LES 1: BEGRIPSBEPALING
1. GENT ALS GETUIGE
Korenmarkt. Het voormalig postgebouw werd tussen 1898 en 1908 opgetrokken in
eclectische stijl, met vooral neogotische en neorenaissance kenmerken. Architect was
Louis Cloquet, die ook de nabijgelegen Sint -Michielsbrug ontworpen heeft, ter
vervanging van een vroegere draaibrug.
Deze ingrepen hielpen mee het "middeleeuwse" karakter van het Gentse centrum te
versterken, waarmee de stad tijdens de Wereldtentoonstelling van 1913 graag uitpakte.
Naar aanleiding van die Wereldtentoonstelling werden heel wat gevels op Gras - en
Korenlei naar middeleeuws voorbeeld gerestaureerd, net zoals de torenspits van het
Belfort.
2. DE AMBIVALENTE PERCEPTIE V/D “MIDDELEEUWEN”
De perceptie van de middeleeuwen is doorheen de geschiedenis dubbelzinnig geweest. Enerzijds bestaat er een positieve
connotatie van de periode, omdat de middeleeuwen worden beschouwd als een belangrijke grondslag voor de
geschiedenis van West-Europa. Deze ontwikkeling steunt op antieke, joods-christelijke en Germaanse pijlers. Tijdens de
middeleeuwen vonden belangrijke processen plaats zoals de verdere urbanisatie, de ontwikkeling van steden en de
vorming van staten zoals Frankrijk, het Heilige Roomse Rijk en Spanje. Ook het koningschap en de parlementaire
instellingen werden verder uitgebouwd.
Op economisch vlak ontstonden nieuwe systemen zoals het handelskapitalisme en het bankwezen. De Kerk ontwikkelde
zich tot een sterk geïnstitutionaliseerde instelling, maar tegelijkertijd ontstonden ook tegenbewegingen die de nadruk
legden op persoonlijke devotie en het individuele geweten, wat typerend is voor de middeleeuwse religieuze beleving.
Daarnaast werden de eerste universiteiten opgericht en kwam een meer rationele en empirische manier van denken tot
ontwikkeling, mede dankzij de scholastiek. Ook op het vlak van talen, kunst en cultuur had deze periode een grote impact.
Zo ontstond in de middeleeuwen de scheiding tussen de Romaanse en Germaanse talen.
Tegenover deze positieve visie staat een negatieve perceptie van de middeleeuwen. De periode wordt vaak geassocieerd
met een lage bevolkingsdichtheid, een beperkte medische kennis en een lage levensverwachting. Hierdoor ontstond een
hoge demografische druk, waarbij veel geboortes nodig waren om de bevolking op peil te houden, wat resulteerde in een
relatief jonge bevolking. Verder wordt de middeleeuwse samenleving vaak voorgesteld als weinig mobiel en honkvast,
waardoor mensen een beperkt wereldbeeld zouden hebben gehad. Ook de technologische ontwikkeling, het onderwijs en
de geletterdheid waren beperkter in vergelijking met latere periodes.
De middeleeuwen worden daarom soms omschreven als de Dark Ages. Deze benaming is vooral ontstaan doordat er
relatief weinig bronnen uit deze periode zijn overgeleverd, waardoor historici lange tijd minder kennis hadden over de
middeleeuwen. De term “middeleeuwen” is echter vooral een Europese benaming, terwijl “Dark Ages” eerder als een
algemene, mondiale term wordt gebruikt.
3. TOTSTANDKOMING VAN HET BEGRIP DE “MIDDELEEUWEN”
3.1 HUMANISTISCHE CONSTRUCTIE
De geschiedenis van het begrip “middeleeuwen” begint bij de humanistische denkers. De Italiaanse schrijver Petrarca
gebruikte in de veertiende eeuw de term tenebrae (duisternis) om de periode tussen de Klassieke Oudheid en zijn eigen
tijd aan te duiden. Volgens hem was deze tussenliggende periode cultureel weinig waardevol en had zij een negatieve
betekenis. In de vijftiende eeuw spraken humanisten over media tempestas, media aetas of media tempora, wat letterlijk
“de tijd ertussen” betekent. De middeleeuwen werden dus gezien als een overgangsperiode tussen de Klassieke Oudheid
en het humanisme, opnieuw met een eerder negatieve waardering.
