Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Samenvatting Handelen van Kinderen en Jongeren | Ergotherapie | Arteveldehogeschool | 2025/26

Beoordeling
-
Verkocht
-
Pagina's
73
Geüpload op
02-06-2026
Geschreven in
2025/2026

Samenvatting van het vak Handelen van Kinderen en Jongeren voor Ergotherapie aan Arteveldehogeschool. Het document behandelt normale ontwikkeling met focus op nature vs. nurture, rijpingstheorie (Gesell & McGraw), motorische mijlpalen, myelinisatie, synaptogenese, en de moderne Dynamic Systems Theory. Uitstekend voor examenvoorbereiding omdat alle kernconcepten helder uitgelegd worden en theoretische kaders duidelijk van elkaar onderscheiden zijn.

Meer zien Lees minder

Voorbeeld van de inhoud

Samenvatting het handelen van
kinderen en jongeren
Leerpad A: normale of typische ontwikkeling

1. Nature Nurture

Nature= erfelijke eigenschappen (maturatie)
Nurture= omgevingsinvloeden (biologisch zoals drugs, sociaal zoals
opvoedingsstijl, maatschappelijke factoren)

Opvoeding = doorgeven van waarden en normen. Waarden: uitgangspunt (bv
rekening houden met anderen, ergens niet op tijd geraken). Normen:
omgangsvormen (bv: de ander verwittigen te laat te komen).
 Moet leiden tot een volwassen mens die verantwoordelijkheid kan dragen
voor eigen daden.

Rijping:
Wanneer weet je of de hersenstam oké is? Als de kinderen reflex a, b, c of d
hebben.
Naarmate je ouder wordt, verdwijnt onwillekeurige motoriek en neemt
willekeurige motoriek over.
Baby’s worden bij de geboorte gescreend op reflexen. Zo kan je vroegtijdig
ingrijpen.

2 belangrijke termen van rijping CZS:
Myelinisatie: biologische proces waarbij een beschermend, isolerend laagje
(myeline) wordt gevormd rondom de uitlopers van zenuwcellen, de zogenaamde
axonen.

Synaptogenese: biologische proces waarbij nieuwe synapsen, de
verbindingspunten tussen zenuwcellen (neuronen), in het zenuwstelsel worden
gevormd.

Taalontwikkeling:
Vóór 9 maanden kunnen baby’s alle soorten taal

2. Theoretische kaders

Neuromaturatietheorie: rijpingstheorie (Gesell & McGraw)
- Ze geloofden dat je CZS kan observeren door het motorisch gedrag van
kinderen in kaart te brengen.
- Rijpingsproces = heel lineair (eerst het één, dan het ander. Bv. hoofd
oprichten, zitten, staan, stappen,…).
- Ontwikkeling ligt grotendeels vast en verloopt volgens vaste stappen
- Motorische mijlpalen werden beschreven (100 baby’s observeren). Bv: de
meeste kunnen zitten op 9 maanden (gemiddelde op 100)

, - Mijlpalen hebben normatief karakter  iedereen van 9 maand zou moeten
kunnen zitten. Indien niet: je bent afwijkend van de curve. Misschien
afwijkende ontwikkeling?
- Ze maakten gebruik van cross-sectioneel (=observationele studie waarbij
gegevens van een populatie op één specifiek moment in de tijd worden
verzameld) en beschrijvend onderzoek = hun fout geweest

Afgeleide wetmatigheden (=pincipes en ethische kaders die niet
letterlijk in wetboeken staan, maar wel de basis vormen van
kwaliteitsvolle zorg):
1. cephalo-caudale ontwikkeling: kinderen ontwikkelen van cephalo (hoofd) naar
caudaal (staart). Eerst hoofdcontrole, rompcontrole, zitten, staan, stappen.
2. proximo-distale ontwikkeling: thv de romp naar thv vingers. Eerst organen,
wervelkolom en romp, dan controle over schouders, bovenarmen, ellebogen,
polsen en handen.
3. flexie-extensie ontwikkeling: eerst flexie, dan extensie naarmate ouder
worden.
4. functionele asymmetrie: linkerhand doet iets anders dan rechterhand. Bv
voorkeur voor rechterhand. Iedereen is asymmetrisch.
5. intra-individuele variatie: schommelingen of veranderingen binnen één en
hetzelfde individu in de loop van de tijd of tussen verschillende domeinen (zoals
iemands sterke en zwakke punten). Bv wiskundig sterk, maar zwak in taal.
6. onomkeerbaarheid in ontwikkeling: eenmaal dat je kan zitten, kan je niet meer
afleren om te zitten (tenzij er een letsel ontstaat)
7. onderlinge afhankelijkheid: het ene beïnvloedt het ander. Als je kan zitten gaat
de wereld van 2d naar 3d. ze kijken anders naar dingen… .
8. afnemende snelheid: in het begin leren ze enorm veel, vanaf 2j leert hij steeds
trager.
9. stootsgewijze ontwikkeling: heel lang niks doen en dan opeens ‘alles’ kunnen.

Rijpingstheorie:
Deze curve toont wie een vertraagde of
afwijkende ontwikkeling heeft.
Grootste groep kinderen gaat handen naar
middenlijn brengen op 9 maanden. De
kinderen die dit nog niet kunnen bevinden
zich links in de curve.
Rechts: onderscheid zich van de grootste
groep, de norm (sneller dan 9 maand).




