Info
Voor we kennis maken met de verschillende taken die onder het financieel beheer van een
onderneming vallen, moeten we in detail bekijken wat de taak is van de CFO binnen een
onderneming.
In het eerste inleidende hoofdstuk nemen we de tijd om volgende zaken in vraag te stellen:
• Wat is de rol van de CFO binnen een onderneming?
• Welke taken heeft een CFO en welke beslissingen moet hij nemen?
• Welke financiële doelstellingen spelen er binnen de onderneming?
1.1. De rol van de financieel directeur
De rol van de financieel directeur (of CFO: Chief Financial Officer) in een hedendaagse
onderneming is het management van alle financiële processen. Vroeger beperkte de taak van
een financieel directeur zich vaak tot het registreren en rapporteren van financiële gegevens,
het beheren van de kaspositie en het aantrekken van voldoende financiële middelen. De
opdracht van de CFO in de moderne onderneming is breder dan een tijdige en correcte
rapportering van de financiële situatie van de onderneming. Een CFO is een business partner
die streeft naar waarde bescherming en waarde creatie in een bedrijf. Belangrijke
beslissingen in het domein van een CFO zijn:
• Investeringsbeslissingen
• Financieringsbeslissingen
• Dividendbeslissingen
• Risicomanagement
1.2. De doelstelling van de onderneming: het perspectief van de
stakeholder
Maximalisatie van de waarde van de onderneming is de normatieve doelstelling, die leidt
tot een efficiënte toewijzing van de financiële middelen.
1.2.1. Welke doelstelling?
Welk objectief moet gemaximaliseerd worden bij het nemen van financiële beslissingen?
Verschillende criteria zijn mogelijk:
• Absolute winst
• Winst per aandeel
• Marktprijs per aandeel
1
,Totale winst
Onderstaand voorbeeld toont aan dat het vaak gebruikte criterium van maximalisatie van de
winst niet leidt tot optimale beslissingen.
Voorbeeld:
Winst per aandeel of rentabiliteit
Hier wordt geen rekening gehouden met de timing of het risico.
Marktprijs per aandeel
Hier moet je rekening houden met 3 elementen: rentabiliteit, risico en timing.
1.2.2 Coporate governance: management versus aandeelhouders
Coporate governance is het denken over de optimale beheersstructuur binnen een
onderneming. (Managers, aandeelhouders, schuldeisers, leveranciers, klanten, personeel,
overheid,… ) Al deze partijen streven hun eigen doelstelling na, die niet steeds
overeenstemmen met de doelstellingen van de andere partijen. Via contractuele relaties
worden de onderling conflicterende belangen van de verschillende partijen met elkaar in
evenwicht gebracht. Men spreekt hier van agency-relaties: dit zijn relaties tussen personen die
gebaseerd zijn op een contract waarbij één persoon (= principaal) de bevoegdheid geeft aan
een andere persoon (= de agent) om te handelen in zijn naam.
Er zijn veel relaties:
1. De regeling van de relatie tussen management en aandeelhouders is één aspect van
het denken over corporate governance. Dit is vooral belangrijk in ondernemingen waar
het management en het aandeelhouderschap gescheiden zijn, vooral in
beursgenoteerde ondernemingen. Corporate governance moet er in dit geval voor zorgen
dat het management niet het eigen belang nastreeft, maar wel de maximalisatie van de
waarde voor de aandeelhouder. De aandeelhouders (= principaals) stellen managers
(= de agenten) aan voor het dagelijks bestuur van hun onderneming.
2
,Deze agency-relatie wordt in de praktijk gekenmerkt door tal van conflicten omdat de
doelstellingen van managers en aandeelhouders vaak verschillen. Een manager zal
bijvoorbeeld de neiging hebben om het risico van de investeringen te verhogen. Een
manager krijgt immers premies voor goede resultaten terwijl hij of zij geen verlies lijdt bij
slechte resultaten. Tenslotte hebben beide partijen een andere tijdshorizon: een
manager heeft een kortere tijdshorizon dan de aandeelhouders, die vaak langer
betrokken blijven bij een onderneming.
De aandeelhouders zorgen ervoor dat hun 'agenten' beslissingen nemen die leiden tot
maximalisatie van de waarde van hun aandelen door:
- De doelstellingen van de aandeelhouders en het management zo veel mogelijk op
elkaar af te stemmen door gepaste stimuli te geven, zoals: vergoeding naargelang de
behaalde resultaten in de plaats van een vast salaris; aandelenopties voor het
management, bonussen in functie van de marktwaarde van het aandeel;
- Een aangepast bewakingssysteem op te bouwen, zoals: directe controle van de
aandeelhouders door de raad van bestuur; regelmatige controle van de financiële
rekeningen; herziening van het premiesysteem; grenzen voor de
managementbeslissingen.