,Een belangrijke stap in de ontwikkeling van het begrip kwam er in 1678 met de taalkundige Du Cange. Hij gebruikte voor
het eerst de term Medium Aevum (de middeleeuwen) in zijn glossarium van Latijnse woorden. Later verscheen met Keller,
ook bekend als Cellarius, in 1759 het werk Historia Medii Aevii, het eerste academische historische handboek dat volledig
gewijd was aan de middeleeuwen. De negatieve waardering van de middeleeuwen bij veel humanisten en
renaissancedenkers kwam voort uit hun overtuiging dat er in deze periode op cultureel en intellectueel vlak weinig
betekenisvolle ontwikkelingen hadden plaatsgevonden.
3.2. APPRECIATIE V/D MIDDELEEUWEN SINDS HET HUMANISME?
Ondanks de negatieve visie van de humanisten ontstond vanaf het humanisme ook een meer positieve waardering van de
middeleeuwen, vooral onder invloed van de Kerk. De katholieke Kerk had haar oorsprong en ontwikkeling grotendeels in
de middeleeuwen en probeerde deze periode daarom te herwaarderen. In het contrareformatorische onderwijs werd
bijvoorbeeld veel aandacht besteed aan zowel klassieke als middeleeuwse scholing.
Binnen de protestantse of gereformeerde wereld lag de nadruk eerder op de periode vanaf de Reformatie. Omdat de
middeleeuwen werden gezien als het hoogtepunt van de macht van de katholieke Kerk, kregen zij daar minder waardering.
Vanaf de romantiek groeide opnieuw een grote interesse voor de middeleeuwen. Opkomende nationale staten, zoals
België, gingen op zoek naar hun historische wortels in de middeleeuwse periode. Grote wetenschappelijke projecten,
zoals de Monumenta Germaniae Historica, verzamelden en publiceerden middeleeuwse bronnen om de historische
continuïteit van de Duitse natie aan te tonen. Deze projecten hadden dus ook een ideologische functie.
Deze herwaardering leidde tot het verschijnsel van medievalism, waarbij de middeleeuwen een belangrijke plaats kregen
in de moderne cultuur. In de negentiende eeuw uitte zich dit bijvoorbeeld in architecturale restauraties en neostijlen,
zoals het werk van Eugène Viollet-le-Duc. Ook in literatuur, muziek, films en spelcultuur blijven middeleeuwse thema’s tot
vandaag populair. Tegelijk werd het begrip Renaissance opnieuw onder de aandacht gebracht door Jacob Burckhardt in
zijn werk Die Kultur der Renaissance in Italien (1860). Hij beschouwde de renaissance als een culturele revolutie en een
duidelijke breuk met de middeleeuwen.
Later kwam er echter kritiek op dit idee. Historicus Johan Huizinga wees erop dat de belangstelling voor de Klassieke
Oudheid niet beperkt was tot Italië en dat ook andere regio’s, zoals de Bourgondische gebieden, een eigen culturele
bloeiperiode kenden. De Bourgondische elite ontwikkelde een eigen kunst en esthetiek die voortbouwde op de
laatmiddeleeuwse cultuur. Hierdoor ontstond het idee dat er niet één enkele renaissance bestond, maar meerdere
renaissances. De overgang van de middeleeuwen naar de nieuwe tijd moet daarom eerder worden gezien als een
geleidelijk en dynamisch proces dan als een scherp breukmoment. Daarom wordt de term humanisme door sommige
historici als geschikter beschouwd dan de term renaissance, die te veel de indruk wekt van een plotselinge
wedergeboorte.
De middeleeuwen worden vandaag ook tentoongesteld en vermarkt voor toeristische doeleinden. Tegelijk kan de periode
ook worden misbruikt binnen politieke extremistische stromingen. Een voorbeeld hiervan is Anders Breivik, die in 2011 in
Noorwegen 77 mensen vermoordde en zichzelf zag als een moderne tempelier.
4. AFBAKENING
De middeleeuwen worden traditioneel geplaatst tussen de vijfde en de vijftiende eeuw. Het vastleggen van exacte begin-
en einddata blijft echter moeilijk, omdat historische veranderingen geleidelijk verlopen. Als mogelijke beginpunten worden
vaak het jaar 410 genoemd, wanneer de Visigotische leider Alarik Rome plunderde, en het jaar 476, wanneer de
Germaanse leider Odoaker zich uitriep tot rex gentium en het West-Romeinse keizerschap ten einde kwam. Deze
gebeurtenissen zijn echter vooral symbolische datums en vormen geen absolute breuklijnen.
