Tarja Masschelein BATP B4
Hoofdstuk 1: Wat is sociale psychologie?
Afkortingen kennen
Sociale psychologie bestudeert hoe individuen reageren in sociale
situaties.
o Hoe reageren individuen in sociale situaties?
of
o Wat is de invloed van (de aanwezigheid en het gedrag van)
anderen op een individu? / hoe gaan anderen het individu
veranderen?
BV: je stapt op de bus en de bus is helemaal leeg, dan ga je je zetten waar
dat je wil. Als er andere mensen zitten, ga je waarschijnlijk, als die halfleeg
is, je op gelijke afstand zetten van de anderen. Je kiest niet meer zelf. Ook
bv als er 1 persoon in de bus zit, ga je daar waarschijnlijk niet naast gaan
zitten maar ergens anders (behalve wnr je die persoon kent) Louter de
aanwezigheid van de ander bepaalt je gedrag.
Belangrijk gegeven: je wordt ALTIJD door anderen beïnvloed!
(cfr. Watzlawick: je kan niet niet communiceren)
Dus: zowat alle gedrag is sociaal gedrag
Maar hier: meestal de expliciete interactie tussen individuen
We worden beïnvloed door anderen, of we willen of niet.
Zelf als je alleen bent. BV afspraak bij de tandarts, je bent daar een
kwartier op voorhand en er zit niemand anders in de wachtkamer. Je zal
niet gewoon je voeten op tafel leggen zoals je thuis doen. Zelf de afwezige
tandarts beïnvloed je gedrag. Op dat moment word je ook beïnvloed door
je ouders, die je geleerd hebben dit niet te doen.
Ook wanneer je zou beslissen om niet meer beïnvloed te worden door
mensen en in het wild gaat leven. Stel je doet dat, dan BEN je juist
beïnvloed door anderen. Want het is door de anderen dat je beslist om in
het wild te gaan leven.
1.1 Studieobject en definitie
o Het materiële object:
Hoe wordt het gedrag van mensen beïnvloed door (het gedrag
van/aanwezigheid van) anderen?
,Bewust -> Stil zijn in de klas.
Onbewust -> bv experiment klas/docent. Wnr de docent links stond in
het lokaal waren de studenten stil. Als de docent rechts stond waren de
studenten luid en onaandachtig. De docent gaat onbewust meer links
staan.
Explicit -> Docent zegt tegen student: ‘Ik wil je voor de rest van de les
niet meer horen babbelen.’ En de student zwijgt.
Impliciet -> Docent kijkt met een geïrriteerde blik en stopt ff met
lesgeven wanneer een student constant babbelt. Uiteindelijk gaat de
student doorhebben dat ze stil moet zijn.
o Het formele object:
Wat zijn de wetmatigheden hierin?
Definitie Allport: Sociale
psychologie is de studie die tracht te begrijpen, verklaren en voorspellen
hoe de gedachten, gevoelens en gedragingen van een individu worden
beïnvloed door de geobserveerde, ingebeelde of impliciete gedachten
gevoelens en gedragingen van anderen. (Definitie niet kennen)
1.2 & 1.3 niet kennen
1.4 Werkwijze van de sociale psychologie (zelfstudie)
Er zijn drie manieren waarop psychologie (en sociale psychologie)
kunnen worden opgebouwd of bestudeerd:
3 dimensies:
1. Breedte-dimensie = Zo breed mogelijk kijken naar menselijk gedrag.
Anders gezegd: Je onderzoekt veel verschillende thema’s: attitudes,
waarneming, beïnvloeding, gedrag, emoties, overtuigingen…
,Door:
grote, brede onderzoeksgroepen
veel variabelen
veel domeinen tegelijk
2. Diepte-dimensie
In de diepte kijken naar wat er binnenin de mens gebeurt. (filosofischer)
Betekenis:
Je probeert te begrijpen wat er in de “black box” zit:
onbewuste processen
driften
emoties
leerprocessen
innerlijke conflicten
Voorbeelden:
Freud (onbewuste)
Dieptepsychologie
Hypothetische constructen (dingen die je niet kan zien maar wel
bestaan, zoals motivatie, angst, hechting)
3. Hoogte-dimensie
= Een theorie opbouwen in de hoogte, gesteund door empirisch bewijs.
Betekenis:
Je start met een hypothese → je test die → je bouwt een theorie die
ondersteund wordt door data.
Hypothetisch-deductief:
1. Je bedenkt een idee (hypothese)
2. Je test het met onderzoek
3. Je bouwt een theorie die “hoog” staat omdat ze stevig onderbouwd
Korte samenvatting:
, Breedte → zo veel mogelijk gedrag en thema’s onderzoeken (breed
kijken).
Diepte → kijken naar innerlijke, onbewuste processen (black box).
Hoogte → theorieën opbouwen op basis van empirisch onderzoek
(hypothetisch-deductief).
1.4.2 Het experiment als methode
Waarom zijn experimenten belangrijk? :
Dit vormt vaak een stevige basis in de theorievorming en is in die zin
onontbeerlijk in een positief-wetenschappelijke benadering van (sociale)
psychologie.
Belangrijke begrippen:
Rolspeler = iemand die doet alsof hij ook een deelnemer is aan het
onderzoek, maar werkelijk in het complot zit.
Experimentele conditie = de situatie waarin de proefpersonen obv de
hypothese een bepaalde manipulatie ondergaan.
Controleconditie= nulmeting om na te gaan wat het gedrag is van een
proefpersoon zonder die experimentele manipulatie.
Jukconditie = dan ondergaan twee ppn exact dezelfde onaangename
prikkel
Voordelen van experiment als methode:
1. Je krijgt cijfermateriaal:
-> objectief, meetbaar, bruikbaar voor statistiek.
2. Via experimenten kunnen we een labosituatie creëren:
Onafhankelijke variabelen= Veranderingen die je aanbrengt in de
omgeving (lawaai, licht, beloning, straf…)
Afhankelijke variabelen = Wat verandert door jouw manipulatie in de
omgeving. (bv. Prestaties, gedrag, stress…)
Storende factoren = Omgevingssituaties of persoonseigenschappen die
niet algemeen geldend zijn en het resultaat kunnen vertekenen. (bv
humeur, temperatuur, persoonlijkheid)
-> door alle zaken onder controle te houden wordt een experiment:
- betrouwbaarder