Hoorcollege 1
Ontwikkelingspsychologie: de studie van de ontwikkeling (groei,
verandering, stabiliteit) van de mens van conceptie tot latere
volwassenheid op lichamelijk, cognitief, sociaal en emotioneel gebied en
op het gebied van persoonlijkheid.
- Doel: begrijpen hoe biologische en culturele processen de
menselijke ontwikkeling beïnvloeden; en ontwikkelen van effectieve
manieren om het welzijn en de gezondheid van kinderen te
waarborgen en verbeteren.
Een theorie is gekleurd door (vaak impliciete) aannames/uitgangspunten:
- Endogeen: de ontwikkeling ontvouwt zich vanzelf een aangeboren
neiging/vanbinnen
- Exogeen: de ontwikkeling is het resultaat van externe factoren
- Constructivistisch: de ontwikkeling van het kind is het resultaat op
de eigen beïnvloeding van het kind.
Driehoek van Green en Piel:
Een goede theorie is toetsbaar en kan worden aangepast het heeft
daarnaast volgens Green en Piel:
,Kwaliteit van onderzoek beoordelen:
- Objectiviteit: verzamelen en analyseren van gegevens is niet
gekleurd door de vooroordelen van de onderzoeker
- Repliceerbaarheid: andere onderzoeker krijgt met dezelfde
procedures dezelfde uitkomsten
- Betrouwbaarheid
gelijke uitkomsten bij herhaalde metingen
gelijke uitkomsten bij verschillende beoordelaars
- Validiteit: meten wat je beoogt te meten
5 centrale thema’s van de ontwikkelingspsychologie:
1. Continuïteit/discontinuïteit
2. Plasticiteit in welke mate en onder welke condities is ontwikkeling
plastisch; kritieke en gevoelige periode
3. Bronnen van ontwikkeling nature en nurture
4. Levensloopmodel versus focus op specifiek perioden
5. Individuele verschillen (niet in het boek):
In welk opzicht verschillen individuen van elkaar
In welke mate zijn eigenschappen stabiel
Hoe komt het dat individuen verschillen van elkaar
Grand theories van de ontwikkelingspsychologie
1. Behaviorisme
2. Constructivistische theorie
3. Sociaal-culturele theorie
4. Psychodynamische theorieën
Verschillen in:
- Onderzoeksdomein (cognitief, emotioneel, sociaal, fysiek,
persoonlijkheid)
- Onderzoeksmethode (observatie, experiment, interview)
- Centrale vraagstukken (continuïteit – discontinuïteit, plasticiteit,
nature – nurture, levensloop, individuele verschillen)
Hoofdstuk 1
Ontwikkelingspsychologie is de wetenschappelijke studie van patroneren
van groei, verandering en stabiliteit bij mensen vanaf de conceptie tot en
met de late volwassenheid (dood). De ontwikkelingspsychologie kent
grofweg de volgende ontwikkelingsdomeinen:
- Fysieke ontwikkeling: de invloed van het lichaam op ons gedrag
(richt zich bijv. op rijpingsprocessen)
Focus: kijkt naar de invloed van de hersenen, het zenuwstelstel,
de spieren, de zintuigen en de behoefte aan eten drinken en
slaap op ons gedrag.
- Cognitieve ontwikkeling: proberen te begrijpen hoe groei en
verandering in intellectuele vermogens tot stand komen en ons
gedrag beïnvloeden.
, Focus: kijkt naar intellectuele vermogens, waaronder
leervermogen, geheugen, taalontwikkeling, probleemoplossing en
intelligentie.
- Sociaal-emotionele ontwikkeling en persoonlijkheidsontwikkeling: bij
de sociaal-emotionele ontwikkeling gaat het om de manier waarop
de interacties van mensen en hun sociale relaties in de loop van hun
leven groeien, veranderen en stabiel blijven, en om de manier
waarop mensen in toenemende mate hun emoties bewust ervaren
en er greep op krijgen (bijv. effecten van racisme of armoede).
Focus: kijkt naar de sociale relaties en interacties met anderen en
naar omgaan met emoties.
Bij persoonlijkheidsontwikkeling kijken ontwikkelingspsychologie
naar stabiliteit en verandering in de karaktereigenschappen die het
ene individu van het andere onderscheiden.
Focus: kijkt naar de duurzame gedragingen en (karakter)
eigenschappen die de ene persoon van de andere onderscheiden.
Ontwikkelingspsychologen specialiseren zich vaak in een
ontwikkelingsdomein, tegelijkertijd kijken ze meestal ook naar specifieke
ontwikkelingsfasen, oftewel leeftijdsgroepen.
