Privacy = mensenrecht = grondrecht = fundamenteel voor onze vrijheid
Redenen om focus te leggen op vertrouwen en omgaan met vertrouwelijke gegevens:
1. Toename in dossiervorming – elektronische dossiervorming: er is nog nooit zoveel geregistreerd en het
is nog nooit zo makkelijk geweest om gegevens te delen
⟶ Sociaal-agogisch werker: komt in leefwereld van mensen, bouwt dossiers op en wisselt informatie uit
met andere professionals
2. Huidig tijdbestek: urgentie van privacy is niet te veronachtzamen – we leven in een voortdurende staat
van openbaarheid en we kunnen ons de vraag stellen of privacy nog wel iets te betekenen heeft
1 – DEONTOLOGISCH PERSPECTIEF
FUNDAMENTELE PRINCIPES VOOR HET SOCIAAL-AGOGISCH WERK:
Privacy (belangrijk voor de volledige samenleving)
Discretie
Beroepsgeheim
⟶ Beginselen worden kracht bijgezet door sterke juridische verankering in privacyregelgeving en wet op
het beroepsgeheim.
Professionals: minder dwingende, maar toch richtinggevende (contractuele) discretieplicht ⟶ Doel
discretieplicht: garandeert dat vertrouwelijke informatie binnen een organisatie blijft
Deontologische invalshoek: kader bieden voor hoe we zouden moeten handelen
≠ overzicht van deontologische codes of leidraad voor het opstellen ervan
= ethische reflectie en dialoog stimuleren binnen sociale beroepen en helpen ontwikkelen
Wet- en regelgeving kennen en je tegelijk bewust zijn voor het normerende karakter van het beroep =
belangrijk als sociaal-agogische professional. ⟶ Regel volgen ≠ ethisch, ‘goed’ mens.
Deontologie (normatieve ethiek): manier om morele problemen te benaderen
⟶ Risico: eenzijdig vasthouden en kijken vanuit een deontologisch perspectief kan moraliserend zijn
⟶ Hardnekkig vasthouden aan principes (wet is wet) kan als een vorm van kille rationaliteit overkomen en
getuigen van een bepaalde wereldvreemdheid.
Codes en wetten = tijdelijke, contextuele, morele consensus: expliciteringen van wat we als samenleving op
een bepaald punt in de tijd goed- en afkeuren
⟶ Doel wetten: gelijkheid – iedereen gelijk voor de wet
⟶ Realiteit: wetten en regels zijn soms onrechtvaardig – vaak voor de meest kwetsbare groepen in onze
samenleving vb. lage-emissiezone en andere maatregelen die vervuilende auto’s uit het stadscentrum
weren: goed voor milieu en gezondheid, maar niet iedereen kan zich een nieuwe auto veroorloven –
sanctioneringen doen 5nanciële kloof toenemen
Regels ≠ pasklare oplossingen die ons vertellen hoe we moeten handelen
Wetten = algemeen geformuleerd, moeten steeds vertaald worden binnen concrete contexten – in vraag
1
,stellen
⟶ Wat is het goede, in dit geval, op dit moment, bij deze cliënt?
2 – DEONTOLOGIE ALS DEEL VAN EEN BEROEPSETHIEK
Deontologische kijk: Wat is juist? Handelen we goed als we juist handelen?
Filosofische discussie: onderscheid tussen het ‘juiste’ en het ‘goede’
⟶ Deontologische kijk: ‘goed’ handelen = handelen volgens een juiste regel
⟶ Juiste regel = gebaseerd op een principe, iets waar we allemaal kunnen achterstaan
WAT IS HET GOEDE DOEN?
Deontologisch perspectief: het goede doen is je houden aan (rechtvaardige) regels – het goede is het ‘juiste’
doen, doen wat we ‘zouden moeten doen’
⟶ Consequentialistisch perspectief en deugdenperspectief = alternatieven om morele handelingen ethisch
te legitimeren.
Technische professionaliteit: doe ik de dingen goed?
Normatieve professionaliteit: doe ik de goede dingen?
Interventies van sociaal-agogisch werkers = waardegeladen en bevatten opvattingen over het goede.
Metafoor: we bevinden ons vaak in de moerassige laaglanden, waar belangen, verwachtingen en waarden
tegenover elkaar moeten afgewogen worden
⟶ Belangrijk: inzicht in wat leeft bij de cliënt, organisaties en samenleving
⟶ Sociaal-agogische professional: deskundig (technische professional), maar laat zich tegelijk ook leiden
door de waarden waarvoor zijn/haar beroep staat (normatieve professional*)
Normatieve professionaliteit*: opvattingen expliciteren en bespreekbaar maken, in dialoog onder
beroepsgenoten
2
, PROLOOG – HET GOEDE DOEN
HOOFDSTUK 1 – MORAAL EN ETHIEK
Moraal: het geheel van waarden en normen die richting geven aan wat we denken en doen
Dagelijks leven: intuïtief bepaald – we stellen ons niet voortdurend de vraag of wij/anderen het
goede aan het doen zijn, wat de reden van ons handelen is … = onhaalbaar
o Morele intuïtie: ontstaan door socialisatie en trial-and-error – persoonlijk en professioneel
referentiekader waarbinnen we bewegen, meebepaald door ervaringskennis
Mens:
o Waarderende of normatieve uitspraken: we spreken waardeoordelen uit over anderen,
onszelf, motieven, emoties en concrete daden
o Laat zich in het handelen leiden door principes, regels en normen die bepalen wat kan en niet
kan, wat moet of wat afkeurenswaardig is.
o Heeft allerlei invulling van het goede leven, voor onszelf en voor anderen.
