Begrippenlijst Ontwikkelingspsychologie
Deze lijst is een hulpmiddel om de cursus te begrijpen en te studeren. De gegeven lijst kan zelf aangevuld worden
Inleiding
Begrip Betekenis
Conceptie De bevruchting; moment waarop een zaadcel een eicel bevrucht.
Denkschema Een denkstrategie met typische kenmerken; een manier van denken volgens Piaget.
Ego-factor Bewuste zelfbepaling waarbij een persoon mee richting geeft aan zijn ontwikkeling.
Gevoelige periode Periode waarin bepaalde vaardigheden het gemakkelijkst aangeleerd worden.
Fixatie Vastzitten in een ontwikkelingsfase, vaak als afweermechanisme.
Morele ontwikkeling Proces waarin normen, waarden en geweten ontwikkeld worden.
Nature Genetische aanleg en erfelijke factoren.
Nurture Invloed van opvoeding en omgeving.
Ontwikkelingscrisis Overgang of knooppunt tussen fasen dat onrust kan geven.
Ontwikkelingsdomein Lichamelijke, cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling.
Leeftijdsfase Levensperiode met typische kenmerken en ontwikkelingen.
Ontwikkelingskenmerk Ontwikkeling verloopt in vaste volgorde maar eigen tempo.
Prenataal Voor de geboorte.
Perinataal Tijdens de geboorte.
Postnataal Na de geboorte.
Regressie Ontwikkeling in ongunstige zin; achteruitgang.
Retardatie Ontwikkelingsachterstand lichamelijk en/of cognitief.
Zelfbepaling Eigen keuze binnen biologische en sociale grenzen.
Baby
Begrip Betekenis
Affectief Gericht op emoties, gevoelens en affectie.
Archaïsche reflex Tijdelijke automatische reflex bij baby’s.
Babyblues Kortdurende huilbuien na bevalling door hormonale en emotionele factoren.
Bestendige reflex Reflex die levenslang aanwezig blijft.
, Denkkader Manier waarop kind werkelijkheid begrijpt.
Echografie Beeldvorming van foetus in baarmoeder.
Echolalie Nabootsen van klanken en klankpatronen.
Exploratie Onderzoeken en ontdekken van omgeving.
Foetus Ongeboren kind vanaf ongeveer 9e zwangerschapsweek.
Fontanel Zachte opening tussen schedelbeenderen.
Geboorteschreeuw Eerste schreeuw waarmee longen zich vullen.
Hechtingsrelatie Emotionele band die veiligheid en vertrouwen geeft.
Lateralisatie Voorkeur voor linker- of rechterzijde.
Neonatus Eerste acht levensweken.
Objectpermanentie Besef dat personen en objecten blijven bestaan.
Passief taalgebruik Taal begrijpen zonder actief spreken.
Pincetgreep Oppakken met duim en wijsvinger.
Sensomotorische fase Piagetfase waarin leren via zintuigen en beweging gebeurt.
Separatieangst Angst om gescheiden te worden van hechtingsfiguur.
Tastzin Waarnemen via huid en aanraking.
Temperament Aangeboren stijl van reageren.
Voortalige fase Communicatie zonder echte woorden.
Wederkerig Interacties met wederzijdse afstemming.
Intrinsieke motivatie Motivatie vanuit zichzelf.
Extrinsieke motivatie Motivatie vanuit externe factoren.
Peuter
Begrip Betekenis
Exploratiedrang Sterke drang om wereld te ontdekken.
Fysiologische rijpheid Voldoende lichamelijke rijping.
Ruimtebeleving Inzicht in plaats en afstand.
Tijdsbeleving Beginnend besef van tijdsvolgorde.
Lichaamsschema Innerlijk beeld van eigen lichaam.
Handelend denken Problemen oplossen via handelen.
Experimenteergedrag Uitproberen om te leren.
Symbolische activiteit Iets gebruiken als symbool voor iets anders.