Ook voor het einde van de middeleeuwen bestaan verschillende mogelijke data. Het jaar 1450 verwijst naar de uitvinding
van de boekdrukkunst, 1453 naar de val van Constantinopel, 1492 naar de ontdekking van Amerika door Columbus en
1517 naar het publiceren van Luthers 95 stellingen en het begin van de Reformatie. Het is daarom juister om de overgang
van de Klassieke Oudheid naar de middeleeuwen en vervolgens naar de nieuwe tijd te beschouwen als een langdurig
overgangsproces.
5. ALTERNATIEVE CENSUREN
Historici hebben verschillende alternatieve manieren voorgesteld om de middeleeuwen af te bakenen. Voor de
,beginperiode wordt soms gesproken over de Late Oudheid (Late Antiquity), een aparte periode die ongeveer loopt van 400
tot 600 en volgens sommige historici zelfs tot de negende eeuw kan worden doorgetrokken. Daarnaast bestaat de theorie
van Henri Pirenne, die de nadruk legt op de confrontatie tussen Europa en de islamitische wereld. Volgens deze visie
vormde de opkomst van de islam een belangrijker breukpunt in de overgang van de Oudheid naar de middeleeuwen.
Voor de eindperiode worden onder andere het humanisme, de renaissance, de reformatie of zelfs de verlichting als
mogelijke cesuren beschouwd. Een andere manier om de middeleeuwen op te delen is niet via strikte jaartallen, maar via
maatschappelijke veranderingen: een vroege agrarische periode, een fase van overgang en een latere geürbaniseerde en
commerciële middeleeuwen.
6. DE MIDDELEEUWEN: ENKEL EUROPEES?
Het begrip “middeleeuwen” is voornamelijk toepasbaar op de expanderende Latijnse wereld in Europa. De periode kende
echter een grote regionale diversiteit, waarbij ontwikkelingen niet overal op hetzelfde moment of in hetzelfde tempo
plaatsvonden. De Europese wereld stond bovendien voortdurend in contact met andere beschavingen. Zowel
confrontatie als samenwerking met andere culturen en staatsvormen, zoals de Byzantijnse en de islamitische wereld,
bleven cruciaal voor de ontwikkeling van Europa. Daarnaast moet men beseffen dat het begrip “Europa” in de
middeleeuwen geografisch minder duidelijk afgebakend was dan vandaag.
7. BRONNEN
Onze kennis over de middeleeuwen is gebaseerd op zowel mondelinge als schriftelijke bronnen. Schriftelijke teksten
werden vastgelegd op verschillende dragers, zoals tabletten, papyrus en perkament. De bewaring van deze materialen
verschilde sterk, waardoor niet alle bronnen de tand des tijds hebben doorstaan. Het proces van verschriftelijking verliep
niet overal even snel. Vooral religieuze personen, zoals monniken en geestelijken, beschikten over de vaardigheden om
teksten te schrijven en te kopiëren.
De middeleeuwse bronnen bestaan uit uiteenlopende genres en tekstsoorten, zoals kronieken, administratieve
documenten en literaire werken zoals het Nibelungenlied. Ze werden geschreven in het Latijn of in verschillende
volkstalen. De auteurs van deze bronnen kwamen uit uiteenlopende sociale milieus, zoals de geestelijkheid, de adel of
stedelijke groepen, en schreven vanuit hun eigen belangen en doelstellingen. De teksten konden religieuze, historische,
administratieve of andere praktische doeleinden hebben.
LES 2: DE ONDERGANG VAN HET WEST -ROMEINSE RIJK EN HERSCHIKKING VAN WEST -EUROPA
1. GENT ALS GETUIGE
Sint-Machariuswijk. De belangrijkste archeologische vindplaats voor het
Romeinse Gent is de plek aan de samenvloeiing van Leie en Schelde, Ganda
genoemd. Archeologen vonden hier voornamelijk nederzettingssporen uit de 2de-
3de eeuw, maar een aantal vondsten stammen uit de laat-Romeinse tijd en
getuigen zo van een overbrugging tussen de Romeinse tijd en de vroege
middeleeuwen. Ook in Sint-Denijs-Westrem is Romeinse aanwezigheid
veelvuldig geattesteerd, zelfs nog in recente archeologische campagnes. In 1787
werd daar overigens al, nabij de landweg tussen Ganda en Kortrijk, een
muntschat gevonden bestaande uit twintig munten daterend van het midden v/d
vierde eeuw tot aan keizer Constantijn III (407-411). De schat zou mogelijk te
associëren zijn met de doortocht van migrerende gemeenschappen in 406-407.
