HOOFDSTUK 1: INLEIDING
1. Doel van de colleges
o perspec&ef bieden
o Context scheppen
o Bewustwording creëren
2. Economie als sociale wetenschap
= gedragswetenschap van de mens
• Economische inzichten <-> poli&ek-maatschappelijke visies
• Gebaseerd op een serie rivaliserende (en veranderende) denkkaders
• Mens van vlees en bloed als fundament van theorieën
• Resultante van een dynamisch samenspel binnen een ins&tu&oneel kader
! economie is geen exacte wetenschap !
• Geen enkele persoon past perfect in een theorie
• De socio-economische context verandert steeds
• Mensen zijn niet zuiver ra&oneel
• Mensen zijn grotendeels niet voorspelbaar
Aspecten die zich laten becijferen:
- intresten en rendementen
- rapportrekeningen
- heffingen en taksen
-…
,3. Defini9e economie
1. schaarste = beperkte hoeveelheid
2. keuzeproblemen: veelheid aan bestedingsmogelijkheden
=> het economisch probleem
=> het ecnomisch mo&ef (= oplossen van dit probleem van menselijke handelen)
Micro-ecnomie Macro-economie
= ecnomisch probleem analyseren op kleine = ecnomisch probleem analyseren op grote
schaal (bv bedrijf, product, …) schaal (bv land, sector, …)
4. Kernbegrippen
4.1. Behoe)en
= verlangens van de mens -> onbegrenst
-> vervulling door inzet schaarse middelen
- behoeSe vervullen aan de hand van subs8tuten
- nut van goederen is subjec8ef!! -> waarde/ prijs verschilt van persoon tot persoon
- ecnomie is neutraal
Welvaart welzijn
= de mate waarin behoeSen worden vervult = de combina&e van welvaart met vervulling
met schaarse middelen van niet-meetbare behoeSen = trade-off
4.2. Produc1efactoren
,4.3. Goederen (behoeSevervulling)
! Zijn ook schaars -> worden gevormd uit schaarse produc&efactoren !
• Duurzaam (meerdere gebruiken, vb. auto) of niet-duurzaam (slechst éénmalig in
gebruik, vb. pint)
consump&egoed Investeringsgoed
= directe behoeSebevrediging (vb. pint) = indirecte behoeSevervulling
Duurzame investeringsgoederen
(=kapitaalgoederen): duurzaam van
karakter (vb. machines)
Niet-duurzame investeringsgoederen:
éénmalig in gebruik (vb. printerinkt)
• Finale goederen (eindproduct, vb. kledij) of intermediare goederen
(halffabrikaten,vb. stof)
5. Economische spelers
= samenspel tussen verschillende spelers
5.1. Gezinnen
5.2. Bedrijven
5.3. Overheid
, HOOFDSTUK 2: THEORIEËN
1. Economische stromingen
1.1 Context
= resultaat van een zeer lange ontwikkeling door sociaal-economische omstandigheden en
poli8ek-maatschappelijke stromingen
=> conflicterend paradigmata
- mensenbeeld
- rol overheid
- methodieken
1.2 Voorlopers
= product van de ancien regime
1.2.1.Mercan&lisme (1450)
= obsessie met edele metalen -> goud en zilver in eigen land houden
Handelsbalans = zo weinig mogelijk van andere na&es kopen en er maximaal
verkopen
• na&onalisme/protecionisme
• Koloniaal (westers) systeem
• Voedingsbodem voor conflict en oorlog
• Trump als hedendaagse exponent (tariffs)
1.2.2.Fysiocra&e (1750)
= obsessie met landbouwgrond: natuur als basis voor rijkdom
Economische kringloop = 1e poging tot een analy&sch totaalmodel
• Landbouw = produc&eve klassse
• Handel en ambacht = steriele klasse
o Vrije prijsvorming
o Schaalvergro&ng en privebezit van landbouwgronden