DEFINITIE → 3 KENMERKEN
1) in bepaalde gemeenschap gebruikt voor ALGEMENE COMMUN.DOELEIND.
2) lange TRADITIE , niet bewust door mensen gecreëerd, geen precies ontstaan
→ voorbeeld frans: Serments de Strasbourg, inspo uit Romaans, tijd n. duid.
3) SPONTAAN aangeleerd of verworven, zonder formele taalinstructie
(gemeensc.)
1.1.1 Onderscheid menselijke natuurlijke taal met kunstmatige talen
KUNSTMATIGE TALEN → 3 SOORTEN
1) kunsttalen = op bepaald moment bewust door mensen ontworpen om
natuurlijke taal te vervangen
→ voorbeelden:
1) Esperanto: door Zamenhof, universeel begrijpen → Toren van Babel
→ voor world peace, bekendste, vrije woordvolgorde, 1870, nog steeds
→ uitgangen voor getal en naamval: estas blijft dezelfde (zijn)
→ zie oefening met getallen
2) Klingon: Klingonen uit Star Trek, eigen taleninstituut en woordenb.
3) Dothraki: door nomadenvolk uit Games of Thrones
4) lingua ignota: door Bingen, oudste (12de eeuw)
→ 2 en 3 hebben andere doelstellingen dan communicatie: fantasietalen
2) wetenschappelijke talen = bewust door wetenschappers ontworpen met doel
→ voorbeelden:
1) formele logica
2) taal van wiskunde
3) Characterica Universalis: door Leibniz om onvolkomendh. overwinnen
→ doel = wetenschappelijke vraagstukken vergemakkelijken, perfecte taal
3) computer-en programmeertalen = via computers
→ voorbeeld: Python (getalletjes)
→ conclusie met kenmerken: 1) ontworpen op BEPAALD moment
2) ONDERWIJS nodig, dus niet spontaan
3) DOEL bepaald
4) WETENSCHAPPERS en filosofen
1.1.2 Is geschreven taal een vorm van natuurlijke taal?
→ NEE, school, niet spontaan, bewuste beslissing
→ SCHRIFTSYSTEMEN bestudeert door graphemics of graphematics
= systemen die gehanteerd worden om taal neer te schrijven
= van versch. talen worden genoemd naar de kleinste zelfst. eenheden waar
schrifttekens mee corresponderen
→ niet dezelfde als spelling: descriptief - normatief (hoe woorden schrijven)
,→ soorten schriftsystemen:
1) SYLLABISCH schrift = tekens corresponderen met lettergrepen
→ voorbeeld: Cherokee
2) LOGOGRAFISCH schrift = tekens corresponderen met begrippen/woorden
→ voorbeeld: ‘gedachte’ is één van betekenissen van ‘logos’
→ voorbeeld: Chinees maar sommige tekens syllabisch schrift
3) ALFABETISCH schrift = lettertekens corresp. met bepaalde klanken van taal
→ voorbeelden: frans, spaands, duits, engels,...
→ MAAR geen eenduidige corres. tussen schrifttekens en klanken
→ voorbeeld: ‘t’-klank = t,d,dt of ‘k’-klank = k,c,ch,q
● geen trouwe weergaven van gesproken taal
● geschreven taal kan ook afwijken van gesproken
→ gesproken: evolueert
→ geschreven: niet altijd aanpassen, ook niet de spelling (= verzet)
→ voorbeeld: Frans (monsieur, poele,...)
● nederlands alfabet = Latijns alfabet (overgenomen uit)
→ oorsprong: Fenicische alfabet
→ eerste schriftsysteem = spijkerschrift (mesopotamië, 3300 v.c)
→ ieder teken een woord, voor handelstransacties, veranderen want snel
→ leestekens/interpunctietekens: ook tot ons schriftsysteem
● beïnvloeding communicatie door gesproken en geschreven taal: context
→ gesproken taal: face to face, telefoon, online contacten (omstandigheden),
on the spot, geen explicatie nodig, onmid. reactie (mimiek),
kortere zinnen, intonatie, alles uit context
→ geschreven taal: lezers niet perse aanwezig in tijd en ruimte,
geen context dus explicatie nodig (beschrijven), min. betr.
niet direct reactie, lange uitleg nodig, geen info uit context
→ kunnen andere waardering krijgen door cultuur
→ voorbeeld: in westerse cultuur geschreven meer prestige door school
→ aanpassen van spelling daarom tot debat: culturele eigenheid
,1.1.3 Zijn gebarentalen natuurlijke talen?
→ JA, enkel uitdrukkingsvorm is anders, hebben verschillende soorten en dialecten
→ voorbeelden: VGT, NGT, ASL
→ meer dan 150 gebarentalen door Ethnologue
→ 3 argumenten:
1) SPONTAAN EN NATUURLIJK verworven
→ voorbeeld: dove kinderen door dove ouders leren, automatisch, stadia
2) VANZELF ONTSTAAN
→ voorbeeld: dove mensen kwamen samen om te kunnen communiceren
→ voorbeeld: Al-Sayyid Bedoeïen gebarentaal: spontaan zelf gedaan (evol.)
