H17: VERTICALE DIMENSIE, SLIJTAGE EN TANDVERLIES (KVL)
Boodschap van algemeen nut: basisregels hygiëne
a. Handschoenen zijn per definitie VUIL
b. Gebruik de extra orale pincet voor kleine zaken die je niet kan aanraken zonder al de rest
aan te raken (rechte pincet)
o Bv iets uit de composiet doos nemen
c. Handschoenen enkel voor handelingen in de mond
o Alle andere handelingen ZONDER handschoenen
d. Elke keer bij binnen en buitengaan handen ontsmetten met alcoholgel
1. INLEIDING
Occlusale – De afstand gemeten tussen 2 arbitraire punten: één in BK en één in de OK waarbij de tanden in maximale occlusie staan.
verticale – Wanneer moeten we de OVD vergroten of verkleinen en waarom?
dimensie ➢ Vaak is het zo dat we afwezige elementen willen vervangen om vorm, functie en esthetiek te herstellen.
(OVD) ➢ Als alternatief om wijziging OVD uit voeren het gebruik opbeetplaat → verhoging VDO bij ATM-klachten.
– (VDO) = VDR - 2 à 3 mm
Verticale – De afstand gemeten tussen arbitraire 2 punten: één in BK en één in OK waarbij OK is rust is.
dimensie in – Referentie als er een nieuwe beethoogte bepaald moet worden (nieuwe OVD) bij bv VP.
rust (VDR) – Wordt vastgelegd adhv een aantal referentiepunten op het gezicht.
– De patiënt bevindt zich in een relaxed positie waarbij de spiertonus optimaal is om een goede rustpositie te vinden.
– Een goede en reproduceerbare rustpositie vinden is moeilijk. Je kan dit oplossen door: (pt rechtop zetten!)
➢ Met de fonetiek te spelen (laat de patiënt Mississippi of M, S zeggen + dan ontspannen van de kaak) (PHONETIC)
➢ De patiënt krijgt de opdracht voor zich uit te kijken, de mond te sluiten en de tanden te laten klapperen, gevolgd
door het ontspannen van de kaak (COMMAND).
➢ Slikken of aflikken van de lippen en dan ontspannen (SWALLOW).
Freeway – =interocclusale rest space (IORS) = interocclusale afstand
space – Het verschil tussen beiden: VDR – VDO= IORS)
– Hypothese: de spieren zijn ontspannen, spietonus is in evenwicht
(IORS)
➢ IORS hangt af van de spiertonus in rust en dus van de relaxatie
➢ Reproduceerbaarheid IORS bepalen is niet eenvoudig
➢ Eerder een 3 dimensionele positie die kan variëren in de tijd
– Vroeger gedacht altijd 3mm, nu: gemiddeld 3mm: met variatie van 1 tot 9mm
GELAATSHOOGTE EN GELAATSPROPORTIES
• Gelaatsproporties: meestal gelijke 1/3- verdeling
− Gelaatshoogte schatten we in op basis van de klinische rustpositie (VDR). Bij sluiten
(anden op elkaar in MO) is er een verminderde afstand tussen de OK en BK
➢ Heeft weinig visuele impact op de gelaatshoogte
− Beoordelen adhv verticale en horizontale referentielijnen.
− Referentiepunten (horizontale zones):
1. Trichion tot glabella.
2. Glabella tot subnasale punt.
3. Subnasale punt tot kinpunt.
− Wijziging van lengte van tanden of bothoogte KAN wijziging in VDO met zich
meebrengen
− Jongeren: kleiner middelste en onderste gelaatsderde
,REFERENTIEVLAKKEN (weinig aandacht aan besteed in de les)
• Gelaat via het frontale vlak:
➢ Interpupillaire lijn
➢ Transversale horizontale lijn door uitwendige gehoorgang
➢ Intercommissurale lijn: door de mondhoeken
➢ Upper incisor edge line of anterior occlusal plane (incisale lijn CST)
− Ook is de curve van Wilson of mediolaterale curve in dit vlak belangrijk: deze wordt
gevormd door imaginaire lijn die iedere buccale en linguale knobbel van gelijkaardige tanden
aan weerszijde van de OK doorloopt. Hoe meer de tanden posterieur geïnclineerd staan, des
te meer de curve gebogen is.
