Gezelschapsdier
Specifieke doeleinden:
• Politiehond: duitse/mechelse herder
• Hulphonden: retrievers
• Race/renhonden: windhonden
• Transporthonden: verboden in belgië, maar oorspronkelijk gefokt voor een bepaald type
transport.
• Truffelhonden: veel verschillende rassen
• Veedrijvers: bordercollie (schapen), australische herder
• Jachthonden: verschillende types
• Proefhonden: beagle: leven graag in groep dus gemakkelijk in grote groepen samen te
houden. Middengroot ras dus gemakkelijk kwa grootte. Niet veel eten nodig omdat ze
anders obees worden. Hogere pijngrens want oorspronkelijk gefokt om te gaan jagen.
• Werkhonden: gefokt omwille van hun werkkarakter: beste drijven,.. wordt niet gefokt met
honden die bv een mankepoot hebben. (wel bij show).
• Schowhonden: obv officieel aanvaarde morfologische raskenmerken gaan verder fokken of
juist niet.
FCI/ Federation Cynologique Internationale:
Hoofdzetel: belgië. Gaat alle wereldrassen die erkend zijn, beschrijven. Elk ras behoort tot een
bepaald land, en deze schrijven de rasstandaard uit.
In belgië: koninklijke maatschappij sint-hubertus. Die gaat alle hondenrassen die in België herkend
zijn in stand houden en verbetern.
FCI verantwoordelijkheden:
Zorgt ervoor dat elk aangesloten land een minimaal aantal internationale kampioenschappen gaat
organiseren. En dat de rasstandaarden in elk land gelijk zijn.
Rasstandaard: een officieel aanvaarde beschrijving van de morfologische kenmerken waaraan dieren
van elk ras moeten voldoen en van de gebreken die op prijskampen een aanleiding zijn tot een
verminderde appreciatie of tot afkeuring. De standaarden worden bevestigd door de FCI (Fédération
Cynologique Internationale).
In elke rasstandaard gaat men in detail beschrijven hoe het ras eruit ziet qua kleur, vachttype, en
andere morfologische kenmerken.
,Morfologische kenmerken:
1. Gestalte
4 groepen:
• zeer grote honden: groter dan >70cm schofthoogte, >45kg.
• grote honden: >55cm schofthoogte, 25-45kg.
• middelgrote honden: 35-55cm schofthoogte, 10-25kg.
• kleine honden: 20-35cm schofthoogte, <10kg.
2. Kleur van het haarkleed
Sommige rassen: hetzelfde kleurpatroon.
Andere rassen: verscheidene kleuren.
Eenvormig, uniform, effen gekleurd:
• Zwart
• Chocolade/leverkleur
• Roodkleurige
• Goud/blond/creme kleur
Tweekleurig:
Meestal zwart en roestbruin of ‘black and tan’
Ook bruin en roestbruin of ‘chocolate and tan’
Driekleurig:
Wit, rood en zwart.
Peper-en-zout: ≠. Schakeringen van = tint → niet homogeen uitzicht van vacht. (tipisch voor
schauzer)
Mengpartoon/’merle’:
→erfelijk.
Combinatie van zwarte en grijsblauwe zones= ‘blue merle’: (border)collie, sheltie, teckel, corgi.
Combinatie van gele en roomkleurige zones= ‘yellow merle’
Combinatie van rode en roodbruine zones= ‘red merle’
Opmerking: iris is vaak licht gekleurd bij merle honden (of 2 verschillende)
!!! in belgië verboden om 2 merle honden te gaan kruisen: grote kans op pups met afwijkingen:
• Oorafwijking: doof
• Oogafwijking: geen ogen, te klein, afwijkende iris (wit/bijna volledig wit)
, Idee kans op witte/dove blinde hond indien merle x merle? (gecombineerd dominant overerfbaar)
Vader→ M m
moeder M MM Mm
m Mm mm
50% kans (2/4): merle pups
25% kans (1/4): effen gekleurd
25% (1/4): witte dove hond
Aftekeningen:
• Masker: zwarte snuit, evt. voorhoofd, oren
• Zadel: 2 donkere zones beiderzijds op de romp die op de rug samenkomen
• Mantel: zadel dat zich verder uitstrekt naar voor (hals) en achter (lenden, kruis)
• Gestroomd: tijgerstrepen
Bont in ≠. Gradaties:
• Ierse aftekening: wit op muil, voorborst, voeten, staarttop
• Harlekijnpatroon: witte grondkleur met veel zwarte vlekken (grillige omtrek)
• Gevlekt ‘flecking’: wit haarkleed met niet al te grote zwarte/bruine ronde vlekken (vlekken
groter op romp dan op benen)
• Gespikkeld ‘tickin’: witten zones niet zuiver maar met veel gekleurde vlekjes
3. Beharingsvormen
Vachttypes:
Stokhaar:
• Ondervacht: dichter en wolliger dan de bovenvacht
• Daaroverheen de dekvacht/bovenvacht: langer en steviger, maar tevens slecht buigbaar
Voorbeelden: duitse herder, siberische husky
Korthaar/gladhaar:
• Korte dekharen
• Nagenoeg geen ondervacht → soms tijdens de ruiperiode kale plekken.
Voorbeelden: boxer, sharpei, rodesian ridgeback.
Ruwhaar: ook draadhaar of stekelhaar genoemd
• Wollige ondervacht
• Boenvacht met harde dekharen: recht, gevolgd of warrig
Voorbeelden: schnauzer, teckel, ruwharige jack russel, airdale.