- Prenatale periode (van conceptie tot geboorte)
- Babytijd (van geboorte tot 2 jaar)
- Peuter- en kleutertijd (van 2 tot 6 jaar)
- Schooltijd (van 6 tot 12 jaar)
- Adolescentie (van 12 tot 20 jaar)
Deze globale leeftijdsgroepen zijn sociale constructies (: een idee over de
realiteit dat weliswaar breed geaccepteerd is, maar afhangt van de
maatschappij en de cultuur op een bepaald moment), veelal gebaseerd op
westers onderzoek.
- Sommige grenzen zijn duidelijk afgebakend, maar andere hangen af
van de biologische veranderingen (bijv. adolescentie)
Ieder mens behoort tot een specifieke cohort: een groep mensen die in
een bepaalde periode leven en daardoor voor een deel gelijke ervaringen
opdoen. Belangrijke sociaal-historische gebeurtenissen, zoals oorlogen,
economische groei en crisis, etc. hebben mogelijk een bepaalde
gemeenschappelijke invloed op mensen binnen een cohort. Naast het
cohort waartoe iemand behoort, zijn er nog vele andere factoren of
gebeurtenissen die de ontwikkeling mede bepalen onderscheid tussen
normatieve en niet-normatieve gebeurtenissen:
- Normatieve gebeurtenissen: gebeurtenissen die zich voor de meeste
individuen binnen een groep op dezelfde manier voltrekken.
Normatieve gebeurtenissen kunnen historisch, leeftijdsgebonden
en/of sociaal-cultureel bepaald zijn:
Normatieve historische invloeden zijn sociale
omgevingsinvloeden en biologische invloeden die verbonden zijn
met de specifieke maatschappelijke situatie in een historische tijd
(bijv. coronapandemie).
Normatieve leeftijdsgebonden invloeden zijn biologische
invloeden en omgevingsinvloeden die vergelijkbaar zijn voor
, mensen in een bepaalde leeftijdsgroep (bijv. het bereiken van
puberteit).
Normatieve sociaal-culturele invloeden bepalen de ontwikkeling
van mensen, zoals de brede cultuur, etnische afkomst, sociale
klasse en het behoren tot een subcultuur.
- Niet-normatieve gebeurtenissen: specifieke gebeurtenissen die
plaatsvinden in het leven van een bepaald persoon, terwijl de
meeste andere mensen hiermee niet te maken krijgen (bijv. een
kind dat zijn ouders kwijtraakt door een auto-ongeluk).
Tijdens de 16e en 17e eeuw liepen filosofen voorop bij de theorievorming
over de aard van het kind:
- Locke beschouwde het kind als tabula rasa (onbeschreven blad):
kinderen kwamen ter wereld zonder specifieke kenmerken en zonder
een persoonlijkheid. Ze werden uitsluitend gevormd door de
ervaringen die ze opdeden terwijl ze opgroeiden ligt ten grondslag
aan de stroming; het behaviorisme.
- Rousseau beweerde dat kinderen ‘nobele wilden; waren; ze kwamen
op de wereld met een aangeboren gevoel voor goed en kwaad
(moraal). Zuigelingen zullen zich tot bewonderenswaardige en
waardevolle kinderen en volwassenen ontwikkelen, tenzij hun
ontwikkeling door negatieve omstandigheden in hun leven werd
verstoord.
Eind 18e eeuw, begin 19e eeuw hervormde het arbeidsproces, waardoor
kinderen tegen uitbuiting tegen beschermd en onderwijs werd
toegankelijker.
In de eerste helft van de 20ste eeuw ontstond een trend die een enorme
invloed heeft gehad op ons inzicht in de kinderlijke ontwikkeling er
startte grootschalige, systematische en langdurige onderzoeken naar
kinderen en hun ontwikkeling tijdens de rest van hun leven.
Vraagstukken bij de thema’s van de ontwikkelingspsychologie:
Continue verandering versus discontinue verandering: voltrekt de
ontwikkeling zich op een continue of een discontinue manier?
- Bij continue verandering is de ontwikkeling geleidelijk en vloeien de
presentaties op een bepaald niveau voort uit de presentaties op de
vorige niveaus. Continue verandering is kwantitatief, oftewel heeft
te maken met hoeveelheid kinderen ontwikkelen steeds meer van
hetzelfde; de vaardigheden of kenmerken veranderen dus niet in
aard, maar wel in omvang of complexiteit.
- Discontinue verandering vindt plaats in aparte stappen of stadia. Elk
stadium levert gedrag op dat kwalitatief, dus qua inhoud en
hoedanigheid, anders is dan gedrag in eerdere stadia. Vanuit het
standpunt van discontinue verandering bezien, kan een ontwikkeling