Les 1: Kostenclassificatie & Break-even Analyse
Soorten Kosten
Directe kosten: Kosten die een eenvoudig en direct verband vertonen met een product of afdeling.
Bv. kost van snaren voor tennisraketten.
Stelling: Bij het produceren van tennisraketten zijn de snaren een indirecte kost, want ze zijn moeilijk
te koppelen aan één product.
Antwoord: FOUT — Snaren vertonen een rechtstreeks verband met het product en zijn daarom een
directe kost, geen indirecte.
Indirecte kosten (overhead): Kosten die moeten verdeeld worden om ze toe te rekenen aan een
product of afdeling. Bv. nationale reclamecampagne KLM.
Stelling: De kost van een nationale reclamecampagne voor een luchtvaartmaatschappij is een directe
kost voor een specifieke vlucht.
Antwoord: FOUT — Een nationale reclamecampagne kan niet direct gekoppeld worden aan één
vlucht en is dus een indirecte kost die verdeeld moet worden.
Variabele kosten: Kosten die variëren met het activiteitsniveau. Bv. maaltijden op een vlucht.
Stelling: De kost van maaltijden op een vlucht is een vaste kost, want ze wordt bepaald bij de
boeking van de vlucht.
Antwoord: FOUT — De maaltijdkost varieert met het aantal passagiers — geen passagiers betekent
geen maaltijden — en is dus een variabele kost.
Vaste kosten: Kosten die ongewijzigd blijven bij veranderingen in het activiteitsniveau, binnen
bepaalde grenzen. Bv. kost van vliegtuig en piloot voor een vlucht.
Stelling: Op lange termijn zijn sommige kosten absoluut vast en kunnen ze nooit variabel worden.
Antwoord: FOUT — Op lange termijn zijn ALLE kosten variabel. Denk aan personeel dat ontslagen
kan worden, gebouwen die verkocht kunnen worden, etc.
Semi-variabele kosten: Kosten die zowel een vaste als een variabele component bevatten. Bv.
telefoonrekening met vaste abonnementskosten + kost per extra belminuut.
Stelling: Een telefoonrekening met een vast abonnement en een kost per extra belminuut is een puur
variabele kost.
Antwoord: FOUT — Dit is een voorbeeld van een semi-variabele kost: vast tot de belminuten op zijn,
daarna variabel per extra minuut.
Semi-vaste kosten: Kosten die vast zijn binnen bepaalde activiteitsniveaus maar trapsgewijs stijgen
buiten die niveaus. Bv. lonen verpleegsters, huurkosten per extra magazijn.
Stelling: Het loon van verpleegsters in een ziekenhuis is een perfect variabele kost die evenredig
stijgt met het aantal patiënten.
Antwoord: FOUT — Dit zijn semi-vaste kosten: je hebt een vast aantal verpleegsters nodig tot een
, bepaalde bezettingsgraad, daarna stijgt het loon trapsgewijs wanneer je extra personeel aanwerft.
Opportuniteitskost: De potentiële baten die worden opgegeven wanneer het ene alternatief wordt
gekozen boven een ander. Bv. gemist jaarloon als student niet werkt maar studeert.
Stelling: De opportuniteitskost van een student die voltijds studeert is gelijk aan het betaalde
schoolgeld.
Antwoord: FOUT — De opportuniteitskost is het loon dat de student had kunnen verdienen als hij in
plaats van studeren was gaan werken — niet het schoolgeld, want dat is een werkelijke uitgave, geen
gemiste baat.
Sunk costs: Kosten die in het verleden werden gemaakt en niet meer gewijzigd kunnen worden. Ze
zijn irrelevant voor toekomstige beslissingen.
Stelling: Als je 2 jaar geleden een auto kocht voor €15.000, moet je deze aankoopprijs meenemen bij
de beslissing om de auto vandaag te verkopen of te houden.
Antwoord: FOUT — De aankoopprijs van €15.000 is een sunk cost: je hebt het al betaald en kunt het
niet terugkrijgen, ongeacht wat je nu beslist. Alleen de huidige en toekomstige waarden zijn relevant.
Beheersbare kosten: Kosten die een manager zelf kan beïnvloeden, zoals distributiekosten,
publiciteitskosten en productiekosten.
Stelling: Belastingen en wettelijk verplichte vergoedingen zijn voorbeelden van beheersbare kosten.
Antwoord: FOUT — Belastingen en verplichte vergoedingen zijn niet-beheersbare kosten: ze worden
extern opgelegd en kan het bedrijf niet zelf sturen.
Break-even Analyse
Break-even punt (BEP): Het activiteitsniveau waarbij opbrengsten en kosten precies gelijk zijn — er
is dus geen winst en geen verlies.
Stelling: Op het break-even punt behaalt de onderneming de maximale winst.
Antwoord: FOUT — Op het break-even punt is de winst precies nul. Winst begint pas te ontstaan als
het verkoopvolume het break-even punt overschrijdt.
Contributie (per eenheid): Verkoopprijs per eenheid minus variabele kost per eenheid (P – V). Elke
eenheid draagt dit bedrag bij aan de dekking van vaste kosten, daarna aan winst.
Stelling: Als de contributie per eenheid positief is, maakt de onderneming automatisch winst.
Antwoord: FOUT — Een positieve contributie per eenheid dekt slechts de variabele kosten. Pas
wanneer de totale contributie groter is dan de vaste kosten, ontstaat er winst.
BE-volume formule: BE-volume = Vaste Kosten ÷ Contributie per eenheid (P – V).
Stelling: Als de vaste kosten stijgen en de contributie per eenheid gelijk blijft, daalt het break-even
punt.
Antwoord: FOUT — Als de vaste kosten stijgen en de contributie gelijk blijft, moeten meer eenheden
worden verkocht om alle kosten te dekken, dus het break-even punt STIJGT.
Gewogen gemiddelde contributie (GGCB): Bij meerdere producten: de gemiddelde contributie
gewogen naar het aandeel van elk product in de productiemix, gebruikt voor de BE-berekening.
Stelling: Bij een onderneming met drie producten kan het break-even punt berekend worden door
simpelweg de contributies van de drie producten op te tellen.