• Gelaat via het sagittale vlak:
➢ Vlak van Camper: door subnasale punt en meatus acusticus
externus. Het maakt hoek 12° met Frankfurter vlak en hoek 30° met
condylusbaanhelling.
➢ Frankfurter vlak: door uitwendige gehoorgang tot linker infraorbitale
punt. Dit punt blijkt minder onderhevig te zijn aan intra individuele
verschillen dan het rechter infraorbitale punt. Bij de rechtlopende of
rechtzittende mens loopt dat Frankfurter vlak ongeveer horizontaal
en maakt een hoek van 42° met de condylusbaanhelling.
➢ Occlusaal vlak: denkbeeldig vlak dat ventraal uitgaat van het incisief
punt van BK en dorsaal evenwijdig loopt met het vlak van Camper.
− In dit vlak zien we ook de curve van Spee of de
anteroposterieure curve. Anatomische curve die wordt
gedicteerd door de tanden startend met de knobbeltop van de
oHT en dan de buccale knobbeltop volgend van PM en M om
nadien verder te lopen via de voorrand van ramus mandibularis
en te eindigen met de meest anterior positie van de condylus.
MAXIM ALE INT ERCUSPIDATIE OF MAXIMALE OCCLUSIE
• Maximale intercuspidatie of maximale occlusie (MI) (richtlijnen)
− Palatale cuspide van BK maken contact met midden van de PM en M van de OK.
− Buccale cuspide van de OK maken contact met het midden van de PM en M van de BK.
− De contacten kunnen zich ter hoogte van de fossa of ter hoogte van de marginale kam bevinden. Niet als je en vulling legt ofc.
− De MI ligt over het algemeen 1-1,5 mm anterieur van de CR.
• Semantiek:
− Verticale overlap: overbite.
− Horizontale overlap: overjet.
− Negatieve horizontale overlap: omgekeerde anterieure overbeet.
− Diepe beet: toegenomen verticale overlap
➢ Normaal: cingulum BST als zeteltje voor OST
➢ Indien niet zo: diepe beet → vanaf 3mm
− Edge-to-edge: snijranden raken elkaar.
− Pseudo klasse III: initieel wordt er edge-to-edge contact gemaakt, maar nadien glijden tanden in omgekeerde anterieure overbeet.
, • Verandering VDO:
− Vermindering of verlies = beetverlaging
➢ Bij tandslijtage of tandverlies
➢ Bij ouderdom: vermindering van VDO
− Toename: beetverhoging
➢ Enkel spontaan bij bepaald groeipatroon
• Autorotatie mandibula:
– Rotatie van OK rond de horizontale as doorheen beide TMJ.
– Autorotatie: wil zeggen vindt plaats zonder externe kracht.
– Bij mondopening geeft dit een klasse II relatie als je uit klasse I komt.
– Bij sluiting meer een (pseudo) klasse III. Dus een relatieve anterieure relatie tov BK.
– Indien 2-8 mm verandering in OVD: resulteert anterieur in wijziging van 1-2 mm.
– Indien 8-14 mm verandering in OVD: resulteert in wijziging van 3-4 mm. Dit zal je klinisch zien, niet enkel op basis van de
esthetiek, maar ook hoe de tanden op elkaar staan (de geleiding van de tanden is verstoord).
2. VERMINDERING VDO / VERLIES VERTICALE DIMENSIE
2.1 VOLLEDIG EDENTAAT
• Pocket dentistry:
– Er zijn geen tanden meer die de OK tegenhouden of stabiliseren
– Geeft een oud uiterlijk → ook op jonge leeftijd!