2. BREUK OF CONTINUÏTEIT TUSSEN DE OUDHEID EN MIDDELEEUWEN?
De overgang van de Oudheid naar de Middeleeuwen kan zowel worden gezien als een periode van breuk als van
,continuïteit.
Er is sprake van een breuk omdat er belangrijke staatkundige veranderingen plaatsvonden die leidden tot de versnippering
van het Romeinse Rijk. Een belangrijke rol hierin werd gespeeld door de hervormingen van keizer Diocletianus. Hij voerde
de tetrarchie in, een vierkoppig bestuurssysteem waarbij het Romeinse Rijk werd opgesplitst in een oostelijk en een
westelijk deel. Elk deel werd bestuurd door twee keizers: een augustus, die de hoogste rang had, en een caesar, die een
lagere rang bekleedde. Zij regeerden in principe collegiaal samen. Daarnaast zorgden migratiebewegingen van
Germaanse stammen voor een geleidelijke infiltratie in het Westen van het rijk. Ook het samenlevingspatroon veranderde,
onder andere door veranderingen in de rol en ontwikkeling van steden.
Tegelijkertijd was er ook sprake van continuïteit. Op religieus vlak ontwikkelde de primitieve Kerk zich geleidelijk verder,
waardoor het moeilijk is om een exact breukmoment aan te duiden. Bovendien was de crisis van het West-Romeinse Rijk
niet plots ontstaan bij de val van het rijk, maar was deze reeds begonnen in of zelfs vóór de derde eeuw. Militaire
problemen en sociale onrust hadden het rijk toen al verzwakt en vormden net de problemen die Diocletianus later met zijn
hervormingen probeerde aan te pakken.
De overgang tussen de Oudheid en de Vroege Middeleeuwen was dus geen volledige breuk. Op sommige vlakken
veranderde de samenleving sterk, terwijl op andere gebieden langdurige processen van continuïteit zichtbaar blijven.
➔ Kaart: Romeinse Rijk in de 3de eeuw
3. DE NADAGEN VAN HET ROMEINSE KEIZERRIJK
Na de crisis van het Romeinse Rijk in het midden van de derde eeuw volgde er een periode van heropleving onder de
keizers Diocletianus (284-305) en Constantijn (306-337). Deze heropleving was het gevolg van verschillende grondige
hervormingen.
Een van de belangrijkste hervormingen was de invoering van de tetrarchie. Dit bestuurssysteem bestond uit twee augusti,
die elk werden bijgestaan door een caesar. Op die manier probeerde men het uitgestrekte rijk efficiënter te besturen.
Daarnaast werd het keizerschap aanzienlijk versterkt. De keizer kreeg een bijna absolute positie en werd gezien als een
figuur met een bijna goddelijke status. Tegelijk bleef hij in theorie een primus inter pares, wat betekent dat hij de “eerste
onder zijn gelijken” was.
Ook op bestuurlijk vlak werd het rijk grondig hervormd. Er ontstond een piramidaal bestuurssysteem met vier prefecturen,
veertien diocesen en ongeveer 114 provincies. Op lokaal niveau waren er de civitates, die bestonden uit een stedelijk
centrum met het omliggende platteland. Daarnaast kregen Rome en Constantinopel een bijzondere positie als belangrijke
bestuurlijke centra. Verder werd geprobeerd om het Romeinse recht te codificeren en de enorme hoeveelheid
verschillende wetten te ordenen. De daadwerkelijke grote codificatie van het Romeinse recht zou uiteindelijk plaatsvinden
onder keizer Justinianus.
Ook het belastingsysteem werd grondig hervormd. De grondbelasting (iugatio) en de persoonsbelasting (capitatio) werden
samengevoegd tot één uniform belastingssysteem. Het doel was een efficiëntere en eerlijkere belastinginning. De
, stedelijke besturen waren verantwoordelijk voor het innen van deze belastingen. Een groot deel van de inkomsten ging
naar het leger. Daarnaast bestond er een systeem van belastingen in natura, vooral graanleveringen, om het leger en grote
steden zoals Rome en Constantinopel van voedsel te voorzien. Ook het muntstelsel werd hervormd door de invoering van
nieuwe munten en het herwaarderen van bestaande munten. De keizers probeerden eveneens de eenheid van het rijk te
versterken door middel van een gemeenschappelijke staatsgodsdienst en door een uitgebreide bureaucratie die steunde
op de grote senatoriale elite.
