HOOFDSTUK 1: KENMERKEN VAN HET WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK IN DE
BEDRIJFSECONOMIE
1. WAT LEVERT WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK OP?
Pragmatische invalshoek
= ‘wat kan je ermee doen’
Manager en organisatie
- Belang van wetenschap voor manager:
o Oplossen van dagdagelijkse problemen wordt verrijkt met kennis
Bv. blijven klanten weg als je deur van winkel sluit om energie te
sparen?
o Oplossen van grote problemen wordt versterkt met kennis
Bv. extra varianten van producten fabriceren?
o Manager kan goed en slecht onderzoek scheiden (aanvaardbare kennis)
o Academische/onderzoekende houding
Manager is bewust van alternatieve verklaringen voor een bepaald
fenomeen en zijn intuïtieve verklaring
Manager is bewust van complexiteit van de verklaring
Bv. onvermoede interacties tussen causale factoren, niet elke
bevinding kan veralgemeend worden, doelgroep en
omgevingsfactoren zijn belangrijk
- Belang van wetenschap voor bedrijf/organisatie:
o Kostenbesparend
Verkeerde verklaring kan veel geld kosten (bv. Omgekeerde
causaliteit)
Probleemdetectie
o Opportuniteitdetectie
Vaststellen of verkoop beter gaat met bepaalde technieken
Economie en maatschappij
- Technologische vooruitgang
- Maatschappelijke vooruitgang
o Groeiend besef dat sociale menswetenschappen (inclusief
bedrijfseconomie) relevant zijn
Welvaart/welzijn verhogen
Technologieën aanvaardbaar maken
Gedragsverandering teweeg brengen
Wetenschapsfilosofische invalshoek
Wetenschappelijk onderzoek doorloopt 3 fasen:
1) Logisch empirisme en probabilistische confirmatie
2) Eliminatie en falsificatie
3) Descriptieve wetenschapsfilosofie
1
,Logisch empirisme en probabilistische confirmatie (op ervaring/waarneming
gebaseerd)
- Logisch empirisme (bv. Carnap)
o Proces van ontdekking en hypotheseformulering is niet logisch-
wetenschappelijk, enkel confirmatie is logisch-wetenschappelijk
o Iets wordt wetenschappelijk als het gesteund wordt door empirische
bevindingen
Deductief: theorie → evidentie → confirmeren
Theorie leidt tot voorspellingen; evidentie ondersteunt theorie
o Problemen:
Er kan altijd niet-consistente evidentie gevonden worden in de
toekomst
Irrelevante aspecten van theorie worden ook bevestigd door
evidentie
o Implicatie: confirmerende evidentie is nooit sluitend
- Probabilistische confirmatie
o Bayes: evidentie is niet conclusief, maar observaties bieden wel informatie
Als P(E)|H=1 > P(E)|H=0, dan confirmeert E H
E = evidentie, H = hypothese
Gebaseerd op confirmeren van hypothese, systematisch en precies
o Problemen:
De probabiliteiten van de theorieën en van de evidentie gegeven de
theorieën zijn niet bekend
Subjectieve prior probabilities (= opvattingen over waarheid van de
theorie) kunnen zo gebiased zijn dat er ‘te veel’ evidentie nodig is
vooraleer de juiste theorie het pleit wint
Wetenschappers redeneren niet in probabiliteit van theorieën
(behalve statistiek), maar vinden theorieën juist of fout
o Implicatie: het belang van evidentie mag niet gevoelig zijn voor
subjectieve bias
Eliminatie en falsificatie
- Eliminatie en falsificatie (K. Popper)
o Wetenschappers moeten niet confirmeren (evidentie voor), maar
verwerpen (evidentie tegen)
Bv. alle zwanen zijn wit → ga op zoek naar 1 niet-witte zwaan
o Falsificatie:
Rivaliserende hypotheses ontwikkelen (= alternatieve verklaringen)
Ontwikkel testen om ze tegen elkaar af te toetsen
Elimineer de hypoteses waar geen evidentie voor is
Hypothese die overblijft is de ware hypothese
! Popper: de winnaar is altijd voorlopig en tentatief
o ! als men een hypothese formuleert, moet ze verwerpbaar zijn
door evidentie (je kan niet zeggen ‘God bestaat niet’, want je kan het
niet verwerpen)
o Problemen:
Logisch: wat als ware hypothese niet bij de rivaliserende
hypotheses zit?