– OK draait door in anterieure rotatie
➢ Neiging tot klasse III = pseudo-klasse III
• Gevolgen:
– Ingevallen gezicht = kortere onderste gelaatshelft
– Verdiepte plicca nasolabialis en labiale plooien → plooien in huid
– Cheilitis angularis: ontsteking mondhoeken: plooi waarin speeksel blijft zitten → groei bacteriën en schimmels
– Ingevallen profiel en lippen: geen tand op lip ondersteuning
– Verminderde hoogte van het onderste derde van het gezicht → verkorte gelaatsuitdrukking
– Bij ernstig verlies: auto-rotatie van de mandibula
2.2 DENTAAT MET SLIJTAGE
• Tandslijtage:
– Komt voor op plaats waar tanden elkaar raken
➢ Vroeger: 30 µm/jaar = gemiddelde fysiologische slijtage
– Studie adolescenten 11-17 jaar → 90 µm per jaar gemiddeld (uitschieters van 560 µm)
– Slijtfacetten bekijken + klinische tekenen van chemische of mechanisch factoren
• Oorzaken van slijtage:
– Vroeger:
➢ Attritie: afslijten door kauwen: tand-tand contact
➢ Abrasie: afslijten door een vreemd voorwerp: bv tandenborstel
➢ Abfractie: cervicale krachtinwerking tgv bijtkrachten
➢ Erosie: inwerking zuren
➢ Vaak mengvorm
, – Nu: mechanisch of chemische oorzaak → vaak mengvormen = multifactorieel!
– Oorzaak achterhalen obv vragenlijst: (kennen voor behandelplanning!)
➢ Cupping: dentine is meer versleten dan glazuur
• Vaak combi van chemische en mechanische impact → typisch zwakke zuren
• Bij sterke zuren zou de slijtage gelijkmatig over de tanden zijn
➢ Erosie is een ziekte gekenmerkt door de afwezigheid van een plaquelaag of tandsteen!
• Overgevoeligheid = actieve erosie
➢ Tong, wang- en lipimpressies typisch bij bruxisten
➢ Tori manidbulari wijzen op hoge krachten → vaak parafuncties
➢ Glanzend glazuur → microstructuur verloren → zuur over geweest = chemische slijtage
• Kwantitatieve beoordeling: TWES 2.0 = Tooth Wear Status
Kunnen invullen obv foto’s op het examen!
, Score Diepte / Lokalisatie Klinisch kenmerk
0 Geen slijtage Intact glazuur
1 Enkel in glazuur Oppervlakkige slijtage
2 Tot dentine (beperkt) Dentine zichtbaar, geen groot verlies
3 Tot midden derde kroon Duidelijk weefselverlies
4 Tot onderste derde kroon/ pulpa nabij Ernstig weefselverlies en/ of doorschemeren pulpa
- Actief of niet actief:
o Moeilijk te bepalen → momentopname
o IOS nemen en vergelijken
o Actieve erosie: pijn, geen plaque, verkleuringen en tandsteen
- Veralgemeend of niet
o 1-2 sextanten: gelokaliseerd
o 3-6 sextanten: gegeneraliseerd
- Fysiologisch of pathologisch:
Criteria Beschrijving
Basisvoorwaarde Tandslijtage met dentineblootstelling (matig, ernstig of extreem),
Onafhankelijk van distributie (gelokaliseerd of gegeneraliseerd)
EN minstens één van volgende criteria:
Pijn/ gevoeligheid Gevoeligheid en/of pijn aanwezig
Functionele problemen Moeite met kauwen of eten
Esthetische achteruitgang Verminderde dentale esthetiek
Snelle progressie Snelle evolutie van slijtage na periode van monitoring
Leeftijdsgebonden Slijtage niet passend bij leeftijd patiënt
afwijking
Structureel falen Afbrokkelen van tanden/restauraties → integriteit bedreigd
Niet beïnvloedbare Oorzakelijke factoren niet controleerbaar
etiologie
Occlusale impact Verlies van verticale dimensie (VDO)
Speeksel Verstoorde speekselconditie
Fonetiek Spraakstoornissen
o Belangrijkste factor: LEEFTIJD VAN DE PATIENT!
o Ouder dan >70j: op individuele basis beslissen
o Preventie: proberen wegnemen oorzaak (causaal) → goede diagnostiek nodig
o Indien ‘eventueel restauratieve behandeling’:
▪ Afhankelijk van de individuele situatie en vraag van de patiënt
- Voorbeeld case: (voorbeelden in slides)
o Slijtage vnl th bovenfronttanden
▪ Dentine voorbij, nog geen doorschemering pulpa → TWES 3 → resto behandeling nodig
o Buccaal en palatinaal 0 invullen
o Invullen vragenlijst: mechanisch VS chemisch (eindpunt 3-3)
▪ Molaren meer aangetast dan het bovenfront
▪ Wel veel plaque
▪ Conclusie: meer mechanisch of combi
o Geen verlies VDO!
▪ Molaren zijn nog aanwezig, zonder slijtage →posterieure steun blijft behouden
o Geen autorotatie mandibula
, • Is er een effect van een verlies aan OVD op de skeletale aspecten van het gelaat?
Compensatoir – Tanderuptie of segmentale eruptie (van een groep tanden/van botweefsel)
erupteren – De bestaande beethoogte (VDO) kan behouden blijven adhv een compensatoir mechanisme van eruptie.
– Verlies van OVD door tandverlies, attritie of cariës heeft een effect op het skeletale aspect van het gelaat. Anatomisch
zullen er wijzigingen optreden. → Alveolaire kam wordt groter
– Niet per se ook faciale impact. De faciale hoogte reflecteert niet de mate van verlies aan OVD.
– Tanden blijven erupteren, genoeg posterieure steun geeft geen verlies van VDO
2.3 PARTIEEL DENTAAT MET TANDVERLIES
- Alle tanden ondersteunen de beet maar de (pre)molaren zijn het meest ondersteunend omwille van hun occlusaal oppervlak
- Verlies van posterieure tanden leidt vaak tot verlies van posterieure steun → verlies VDO door autorotatie mandibula
• Verlies van posterieure steun
− Waarom: tanden die men het makkelijkste verliest
➢ Moeilijker te reinigen, moeilijker te behandelen paro-problemen, meerdere wortels
➢ Financieel gezien: niet-zichtbare tanden: eerder laten trekken zonder vervanging
− Gevolgen:
o Minder contactpunten
o Autorotatie mandibula
o Overclosure → (pseudo)-klasse III en diepe beet
▪ Fronttanden: niet gemaakt voor grote krachten
▪ Slijten en migreren snel → flairen van tanden → OK meer naar
voor → pseudo klasse III
▪ (Velen tanden maken licht werk)
o Gecollabeerde beet
o Edge to edge: snel veel tandslijtage krijgen
o Uitwaaieren tanden (plots diastemen): ineens diepe beet
▪ Niet zomaar diastemen sluiten zonder vervangen posterieure steun!
- VDO is extern: kan je enkel zien door analyse gelaat, niet in de mond zelf
Boodschap van algemeen nut: basisregels hygiëne
a. Handschoenen zijn per definitie VUIL
b. Gebruik de extra orale pincet voor kleine zaken die je niet kan aanraken zonder al de rest
aan te raken (rechte pincet)
o Bv iets uit de composiet doos nemen
c. Handschoenen enkel voor handelingen in de mond
o Alle andere handelingen ZONDER handschoenen
d. Elke keer bij binnen en buitengaan handen ontsmetten met alcoholgel
1. INLEIDING
Occlusale – De afstand gemeten tussen 2 arbitraire punten: één in BK en één in de OK waarbij de tanden in maximale occlusie staan.
verticale – Wanneer moeten we de OVD vergroten of verkleinen en waarom?
dimensie ➢ Vaak is het zo dat we afwezige elementen willen vervangen om vorm, functie en esthetiek te herstellen.
(OVD) ➢ Als alternatief om wijziging OVD uit voeren het gebruik opbeetplaat → verhoging VDO bij ATM-klachten.
– (VDO) = VDR - 2 à 3 mm
Verticale – De afstand gemeten tussen arbitraire 2 punten: één in BK en één in OK waarbij OK is rust is.
dimensie in – Referentie als er een nieuwe beethoogte bepaald moet worden (nieuwe OVD) bij bv VP.
rust (VDR) – Wordt vastgelegd adhv een aantal referentiepunten op het gezicht.
– De patiënt bevindt zich in een relaxed positie waarbij de spiertonus optimaal is om een goede rustpositie te vinden.
– Een goede en reproduceerbare rustpositie vinden is moeilijk. Je kan dit oplossen door: (pt rechtop zetten!)
➢ Met de fonetiek te spelen (laat de patiënt Mississippi of M, S zeggen + dan ontspannen van de kaak) (PHONETIC)
➢ De patiënt krijgt de opdracht voor zich uit te kijken, de mond te sluiten en de tanden te laten klapperen, gevolgd
door het ontspannen van de kaak (COMMAND).
➢ Slikken of aflikken van de lippen en dan ontspannen (SWALLOW).
Freeway – =interocclusale rest space (IORS) = interocclusale afstand
space – Het verschil tussen beiden: VDR – VDO= IORS)
– Hypothese: de spieren zijn ontspannen, spietonus is in evenwicht
(IORS)
➢ IORS hangt af van de spiertonus in rust en dus van de relaxatie
➢ Reproduceerbaarheid IORS bepalen is niet eenvoudig
➢ Eerder een 3 dimensionele positie die kan variëren in de tijd
– Vroeger gedacht altijd 3mm, nu: gemiddeld 3mm: met variatie van 1 tot 9mm
GELAATSHOOGTE EN GELAATSPROPORTIES
• Gelaatsproporties: meestal gelijke 1/3- verdeling
− Gelaatshoogte schatten we in op basis van de klinische rustpositie (VDR). Bij sluiten
(anden op elkaar in MO) is er een verminderde afstand tussen de OK en BK
➢ Heeft weinig visuele impact op de gelaatshoogte
− Beoordelen adhv verticale en horizontale referentielijnen.
− Referentiepunten (horizontale zones):
1. Trichion tot glabella.
2. Glabella tot subnasale punt.
3. Subnasale punt tot kinpunt.
− Wijziging van lengte van tanden of bothoogte KAN wijziging in VDO met zich
meebrengen
− Jongeren: kleiner middelste en onderste gelaatsderde
,REFERENTIEVLAKKEN (weinig aandacht aan besteed in de les)
• Gelaat via het frontale vlak:
➢ Interpupillaire lijn
➢ Transversale horizontale lijn door uitwendige gehoorgang
➢ Intercommissurale lijn: door de mondhoeken
➢ Upper incisor edge line of anterior occlusal plane (incisale lijn CST)
− Ook is de curve van Wilson of mediolaterale curve in dit vlak belangrijk: deze wordt
gevormd door imaginaire lijn die iedere buccale en linguale knobbel van gelijkaardige tanden
aan weerszijde van de OK doorloopt. Hoe meer de tanden posterieur geïnclineerd staan, des
te meer de curve gebogen is.
• Gelaat via het sagittale vlak:
➢ Vlak van Camper: door subnasale punt en meatus acusticus
externus. Het maakt hoek 12° met Frankfurter vlak en hoek 30° met
condylusbaanhelling.
➢ Frankfurter vlak: door uitwendige gehoorgang tot linker infraorbitale
punt. Dit punt blijkt minder onderhevig te zijn aan intra individuele
verschillen dan het rechter infraorbitale punt. Bij de rechtlopende of
rechtzittende mens loopt dat Frankfurter vlak ongeveer horizontaal
en maakt een hoek van 42° met de condylusbaanhelling.
➢ Occlusaal vlak: denkbeeldig vlak dat ventraal uitgaat van het incisief
punt van BK en dorsaal evenwijdig loopt met het vlak van Camper.
− In dit vlak zien we ook de curve van Spee of de
anteroposterieure curve. Anatomische curve die wordt
gedicteerd door de tanden startend met de knobbeltop van de
oHT en dan de buccale knobbeltop volgend van PM en M om
nadien verder te lopen via de voorrand van ramus mandibularis
en te eindigen met de meest anterior positie van de condylus.
MAXIM ALE INT ERCUSPIDATIE OF MAXIMALE OCCLUSIE
• Maximale intercuspidatie of maximale occlusie (MI) (richtlijnen)
− Palatale cuspide van BK maken contact met midden van de PM en M van de OK.
− Buccale cuspide van de OK maken contact met het midden van de PM en M van de BK.
− De contacten kunnen zich ter hoogte van de fossa of ter hoogte van de marginale kam bevinden. Niet als je en vulling legt ofc.
− De MI ligt over het algemeen 1-1,5 mm anterieur van de CR.
• Semantiek:
− Verticale overlap: overbite.
− Horizontale overlap: overjet.
− Negatieve horizontale overlap: omgekeerde anterieure overbeet.
− Diepe beet: toegenomen verticale overlap
➢ Normaal: cingulum BST als zeteltje voor OST
➢ Indien niet zo: diepe beet → vanaf 3mm
− Edge-to-edge: snijranden raken elkaar.
− Pseudo klasse III: initieel wordt er edge-to-edge contact gemaakt, maar nadien glijden tanden in omgekeerde anterieure overbeet.
, • Verandering VDO:
− Vermindering of verlies = beetverlaging
➢ Bij tandslijtage of tandverlies
➢ Bij ouderdom: vermindering van VDO
− Toename: beetverhoging
➢ Enkel spontaan bij bepaald groeipatroon
• Autorotatie mandibula:
– Rotatie van OK rond de horizontale as doorheen beide TMJ.
– Autorotatie: wil zeggen vindt plaats zonder externe kracht.
– Bij mondopening geeft dit een klasse II relatie als je uit klasse I komt.
– Bij sluiting meer een (pseudo) klasse III. Dus een relatieve anterieure relatie tov BK.
– Indien 2-8 mm verandering in OVD: resulteert anterieur in wijziging van 1-2 mm.
– Indien 8-14 mm verandering in OVD: resulteert in wijziging van 3-4 mm. Dit zal je klinisch zien, niet enkel op basis van de
esthetiek, maar ook hoe de tanden op elkaar staan (de geleiding van de tanden is verstoord).
2. VERMINDERING VDO / VERLIES VERTICALE DIMENSIE
2.1 VOLLEDIG EDENTAAT
• Pocket dentistry:
– Er zijn geen tanden meer die de OK tegenhouden of stabiliseren
– Geeft een oud uiterlijk → ook op jonge leeftijd!
– OK draait door in anterieure rotatie
➢ Neiging tot klasse III = pseudo-klasse III
• Gevolgen:
– Ingevallen gezicht = kortere onderste gelaatshelft
– Verdiepte plicca nasolabialis en labiale plooien → plooien in huid
– Cheilitis angularis: ontsteking mondhoeken: plooi waarin speeksel blijft zitten → groei bacteriën en schimmels
– Ingevallen profiel en lippen: geen tand op lip ondersteuning
– Verminderde hoogte van het onderste derde van het gezicht → verkorte gelaatsuitdrukking
– Bij ernstig verlies: auto-rotatie van de mandibula
2.2 DENTAAT MET SLIJTAGE
• Tandslijtage:
– Komt voor op plaats waar tanden elkaar raken
➢ Vroeger: 30 µm/jaar = gemiddelde fysiologische slijtage
– Studie adolescenten 11-17 jaar → 90 µm per jaar gemiddeld (uitschieters van 560 µm)
– Slijtfacetten bekijken + klinische tekenen van chemische of mechanisch factoren
• Oorzaken van slijtage:
– Vroeger:
➢ Attritie: afslijten door kauwen: tand-tand contact
➢ Abrasie: afslijten door een vreemd voorwerp: bv tandenborstel
➢ Abfractie: cervicale krachtinwerking tgv bijtkrachten
➢ Erosie: inwerking zuren
➢ Vaak mengvorm
, – Nu: mechanisch of chemische oorzaak → vaak mengvormen = multifactorieel!
– Oorzaak achterhalen obv vragenlijst: (kennen voor behandelplanning!)
➢ Cupping: dentine is meer versleten dan glazuur
• Vaak combi van chemische en mechanische impact → typisch zwakke zuren
• Bij sterke zuren zou de slijtage gelijkmatig over de tanden zijn
➢ Erosie is een ziekte gekenmerkt door de afwezigheid van een plaquelaag of tandsteen!
• Overgevoeligheid = actieve erosie
➢ Tong, wang- en lipimpressies typisch bij bruxisten
➢ Tori manidbulari wijzen op hoge krachten → vaak parafuncties
➢ Glanzend glazuur → microstructuur verloren → zuur over geweest = chemische slijtage
• Kwantitatieve beoordeling: TWES 2.0 = Tooth Wear Status
Kunnen invullen obv foto’s op het examen!
, Score Diepte / Lokalisatie Klinisch kenmerk
0 Geen slijtage Intact glazuur
1 Enkel in glazuur Oppervlakkige slijtage
2 Tot dentine (beperkt) Dentine zichtbaar, geen groot verlies
3 Tot midden derde kroon Duidelijk weefselverlies
4 Tot onderste derde kroon/ pulpa nabij Ernstig weefselverlies en/ of doorschemeren pulpa
- Actief of niet actief:
o Moeilijk te bepalen → momentopname
o IOS nemen en vergelijken
o Actieve erosie: pijn, geen plaque, verkleuringen en tandsteen
- Veralgemeend of niet
o 1-2 sextanten: gelokaliseerd
o 3-6 sextanten: gegeneraliseerd
- Fysiologisch of pathologisch:
Criteria Beschrijving
Basisvoorwaarde Tandslijtage met dentineblootstelling (matig, ernstig of extreem),
Onafhankelijk van distributie (gelokaliseerd of gegeneraliseerd)
EN minstens één van volgende criteria:
Pijn/ gevoeligheid Gevoeligheid en/of pijn aanwezig
Functionele problemen Moeite met kauwen of eten
Esthetische achteruitgang Verminderde dentale esthetiek
Snelle progressie Snelle evolutie van slijtage na periode van monitoring
Leeftijdsgebonden Slijtage niet passend bij leeftijd patiënt
afwijking
Structureel falen Afbrokkelen van tanden/restauraties → integriteit bedreigd
Niet beïnvloedbare Oorzakelijke factoren niet controleerbaar
etiologie
Occlusale impact Verlies van verticale dimensie (VDO)
Speeksel Verstoorde speekselconditie
Fonetiek Spraakstoornissen
o Belangrijkste factor: LEEFTIJD VAN DE PATIENT!
o Ouder dan >70j: op individuele basis beslissen
o Preventie: proberen wegnemen oorzaak (causaal) → goede diagnostiek nodig
o Indien ‘eventueel restauratieve behandeling’:
▪ Afhankelijk van de individuele situatie en vraag van de patiënt
- Voorbeeld case: (voorbeelden in slides)
o Slijtage vnl th bovenfronttanden
▪ Dentine voorbij, nog geen doorschemering pulpa → TWES 3 → resto behandeling nodig
o Buccaal en palatinaal 0 invullen
o Invullen vragenlijst: mechanisch VS chemisch (eindpunt 3-3)
▪ Molaren meer aangetast dan het bovenfront
▪ Wel veel plaque
▪ Conclusie: meer mechanisch of combi
o Geen verlies VDO!
▪ Molaren zijn nog aanwezig, zonder slijtage →posterieure steun blijft behouden
o Geen autorotatie mandibula
, • Is er een effect van een verlies aan OVD op de skeletale aspecten van het gelaat?
Compensatoir – Tanderuptie of segmentale eruptie (van een groep tanden/van botweefsel)
erupteren – De bestaande beethoogte (VDO) kan behouden blijven adhv een compensatoir mechanisme van eruptie.
– Verlies van OVD door tandverlies, attritie of cariës heeft een effect op het skeletale aspect van het gelaat. Anatomisch
zullen er wijzigingen optreden. → Alveolaire kam wordt groter
– Niet per se ook faciale impact. De faciale hoogte reflecteert niet de mate van verlies aan OVD.
– Tanden blijven erupteren, genoeg posterieure steun geeft geen verlies van VDO
2.3 PARTIEEL DENTAAT MET TANDVERLIES
- Alle tanden ondersteunen de beet maar de (pre)molaren zijn het meest ondersteunend omwille van hun occlusaal oppervlak
- Verlies van posterieure tanden leidt vaak tot verlies van posterieure steun → verlies VDO door autorotatie mandibula
• Verlies van posterieure steun
− Waarom: tanden die men het makkelijkste verliest
➢ Moeilijker te reinigen, moeilijker te behandelen paro-problemen, meerdere wortels
➢ Financieel gezien: niet-zichtbare tanden: eerder laten trekken zonder vervanging
− Gevolgen:
o Minder contactpunten
o Autorotatie mandibula
o Overclosure → (pseudo)-klasse III en diepe beet
▪ Fronttanden: niet gemaakt voor grote krachten
▪ Slijten en migreren snel → flairen van tanden → OK meer naar
voor → pseudo klasse III
▪ (Velen tanden maken licht werk)
o Gecollabeerde beet
o Edge to edge: snel veel tandslijtage krijgen
o Uitwaaieren tanden (plots diastemen): ineens diepe beet
▪ Niet zomaar diastemen sluiten zonder vervangen posterieure steun!
- VDO is extern: kan je enkel zien door analyse gelaat, niet in de mond zelf