Naast expliciete bewakingssystemen zijn er ook impliciete stimuli die het management
ertoe bewegen te handelen in het belang van de aandeelhouder. Voorbeelden hiervan
zijn de dreiging van ontslag, de dreiging van overname, concurrentie op de kapitaalmarkt,
aansprakelijkheidsvorderingen en statusoverwegingen.
Als er veel geld is dan gaan managers meer risico nemen = overinvesteringsprobleem,
want als er geen geld is dan kan je geen risico pakken.
Het agency-probleem is sterk aanwezig bij bedrijven die een aanzienlijke vrije
cashflow genereren. De vrije operationele cashflow is het bedrag aan middelen dat
overblijft nadat alle rendabele investeringsprojecten werden uitgevoerd. De vrije
cashflow geeft dus het bedrag aan dat voor uitkering beschikbaar is. Volgens Jensen
hebben managers een voorkeur om de vrije cashflow niet uit te keren, maar om ze in
het bedrijf te houden om investeringsprojecten door te voeren, ook al creëren die
geen waarde. De macht en het inkomen van de managers is immers vaak afhankelijk van
de grootte en de groei van het bedrijf. Dit is het overinvesteringsprobleem. Niet-
uitkering of inhouding van de vrije cashflow zorgt ervoor dat managers autonoom kunnen
handelen, aangezien ze ontsnappen aan de controle van de kapitaalmarkten. Indien
managers een beroep zouden moeten doen op de kapitaalmarkten door bijvoorbeeld
schulden aan te gaan, dan worden ze sterk gecontroleerd, aangezien schuldeisers bij
wanbetaling een faillissement kunnen aanvragen.
Aandeelhouders daarentegen verkiezen dat de vrije cashflow uitgekeerd wordt. Dit
vermindert het agency-probleem, aangezien de managers dan minder middelen ter
beschikking hebben waarmee ze niet-waardecreërende investeringen kunnen uitvoeren.
Bovendien blijven er dan minder middelen in het bedrijf waarop de schuldeisers beslag
kunnen leggen. Het management kan wel een reputatie opbouwen waarin het geen
misbruik maakt van de vrije cashflow om zo het vertrouwen van de aandeelhouders te
winnen.
3
, Naast de aandeelhouders moet het management ook rekening houden met andere
partijen die relaties onderhouden met de onderneming: schuldeisers, klanten,
leveranciers, personeel, overheid, rechtbanken. Ook de publieke opinie is een
belangrijke drijfveer voor het nemen van beslissingen. Druk om onrendabele vestigingen
open te houden. Tewerkstelling te vrijwaren en goede relaties met de vakbonden te
onderhouden, leiden soms tot beslissingen die niet optimaal zijn vanuit het standpunt
van de aandeelhouders. Vooral bij deze beslissingen dreigen de belangen van het
management haaks te staan op die van de aandeelhouders. Deze laatsten hebben er dus
alle belang bij om beslissingen van het hoger management in hun voordeel te sturen
(Wright en Ferris, 1997).
2. Een tweede belangrijke agency-relatie is deze tussen aandeelhouders en
schuldeisers. De schuldeisers stellen financiële middelen ter beschikking aan de
onderneming, waardoor de schuldeisers de principaal zijn en de onderneming, samen
met haar management en aandeelhouders, de agent zijn van de schuldeisers. De
doelstellingen van aandeelhouders en schuldeisers zijn echter ook niet altijd
gelijklopend. Aandeelhouders verkiezen soms hoge dividenden omdat er in de
onderneming dan minder financiële middelen overblijven waarop schuldeisers beslag
kunnen leggen bij een eventueel faillissement. Schuldeisers ondervinden ook een
nadeel wanneer een bedrijf steeds meer schulden aangaat. Dit verslechtert de
financiële positie van de onderneming, het vergroot de kans op een faillissement en dus
ook de kans op wanbetaling van de schulden. Ten slotte zijn aandeelhouders geneigd om
het risico van de investeringsprojecten te vergroten en dit vooral wanneer het reeds
slecht gaat met de onderneming. De aandeelhouders kunnen immers niet veel meer
verliezen en zetten alles op alles. Dit gebeurt ten koste van de schuldeisers die niet
willen dat de waarde van de onderneming nog meer daalt omdat ze dan hun schuld zeker
niet meer terugbetaald krijgen. Om deze problemen te voorkomen, worden er meestal
clausules opgesteld in het contract tussen aandeelhouders en schuldeisers, die direct
of indirect beperkingen opleggen aan het management en/of de aandeelhouders.