→ voorbeeld: ‘homesign’ = dove kinderen onderling, niet dove ouders
3) STRUCTURELE KENMERKEN die ook in gesproken taal zitten:
1) tekens zijn arbitrair en niet iconisch, lijken wel op handeling
= geen gemotiveerd verband tussen klank en verwijzing
2) woorden bestaan uit tekens die zelf geen betekenis hebben (hond)
3) congruentie = grammaticale overeenkomst tussen werkwoord en onderw.
4) structuur in tekenorde: onderschikking enzo
5) intonatie door gelaatsuitdrukkingen
1.1.4 Menselijke taal en dierlijke communicatiesystemen/dierentalen
● kenmerken van toepassing op dierlijke communicatiesystemen
→ voorbeeld: vogels leren spontaan soort gezang aan
→ voorbeeld: blauwapen: waarschuwingssignalen voor ander gevaar
→ geluid verwijst naar soort dier
→ geluiden hebben REFERENTIËLE WAARDE = elementen in wereld
en bedoeld om gedrag van soortgenoten te beïnvloeden
→ REPERTOIRE blijft wel beperkt (<-> mensen), dus geen nieuwe signalen
● dieren taal laten ontwikkelen → niet noodzaak te doen, vergelijkb. menselijke
→ voorbeeld: experiment Kanzi: amerikaanse gebarentaal/tekens aanleren
→ 1) had beste resultaten 2) symbolen op ‘automatische’ wijze (= kids)
→ moeder werd het geleerd maar kind kent het door aanwezig te zijn
→ schematische tekeningen op toetsenbord = LEXIGRAMMEN
= vormen soort artificiële taal → Yerkish
→ 250 symbolen in 18 maanden met referentiële waarde
→ spontaan combineren (723)
→ snapte bevelen en verschil in syntax → geen grammaticale organisatie
● menselijke taal toch UNIEK:
1) INGEWIKKELDE STRUCTUREN
2) PRODUCTIEVER: meer taaluitingen met meer verschillende structuren
3) CREATIEVER: ons repertorium kan uitgebreid worden
4) FLEXIBEL: verschillende interpretaties, context (bonobo: combineren)
5) BEHOEFTE OM TE UITEN: constant communiceren
, ● 9 kenmerken om verschil te duiden:
→ ND = niet distinctief is niet onderscheidend
1) taal gebruikt een VOCAAL AUDITIEF KANAAL → ND
→ vocaal = spreker door klanken en auditief = toehoorder
→ geschreven taal secundair aan gesproken taal
WANT: 1) spontaan leren spreken zonder formeel instructie op school
2) elke geschreven taal is sowieso gesproken (buiten logica)
→ vocale communicatie is MULTIMODAAL = langs verschillende kanalen
→ mimiek, gelaatsuitdrukkingen, toonhoogte en gebaren
→ vogels en blauwapen ook via vocaal auditief maar andere klanken
→ niet groot verschil met klanken op fonetisch niveau met chimpansees
→ verschil controle spraakorgaan door hersenen = nieuwe klanken imiteren
→ enkel mens, dieren enkel controle over aangeboren repertorium
→ geen exclusieve eigenschap van menselijke taal → andere dieren ook
→ geen noodzakelijke eigenschap → andere gebarentalen ook
2) taalvormen hebben een SEMANTISCHE WAARDE → ND
→ = taalvormen hebben betekenis en verwijzen dus naar dingens
→ BETEKENIS = concept dat met een woord geassocieerd is en
geeft definitie van het soort elementen in de wereld
→ VERWIJZING/REFERENTIE = element in de wereld waar het naar verwijst
→ DENOTATIE = klasse van alle elementen in de wereld waar woord verwijst
→ REFERENT = element waar woord verwijst en deel van denotatie
→ blauwapen en dolfijnen ook verwijzingen door waarschuwingssignalen
→ honden die elementen uit buitenwereld kunnen verbinden met klanken
= verbinden van auditieve met visuele stimuli
→ toch 2 problemen:
1) veel interpretaties van de waarschuwingssignalen
2) semantische waarde anders: 1) enkel in context aanwezig, wij van ver
2) gesloten repertoria: geen nieuwe
→ mentale woordenlijst = het lexicon → is anders
3) in natuurl. taal is het verband t. vorm en betekenis WILLEKEURIG → NB
→ willekeurig = ARBITRAIR = geen GEMOTIVEERD VERBAND tussen
taalteken en datgene waarnaar verwijst
→ ONOMATOPEEËN/KLANKNABOOTSINGEN: kunnen ook verschillen
→ PARALINGUÏSTISCHE signalen = signalen die te maken hebben met de
manier waarop woorden worden uitgesproken → snelheid, intonatie, klemt.
→ voorbeeld: boos zijn → hoe bozer hoe luider
→ ICONICITEIT = gelijkenis tussen vorm van taalteken en betekenis
→ voorbeeld: luidheid iconische band met fenomeen dat ermee corresp.
en dus wel gemotiveerd verband