Ondanks deze hervormingen bleek de tetrarchie uiteindelijk geen succes. Veel augusti en caesars wilden hun eigen zonen
of persoonlijke favorieten als opvolgers aanduiden en waren niet bereid de macht te delen met anderen.
EINDE TETRARCHIE
In 324 kwam er een einde aan de tetrarchie toen Constantijn de alleenheerschappij verwierf over het Romeinse Rijk. Hij
probeerde het viermanschap opnieuw te organiseren binnen zijn eigen familie, maar dit experiment mislukte. Na zijn dood
werd zijn derde zoon Constantius (337-361) keizer. Vervolgens nam zijn neef Julianus (361-363) de macht over. Na de
dood van Julianus werd de militaire officier Valentinianus door het leger tot keizer uitgeroepen. Onder druk stelde hij zijn
broer Valens aan als medekeizer, waardoor er een diarchie of tweemanschap ontstond. Deze ontwikkelingen leidden
uiteindelijk tot de definitieve splitsing van het Romeinse Rijk in een westelijk en een oostelijk deel
LOKAAL BESTUUR
De lokale stedelijke besturen speelden een belangrijke rol binnen het Romeinse Rijk. Centraal stond de stadsraad of
curia, waarvan de leden afkomstig waren uit de lokale elites van de stedelijke centra binnen de civitates. De curia was
verantwoordelijk voor verschillende taken, zoals de inning van staatsbelastingen, de rechtspraak, het beheer van het
communicatiesysteem (cursus publicus) en het onderhoud van de publieke infrastructuur. Monumenten en openbare
gebouwen waren niet alleen praktisch van belang, maar dienden ook om de macht en de ideologie van de keizer zichtbaar
te maken.
De curiales hadden bovendien de taak het Romeinse publieke leven in stand te houden. Via feesten, rituelen,
monumenten en vormen van entertainment verspreidden zij de Romeinse levensstijl. Vanaf de vierde en vijfde eeuw
begon de curia echter geleidelijk haar belang te verliezen. De functie werd minder aantrekkelijk omdat leden van de lokale
elite steeds vaker kozen voor een carrière binnen de keizerlijke bureaucratie of de christelijke Kerk. De
belastinghervormingen van Diocletianus maakten het ambt van curiale bovendien minder winstgevend.
Daarnaast stond de christelijke Kerk vaak kritisch tegenover de luxueuze en wereldse levensstijl die de curia
vertegenwoordigde. Kerkelijke figuren zoals bisschop Isidorus veroordeelden bijvoorbeeld spelen in het amfitheater,
circusvoorstellingen en andere vormen van werelds amusement. Tegelijkertijd kregen nieuwe bestuurlijke functies, zoals
de defensor en de comes, meer invloed en werkten zij vaak samen met bisschoppen. Door de dalende interesse in de
curia verdween ook geleidelijk een vorm van lokaal bestuur waarbij de elite zich sterk verantwoordelijk voelde voor het
welzijn van de stad en haar bevolking.
LEGER EN RIJKGRENS
Het Romeinse leger en de verdediging van de rijksgrenzen ondergingen in de late keizertijd belangrijke hervormingen. Het
leger vereiste enorme financiële inspanningen, waardoor de Romeinen op zoek gingen naar manieren om de militaire
organisatie efficiënter en betaalbaarder te maken.
Vanaf het einde van de derde eeuw veranderde de grensverdediging. In plaats van een volledig afgesloten grens koos men
voor een systeem van beperkte grensbewaking. Langs de grenzen werden lichtbewapende grenstroepen geplaatst.
Daarnaast werden mobiele interventielegers gestationeerd in garnizoenssteden die meer landinwaarts lagen. Deze
troepen konden snel worden ingezet bij buitenlandse invallen of bij binnenlandse opstanden. Een gevolg hiervan was
echter dat de directe grensbewaking verzwakte.
De Romeinen maakten ook gebruik van menselijke bufferzones via gecontroleerde immigratie. Sommige niet-Romeinse
groepen kregen toestemming om zich in grensgebieden te vestigen. De bedoeling was dat zij deze gebieden zouden
verdedigen tegen aanvallen van andere volkeren en als bondgenoten van Rome zouden optreden. Vanaf de vierde eeuw
werd het systeem van de foederati steeds belangrijker. Dit waren niet-Romeinse groepen die door de Romeinen als