Ethiek of moraaltheorie: theoretische studie van de moraal – 5loso5sche discipline die waarde- en
normenstelsels onderzoekt, onder woorden brengt en nagaat welke argumenten bepaalde keuzes voor dat
goede legitimeren
DISCIPLINES BINNEN DE MODERNE ETHIEK:
scheidingslijnen zijn theoretisch van aard en durven in praktijk al eens te vervagen
Theoretische ethiek
o Meta-etiek: zoekt naar fundamenten van de ethiek en bekijkt het morele taalgebruik en het
argumenteren
o Normatieve ethiek: zoekt naar theoretische kaders waarbinnen morele problemen behandeld
kunnen worden
Toegepaste ethiek
o Bekijkt morele problemen binnen speci5eke domeinen
vb. bio-ethiek, medische ethiek, media-ethiek of ethiek met betrekking tot
oorlogvoering
Empirische ethiek
o Betreft disciplines zoals moraalsociologie en -psychologie, waarbij concrete waarden en
normen onderzocht worden die gelden in een samenleving of behoren tot het referentiekader
van personen – kijkt naar de sociale of psychologische oorsprong, naar veranderingen,
oorzaken en hun impact
1 – DE VERWISSELBAARHEIDSGEDACHTE – NORMATIEVE ETHIEK
Verwisselbaarheidsgedachte of principe van gelijkheid: bij het nemen van een standpunt, kent men de
eigen belangen niet meer gewicht toe dan de belangen van anderen – eigen rol in een moreel standpunt moet
op een of andere manier verwisselbaar zijn met de rol van anderen
= belangrijke toetssteen binnen normatieve ethiek, bepaalt of een theorie ethisch is
⟶ Essentie: oordeel is pas moreel of ethisch als het een handelen uit eigenbelang en egoïsme overstijgt
3
, Voorbeeld: ik mag mijzelf niet anders behandelen dan de anderen en de anderen onderling niet
verschillen van elkaar
o Antwoord op de vraag naar de ethische aanvaardbaarheid van een handeling.
MAAR: nog steeds verschillende antwoorden mogelijk op de vraag of die ethisch
aanvaardbare handeling ook ‘moreel juist’ of ‘goed’ is
Voorbeeld: Verjaardagstaart verdelen:
o Taart in gelijke stukken verdelen: iedereen evenveel = verwisselbaar
o Principe afspreken: verdelen volgens behoefte (meer honger = groter stuk) = ongelijke
verdeling, maar we houden daarbij alsnog evenveel rekening met iedereens belangen
o Proportionele verdeling: jarige krijgt een groter stuk dan de rest = verwisselbaar (iedere jarige
krijgt op termijn een groter stuk)
o Jongsten of zwaksten minst ≠ verwisselbaarheid (geen reden voor ongelijke verdeling)
HOOFDSTUK 2 – RECHTVAARDIGHEIDSTHEORIEËN
1 – CONSEQUENTIALISME
= handeling evalueren op basis van de toestand die de handeling veroorzaakt
Goede handeling = handeling die de best mogelijke gevolgen (consequenties) oplevert – of de minst
schadelijke
Gevolgen ≠ best mogelijke gevolgen voor mezelf
Gevolgen = gevolgen in het belang van iedereen – of minstens een zo groot mogelijke groep mensen
⟶ koppelt handeling los van de persoon die de handeling stelt
ETHIEK, CONSEQUENTIALISME
= afweging van onze belangen en die van anderen
Streven naar positieve balans: handelingen stellen die meer ‘goed’ dan ‘slecht’ veroorzaken
Onpersoonlijk ethisch standpunt: ethische handeling is een handeling die na afweging meer ‘goed’
veroorzaakt en iedereen in dezelfde situatie zou dezelfde keuze maken
⟶ Iedereen telt evenveel mee – each one counts as one and no more than one.
2 – DEONTOLOGIE
Professionele context: deontologie = beroepscode, richtlijnen voor professionals om ethisch te
handelen
Beroepscode: zegt hoe we behoren te handelen – concretiseringen van specifieke principes in regels
sturen het gedrag
Deontologie = plichtenleer, beginselethiek
o Zegt hoe we behoren te handelen + evalueert die handeling (= consequentialisme).
Goede handeling = handeling die vertrekt vanuit een juiste intentie
Juiste intentie = intentie die gebaseerd is op een principe of beginsel
4