Deze lijst is een hulpmiddel om de cursus te begrijpen en te studeren. De gegeven lijst kan zelf aangevuld worden
Inleiding
Begrip Betekenis
Conceptie De bevruchting; moment waarop een zaadcel een eicel bevrucht.
Denkschema Een denkstrategie met typische kenmerken; een manier van denken volgens Piaget.
Ego-factor Bewuste zelfbepaling waarbij een persoon mee richting geeft aan zijn ontwikkeling.
Gevoelige periode Periode waarin bepaalde vaardigheden het gemakkelijkst aangeleerd worden.
Fixatie Vastzitten in een ontwikkelingsfase, vaak als afweermechanisme.
Morele ontwikkeling Proces waarin normen, waarden en geweten ontwikkeld worden.
Nature Genetische aanleg en erfelijke factoren.
Nurture Invloed van opvoeding en omgeving.
Ontwikkelingscrisis Overgang of knooppunt tussen fasen dat onrust kan geven.
Ontwikkelingsdomein Lichamelijke, cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling.
Leeftijdsfase Levensperiode met typische kenmerken en ontwikkelingen.
Ontwikkelingskenmerk Ontwikkeling verloopt in vaste volgorde maar eigen tempo.
Prenataal Voor de geboorte.
Perinataal Tijdens de geboorte.
Postnataal Na de geboorte.
Regressie Ontwikkeling in ongunstige zin; achteruitgang.
Retardatie Ontwikkelingsachterstand lichamelijk en/of cognitief.
Zelfbepaling Eigen keuze binnen biologische en sociale grenzen.
Baby
Begrip Betekenis
Affectief Gericht op emoties, gevoelens en affectie.
Archaïsche reflex Tijdelijke automatische reflex bij baby’s.
Babyblues Kortdurende huilbuien na bevalling door hormonale en emotionele factoren.
Bestendige reflex Reflex die levenslang aanwezig blijft.
, Denkkader Manier waarop kind werkelijkheid begrijpt.
Echografie Beeldvorming van foetus in baarmoeder.
Echolalie Nabootsen van klanken en klankpatronen.
Exploratie Onderzoeken en ontdekken van omgeving.
Foetus Ongeboren kind vanaf ongeveer 9e zwangerschapsweek.
Fontanel Zachte opening tussen schedelbeenderen.
Geboorteschreeuw Eerste schreeuw waarmee longen zich vullen.
Hechtingsrelatie Emotionele band die veiligheid en vertrouwen geeft.
Lateralisatie Voorkeur voor linker- of rechterzijde.
Neonatus Eerste acht levensweken.
Objectpermanentie Besef dat personen en objecten blijven bestaan.
Passief taalgebruik Taal begrijpen zonder actief spreken.
Pincetgreep Oppakken met duim en wijsvinger.
Sensomotorische fase Piagetfase waarin leren via zintuigen en beweging gebeurt.
Separatieangst Angst om gescheiden te worden van hechtingsfiguur.
Tastzin Waarnemen via huid en aanraking.
Temperament Aangeboren stijl van reageren.
Voortalige fase Communicatie zonder echte woorden.
Wederkerig Interacties met wederzijdse afstemming.
Intrinsieke motivatie Motivatie vanuit zichzelf.
Extrinsieke motivatie Motivatie vanuit externe factoren.
Peuter
Begrip Betekenis
Exploratiedrang Sterke drang om wereld te ontdekken.
Fysiologische rijpheid Voldoende lichamelijke rijping.
Ruimtebeleving Inzicht in plaats en afstand.
Tijdsbeleving Beginnend besef van tijdsvolgorde.
Lichaamsschema Innerlijk beeld van eigen lichaam.
Handelend denken Problemen oplossen via handelen.
Experimenteergedrag Uitproberen om te leren.
Symbolische activiteit Iets gebruiken als symbool voor iets anders.