beheersen. Hun
bewegingen worden nauwkeuriger, vlotter en gecontroleerder.
Voorbeeld: een kleuter leert eerst springen en kan dit later steeds beter uitvoeren.
Motorisch leren
Het proces van het leren van nieuwe bewegingen of het verbeteren van bestaande
bewegingen. De leerkracht speelt hierbij een belangrijke rol door oefenkansen aan te bieden.
Voorbeeld: een kind leert een bal vangen zonder hem te laten vallen.
Motorische controle
De manier waarop kinderen hun bewegingen sturen en controleren. Dit gebeurt via
neurologische processen. Door veel te oefenen kunnen kinderen hun bewegingen beter
coördineren.
Voorbeeld: je evenwicht bewaren terwijl je een bal vangt.
,Piramide van Gallagher
1. Reflexen (0 - enkele maanden)
Aangeboren bewegingen waarmee baby's geboren worden.
Voorbeelden:
Zuigreflex
Grijpreflex
2. Rudimentaire bewegingen (0 - 1,5 jaar)
Eerste aangeleerde bewegingen.
Voorbeelden:
Zitten
Staan
Grijpen
Omrollen
Hoofd oprichten
3. Fundamentele motorische vaardigheden (peuter- en kleuterleeftijd)
De basisbewegingsvaardigheden die kinderen nodig hebben voor latere sporten.
Voorbeelden:
Lopen
Springen
Klimmen
Werpen
Vangen
4. Overgangsvaardigheden
Combinaties van fundamentele vaardigheden.
Voorbeelden:
Lopen en tegelijk een bal vangen
Dribbelen tijdens het wandelen
Aanloop nemen en verspringen
5. Sport-specifieke vaardigheden
Vaardigheden die bij een bepaalde sport horen.
, Voorbeelden:
Lay-up in basketbal
Forehand in tennis
Bovenhandse opslag in volleybal
Fundamentele motorische vaardigheden
1. Locomotorische vaardigheden
Bewegingen waarbij het lichaam zich verplaatst.
Voorbeelden:
Kruipen
Sluipen
Gaan
Lopen
Springen
Klimmen en klauteren
Hangen, schommelen, zwaaien
Heffen en dragen
Trekken en duwen
Omgaan met rollend en glijdend materiaal
2. Manipulatieve vaardigheden
Bewegingen waarbij je een voorwerp gebruikt.
Voorbeelden:
Rollen
Werpen
Vangen
Mikken
Slaan
Stuiten
Dribbelen
Shotten / trappen
3. Stabiliteit
Het vermogen om het evenwicht te bewaren of terug te vinden.
Voorbeelden:
Balanceren op een bank