Praktisch: de overblijvende theorieën krijgen veel krediet (op de
theorie die overblijft wordt verder gebouwd)
2
, Filosofisch: tegenevidentie is ambigu (kan te wijten zijn aan foute
theorie, maar ook aan foute hulpassumpties, foute metingen, etc) →
heel veel buffer tegen verwerping, falsificatie is dus evenmin
conclusief
Bv. aarde draait rond de zon vs. alles draait rond de aarde
Descriptieve wetenschapsfilosofie (met elementen van voorgaande fases)
- Moderne opvattingen: filosofische patstelling → 2 mogelijke standpunten:
1. Doen alsof de theorieën waar genoeg zijn, theorieën kunnen nog steeds
verworpen worden bij vooruitgang
2. Nieuwe theorieën winnen aan aanhang niet omdat ze methodologisch
sterk zijn of op evidentie bouwen, maar omdat hun aanhangers
strategieën gebruiken (rationeel, retorisch, achterbaks) om hun zaak
vooruit te helpen (Feyerabend)
Met genoeg overtuigingskracht/geld/macht kan je theorieën
doordrukken
“Anything goes”
- Realisme
o Ultiem argument voor realisme is accuraatheid van voorspellingen
Bv. onobserveerbare variabelen: nut, zwaartekracht, intentie → we
weten niet exact wat het is maar kunnen wel accurate
voorspellingen maken
o Maar: vanuit filosofisch standpunt: agnostische positie (we moeten
toegeven dat we niet goed weten hoe het exact werkt)
Want: nieuwe theorieën maken oude onobserveerbare variabelen
vaak irrelevant → we weten vooraf niet welke variabelen irrelevant
zullen zijn
Doen alsof: as-if models (werkende theorieën zijn niet perse waar,
maar volgens realisten goede benaderingen)
Wetenschappelijke verandering: afwisseling tussen revoluties en periodes van
‘normale wetenschap’
- Normale wetenschap: consensus over methode/assumpties (= paradigma)
o Produceert anomalieën (= dingen die niet juist lijken) die hulpassumpties
nodig hebben
o Lacunes (= leegtes, onvolledigheid) stapelen zich op → inspireert ontstaan
van nieuwe opvattingen
- Revoluties: clash tussen 2 rivaliserende paradigma’s waarbij nieuwe paradigma
‘wint’
o Kan fouten uit vorige paradigma kan verklaren, maar is deels een
historisch fenomeen (biedt niet noodzakelijk vooruitgang)
- Communicatie tussen fases is moeilijk want conceptueel kader is drastisch
verschillend
o “Incommensurabel” → je verstaat ander kader niet
o Dit probleem ook van toepassing bij communicatie tussen disciplines
Wetenschap als socio-historisch fenomeen
- Wetenschap = collectief gereguleerde activiteit die ons dichter brengt bij
werkende theorieën
- Wat men onderzoekt wordt sterk bepaald door interesses en waarden van
wetenschappers (en bij uitbreiding het collectief waarin zij gewaardeerd worden)
3
, o Sluit daarom groepen, en hun perspectieven, uit (bv. wat traditionele
volkeren relevant vinden, relatief minder aandacht voor wat vrouwen
relevant vinden)
- Samenleving bepaalt de waarden en richting waarin wetenschap evolueert →
theorieën zijn daarom niet fout, maar stand van kennis is gebiased
2. DRIE NIVEAUS VAN ONDERZOEK
Niveau 1: fundamenteel onderzoek
- Basis of puur onderzoek: “blue sky research”
- Onderzoek wordt niet gestuurd door concrete vraag in maatschappij, maar door
interesse van de wetenschapper (geen directe toepassing op dagdagelijkse
realiteit)
- Doel:
o Ontwikkeling van kennis in een theoretisch paradigma
o Veralgemenen van bevindingen
o Onderzoekers beantwoorden de vragen waarom, wat en hoe
o Commerciële en maatschappelijke objectieven zijn niet het directe doel
o Kan wel leiden tot (radicale) innovaties en oplossingen voor praktische
problemen
Niveau 2: toegepast onderzoek
- “Strategisch basis onderzoek”
- Lost specifieke problemen op, directe applicaties in de wereld
o Bv. Overbevolking, afval, verkeer, etc
o Bv. Hoe studeert een student het beste? → vgl hoe leren mensen
- Zijn wel algemeen geldig, maar binnen een bepaald subdomein (context)
Niveau 3: in opdracht (marktonderzoek, consultancy)
Maar: driedelige indeling niet universeel: vaak tweedelig
- Fundamenteel-toegepast versie 1:
o Toepassing bij onderscheiding van disciplines
o Fundamenteel: algemene regelmatigheden met breed potentieel
Moederdiscipline: economie, psychologie, wiskunde, …
o Toegepast: geïnspireerd door bepaald relevant probleem
Toepassing moederdiscipline: marketing, verzekeringen, …
- Fundamenteel-toegepast versie 2:
o Toepassing in maatschappelijke context
4