1.2.3 Van het perspectief van de aandeelhouder naar het perspectief van de stakeholder
Vanuit het perspectief van de aandeelhouders is maximalisatie van de waarde van de
aandelen een doelstelling die zowel micro- als macro-economisch leidt tot een efficiënte
toewijzing van de financiële middelen. Het doel van de kapitaalmarkt is een efficiënte
allocatie van de beschikbare spaarmiddelen van de aanbieders van kapitaal (netto-spaarders)
naar de vragers naar kapitaal (netto-investeerders). Indien de toewijzing op de kapitaalmarkt
gebeurt op basis van het verwachte rendement en risico, zijn de investeringsprojecten met het
hoogste rendement en het laagste risico het meest aantrekkelijk. De vraag naar dergelijke
projecten of aandelen zal groot zijn, wat resulteert in een hoge marktwaarde. De marktwaarde
van het aandeel die rendement en risico reflecteert, is bijgevolg een goede norm om financiële
middelen te verdelen in een economie.
Soms kan het belang van de onderneming in strijd zijn met het algemeen belang, zoals het
negeren van de milieuproblematiek. Richard Freeman (1984) breidde het begrip
‘aandeelhouderskapitalisme' uit tot 'stakeholderkapitalisme’, dat ook de
verantwoordelijkheden van bedrijven ten aanzien van de samenleving behelst.
4
, Een stakeholder is "elke groep of individu die beïnvloed wordt door de verwezenlijking van de
doelstelling van het bedrijf” (Freeman, 1984). De bedrijfsactiviteiten kunnen aandeelhouders,
maar ook andere belanghebbenden zoals werknemers, klanten en leveranciers, rechtstreeks of
onrechtstreeks treffen, zoals de samenleving in het algemeen en het milieu. Het is echter niet
altijd duidelijk hoe organisaties alle belanghebbenden positief kunnen beïnvloeden, noch hoe zij
hun impact kunnen maximaliseren.
De Europese Unie loopt voorop door van bedrijven te verwachten dat zij naast de
aandeelhouders verschillende belanghebbenden bij hun strategie betrekken. Zij legt daarbij de
nadruk op de dimensies milieu, maatschappij en bestuur of ESG (Environment, Social en
Governance) - erkend als de drie belangrijkste pijlers voor de beoordeling van de
duurzaamheid van een onderneming, wat verwijst naar het voorzien in de behoeften van het
heden zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien
in gevaar te brengen (Brundtland, 1984). De richtlijn van de EU inzake
duurzaamheidsrapportage voor bedrijven vereist dat alle grote en alle beursgenoteerde
bedrijven vanaf 2024 verslag uitbrengen over hun impact op milieu, maatschappij en bestuur.
Ondernemingen worden dus aangemoedigd om op een meer verantwoorde wijze zaken te doen,
ook in hun financiële functie. Dit zal in de eerste plaats een impact hebben op het
investeringsbeleid van een onderneming, waarbij bijvoorbeeld milieuvriendelijkere projecten
de voorkeur krijgen boven meer vervuilende, maar ook op haar financieringsbeleid, met
bijvoorbeeld de mogelijkheid om groene obligaties uit te geven om haar duurzame investeringen
tegen een lagere kost te financieren.
1.3. Indeling van de financiële functie
1.3.1. Investeringsbeslissingen (activa)
- Gebaseerd op een gedegen analyse zal de CFO nagaan of investeringen in nieuwe activa naar
verwachting voldoende rendabel zijn om er middelen aan toe te wijzen. Hiertoe moet een
minimumrendement haalbaar zijn. Activa kunnen tastbaar zijn, zoals planten of apparatuur,
maar ook ontastbaar, zoals het ontwikkelen van nieuwe kennis door onderzoek en ontwikkeling
of door een marktonderzoek, het opbouwen van een positief imago door marketing- en PR-
campagnes of financieel, zoals de investering in een joint venture;
- Wat het beheer van de bestaande activa betreft, zal de CFO zich vooral concentreren op de
vlottende activa: kasbeheer, beheer van klantenvorderingen en voorraden. Het is echter ook
essentieel om regelmatig na te gaan of alle activa nog waarde creëren in de onderneming. Als
dat niet het geval is, kan het interessant zijn om ze af te stoten of te verzelfstandigen.
5