DEEL I — Sociologie: een wetenschap
van de samenleving
1. Sociologische basisbegrippen
Begrip Uitleg
Sociologisch perspectief / Het vermogen om individuele ervaringen te verbinden met
sociologische verbeelding bredere maatschappelijke structuren (geschiedenis, biografie,
(Mills) sociale structuur).
Sociale positie De plaats die iemand inneemt in de sociale ruimte.
Sociale rol De verwachtingen die horen bij een sociale positie.
Status De waardering die aan een positie wordt toegekend.
Prestige / sociaal aanzien De symbolische waardering van hoe iemand een rol vervult.
Het proces waarbij waarden, normen en verwachtingen
Socialisatie
worden aangeleerd.
Gestolde sociale regels en patronen die gedrag sturen (bv.
Institutie
onderwijs, gezin).
Contingent maar niet Dingen hadden anders kunnen zijn, maar zijn niet willekeurig:
arbitrair ze hebben historische en sociale redenen.
“Als al het andere gelijk blijft”: sociologische uitspraken
Ceteris paribus
gelden binnen bepaalde contexten.
“If men define situations as real, they are real in their
Thomas-theorema
consequences.” Betekenisgeving stuurt gedrag.
Een voorspelling die zichzelf waarmaakt doordat mensen
Self-fulfilling prophecy
ernaar handelen.
, 2. Individu vs. samenleving
Begrip Uitleg
Mensen raken vervreemd van product, proces, anderen en
Vervreemding (Marx)
zichzelf door gebrek aan controle over arbeid.
Spanningsveld tussen individuele keuzes (actor) en
Actor–factor-dilemma
structuren die gedrag bepalen (factor).
De stabiele patronen en regels die het sociale leven
Structuur
ordenen.
De marge waarbinnen individuen kunnen handelen binnen
Handelingsruimte
sociale structuren.
Wie al voordelen heeft, krijgt er meer; wie weinig heeft,
Mattheuseffect
verliest nog meer.
Drempels (institutioneel, Factoren die participatie bemoeilijken (regels,
situationeel, dispositioneel) omstandigheden, attitudes).
3. Solidariteit vs. strijd
Begrip Uitleg
Solidariteit
De centripetale kracht die mensen samenhoudt.
(Durkheim)
Mechanische In traditionele samenlevingen: sterke gelijkenis, weinig
solidariteit arbeidsdeling.
Organische In moderne samenlevingen: sterke arbeidsdeling, onderlinge
solidariteit afhankelijkheid.
Rechtstreekse betrokkenheid, mensen weten waar hun steun
Warme solidariteit
naartoe gaat
Koude solidariteit Structurele of anonieme steun via systemen.
Botsing tussen actoren over waarden of belangen. / centrifugale
Conflict
kracht
Manifest conflict Zichtbaar conflict (staking, protest).
Latent conflict Onderhuids aanwezig, komt pas later tot uiting.
Belangenconflict Botsing over schaarse middelen.
Waardeconflict Botsing over overtuigingen.
Reactionairen Willen terug naar vroegere tijden (premoderne tijd)
Willen het houden zoals het is (conflict = bedreiging voor
Conservatieven
stabiliteit)
Progressieven Conflictsociologie zien conflict als motor voor verbetering en