organisatie, onderzoek en uitdagingen
wat is een organisatie?
= samenwerking tussen 2 of meerdere mensen om een bepaald doel te bereiken
bedrijf = commercieel
organisatiestructuur = systeem dat aangeeft hoe de taken formeel worden verdeeld,
gegroepeerd en gecoördineerd in een organisatie
missie = waarvoor de organisatie staat, wie ze zijn
visie = waar de organisatie naartoe wil, waar ze voor gaan
waarden = soort overtuiging dat een bepaald gedragspatroon goed is om
volgens te handelen (zich gedragen)
- vb. lef, vertrouwen, respect
stakeholders = persoon/groep die een belang heeft of op een manier betrokken is bij
de organisatie
- vb. aandeelhouders, leveranciers, werknemers, klanten,
omwonenden, samenleving, bestuur, regering, etc.
onderzoek en het belang daarvan
doel onderzoek = via systematisch, wetenschappelijk onderzoek gedrag, emoties, en
attitudes (1) begrijpen, (2) verklaren, (3) voorspellen
- variabele = hetgeen wat we gaan onderzoeken (vb. motivatie, loon, etc.)
- kwalitatief onderzoek = onderzoek met behulp van teksten, open vragen, interviews
(vb. historische documenten)
- kwantitatief onderzoek = onderzoek met behulp van cijfermatige data, wordt
gebruikt om de ene variabele op de andere variabele te onderzoeken (vb.
surveys/vragenlijsten)
voorbeeld kwalitatief onderzoek
vraag: in welke mate evolueert de beleving van het leven, van mensen die onvrijwillig
werkloos/werkzoekend zijn, naarmate werkloosheid langer duurt?
→ vb. onderzoeken via: interviews met mensen die al 1 - 3 - 6 - 9 - 12 - 18
maanden werkloos zijn + ook mensen interviewen die wel aan het werk zijn
voorbeeld experimenteel kwantitatief onderzoek
vraag: in welke mate beïnvloedt slaaptekort de focus/aandacht en kwaliteit van het werk dat
mensen uitvoeren?
→ vb. onderzoeken via: manipulatie van hoeveelheid slaap (OV)
- meten van de focus/aandacht (AV), en kwaliteit van het werk (AV)
, - hoe zijn de prestaties bij mensen met 3 uur slaap vergeleken met mensen met 8 uur
slaap?
likertschaal
= nooit, bijna nooit, nu en dan, regelmatig, heel vaak – 1, 2, 3, 4, 5
verbanden tussen variabelen
- positief verband r > 0 (+): twee variabelen evolueren in dezelfde richting
- negatief verband r < 0 (-): twee variabelen evolueren in de tegengestelde richting
- nulverband (geen verband): twee variabelen evolueren los van elkaar, hebben niks
met elkaar te maken
moderator of contingentievariabele
= een variabele die de sterkte van een verband tussen twee andere variabelen beïnvloedt
voorbeeld contingentievariabele
vraag: hoe beïnvloedt het belang van dan de geschreven taal in een job het verband tussen
het aantal taalfouten (in cv/motivatiebrief) en de gepercipieerde geschiktheid voor een job?
opvallende factoren in wetenschappelijk onderzoek
weinig absolute uitspraken
- werken met gemiddelden, groepen vergelijken
- kijken naar de omstandigheden: soms lijkt er geen verband te zijn, maar komt
dit omdat het slechts in sommige omstandigheden wel en in andere
omstandigheden niet voorkomt → moderator (= contingentievariabele)
beïnvloedt een ander verband
,uitdagingen voor (mens en) organisaties
- reageren op economisch zware/onzekere tijden (vb. mensen moeten ontslaan,
geschikt personeel is moeilijk te vinden, sterk gestegen kosten)
- innovatie en verandering: goed voor de
klant, maar stress/onzekerheid voor
medewerker
- goede balans tussen werk en privé
- werken aan meer ethische organisaties
- omgaan met bevolksverandering
(verouderde bevolking, meer
alleenstaanden, etc.)
, A&O H2: persoonlijkheid & waarden
deel 1: persoonlijkheid
= optelsom van de manieren waarop een individu reageert op en interageert met anderen,
betrekkelijk constante manier van handelen in verschillende situaties
→ wordt beschreven via persoonlijkheidstrekken (= kenmerkende trekken van iemands
gedrag die in verschillende situaties terugkomen)
2 persoonlijkheidsmodellen en/of -testen
verschillende visies op persoonlijkheid en de meting ervan:
The Big 5
= persoonlijkheden met het meeste succes op de werkvloer
- 5 normaal verdeelde scores
- elke persoon “bezit” de basisfactoren in meer of mindere mate: elke persoon krijgt
een score op elke factor → oneindig aantal combinaties
- wetenschappelijk ondersteund
emotionele = minder neiging tot ervaren van negatieve emoties
stabiliteit/neuroticisme
emotionele stabiliteit: zelfvertrouwen, weerbaar tegen stress, etc.
<-> neuroticisme: angstig, sneller onzeker, te waakzaam