Onderzoek largo:
- Variatie in ontwikkeling te wijten aan omgevingsspecifieke kenmerken. Bv:
kindje is op motorisch vlak 2 jaar verder. Hij is niet perse hoogbegaafd.
Door veel oefening leert hij dit sneller (omgevingsfactoren).
- Variatie niet noodzakelijk indicatief voor pathologische ontwikkeling. Bv:
bram sprak tot 2 jaar niet

Dynamic system theorie (huidige kader)

, - Ontwikkeling is flexibel en wordt beïnvloed door veel factoren en
ervaringen
- Zegt dat de ontwikkeling van een kind niet vooraf helemaal vastligt.
Een kind ontwikkelt zich stap voor stap door de samenwerking van
verschillende dingen: het lichaam van het kind, emoties en motivatie,
ervaringen, de omgeving (ouders, school, speelgoed, …)
- Gaan deels akkoord met mijlpaaldenken. Ze bepalen niet alleen de
ontwikkeling.
- Ontwikkeling gebeurt dus voortdurend en verandert door wat een kind
elke dag meemaakt
- Ontwikkelingsmijlpalen zijn belangrijk, maar bepalen niet alles: elk kind
ontwikkelt zich op zijn eigen tempo.

Interne factoren:
- Fysionomie (lichaamsbouw) kind (groot hoofd, korte beentjes, lenig kind,
…)
- Informatie verwerkend systeem (hersenen)
- Input systeem (zintuigen)
- Uitvoerend systeem (spieren en gewrichten)

Externe systemen:
- Omgeving (ruimte, maxi cosie, park,…)
- Opvoeders
- Sociale context
- Bv: mama gaf eten met lepel op 2 jaar  bang dat parket vuil zou zijn 
kind heeft probleem in ontwikkeling

Al deze factoren beïnvloeden elkaar.
Bijvoorbeeld: een mama geeft haar kind op 2 jaar nog eten met een lepel omdat
ze bang is dat de vloer vuil wordt. Daardoor krijgt het kind minder oefenkansen
om zelfstandig te leren eten, wat invloed kan hebben op de ontwikkeling.

Primitieve reflexen
WETEN WAT EEN KIND KAN PER ZOVEEL MAAND

Reflex: iets wat gebeurt zonder nadenken. Bv: hete pot laten vallen.
 Altijd buiten de wil om (bv als je met je ogen open wil niezen, lukt niet)
 Heeft altijd dezelfde vorm (bv op patella met hamer, gaat altijd op
dezelfde manier naar boven)
 Reflex is snel: je kan niet traag je ogen toe doen, niet traag je benen
omhoog doen
 Doel: je beschermen
 Aangeboren
 Verworven reflex: direct lopen bij zien slang
 Simpel
 Niet beïnvloed door omgeving

Reactie: alles wat een baby doet tot ongeveer 0-6 maanden. Een baby doet die
niet bewust om een doel te bereiken, maar gewoon om te doen.

,  Niet altijd oproepbaar. De reactie gebeurt niet elke keer hetzelfde of
wanneer jij het wil uitlokken
 Leeftijdsgebonden: baby heeft zuigreflex. Sommige reflexen horen bij een
bepaalde leeftijd en verdwijnen later weer.
 Complex: Er werken veel systemen samen, zoals hersenen, spieren en
zintuigen.
 Grote variabiliteit: sommige kinderen hebben pittige reacties, ene is
vroeger, andere is later
 Beinvloed door omgeving: De omgeving heeft invloed op hoe een baby
reageert en ontwikkelt.
Bijvoorbeeld door stimulatie, contact met ouders, ruimte om te bewegen…

Bewegen onwillekeurig, wenen onwillekeurig. Erna neemt de cortex het over en
wordt het willekeurig.

Reacties/reflexen tot 6 maand (zie voorbeelden ZST):

 Grijp reflex palmair/plantair
 Plantair: wrijven op bal van de voet, kleine tenen gaan sluiten
 Palmair: pinkzijde prikkel aanbieden, vingers gaan dicht behalve duim

 = restant Darwin. Omdat we afstammen van apen. Wij die aan bomen
hangen om ons te gaan beschermen.
 = geen duimoppositie. Duim beweegt niet mee.
 Na ongeveer het eerste levensjaar verdwijnt deze reflex en kan je ze
niet meer uitlokken.
 Symmetrisch: links en rechts hetzelfde

Palmair: plantair:




 Moro reactie/’reflex’
 Neemt baby vast in je armen. Rug ligt naar beneden. Doen alsof je
baby laat vallen. Baby heeft gevoel van verandering zwaartekracht.
Automatisch reactie armen spreiden, vingers spreiden (extensie),
daarna armen en benen in flexie en dan wenen. Armen moeten van
volledig gespreid weer naar middenlijn komen.
 Is een schrikreactie
 Alarm reflex
 Komt vaak sterker of langer voor bij premature kinderen en CP.
 Doel: je gevoelig maken voor gevaar. Productie adrenaline.
 Moet symmetrisch zijn aan beide kanten

Documentinformatie

Geüpload op
2 juni 2026
Aantal pagina's
73
Geschreven in
2025/2026
Type
SAMENVATTING
€8,56
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Maak kennis met de verkoper
Seller avatar
annelies92
4,0
(1)

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
annelies92 Arteveldehogeschool
Bekijk profiel
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
1
Lid sinds
1 jaar
Aantal volgers
1
Documenten
17
Laatst verkocht
9 maanden geleden

4,0

1 beoordelingen

5
0
4
1
3
0
2
0
1
0

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen