Hoofdstuk 1: geschiedenis armoedebeheersing en
ontstaan sociaal werk
1. Armoede is geen toeval
Afhankelijk van:
Economisch systeem: bepaalt hoe welvaart geproduceerd en verdeeld
wordt. Alle bedrijven in het land die producten produceren en dat levert
geld op (BNP).
Politieke organisatie: wie de macht heeft, bepaalt de spelregels. De
ideologie die heersten in de samenleving bepaalt wat er met het geld moet
gebeuren.
Morele en religieuze opvattingen: beïnvloeden hoe de samenleving
naar armoede kijkt als een individueel falen of er zijn altijd mensen die
iets kwetsbaarder zijn en daar moet de samenleving voor zorgen.
Armoedebestrijding zegt veel over hoe een samenleving werkt en welke
achterliggende waarden de samenleving aansturen.
Hedendaags voorbeeld: Afghanistan Kapitalistisch, Taliban,
slavernij/Scharinka.
2. Vroege middeleeuwen (500 – 1000)
2.1 Scharnierpunt Middeleeuwen
Einde West-Romeinse Rijk luidt een nieuw tijdperk in.
Feodale, autarkische samenleving in Europa.
o Autarkisch:
zelfvoorzienend, enkel
dingen produceren om
zelf van te leven. Men
deed wel aan ruil, maar
dingen produceren en
dan verkopen was niet
aan de orde.
Machtige koninkrijken.
We spreken van een
absolutisme: er is een
absolute heerser, een
koning. Er was geen sprake
van wetten die je zouden beschermen als burger, alles gebeurde arbitrair.
2.2 Context
Agrarische, zelfvoorzienende samenleving.
Standensamenleving.
Beperkte sociale mobiliteit.
Armoede = normaal levensgegeven.
Pagina 1 van 58
,Feodaliteit: leenstelsel. We noemen het ook een standensamenleving: de stand
waarin je geboren werd, was ook jou stand, je geraakt hier nooit meer uit.
Uitleg stelsel:
Je hebt de vorst die alles voor het zeggen heeft, dan de kroonvazallen
(adelijken, geestelijken) zijn vaak rijk met grote stukken grond. De
kroonvazallen leenden hun grond aan de vazallen. De vazallen gingen een
stuk grond uitlenen aan de achtervazallen en de achter-achtervazallen.
De boeren (achter-achtervazallen) hingen vast aan het stuk grond. Als je een
stuk grond leenden, dan had je ineens boeren die alles voor je deden. Zij
konden hier niet uitgeraken.
Als je iets uitleende, dan wou je iets in de plaats. Men wou militaire
dienstplicht (we wouden dat de achtervazallen zouden inspringen in tijden van
oorlog), maar ook trouw en gedienstigheid (de achtervazal moest uitvoeren
wat de grondheerser wou).
2.3 Economie
Het feodale leenstelsel:
Land = macht en rijkdom.
Geen vrije markt, maar wederzijdse verplichtingen.
Gebaseerd op:
o Loyaliteit.
o Persoonlijke relaties.
o Dienstplicht.
Economische basis:
Overwegend agrarisch.
Nauwelijks geldcirculatie.
Ruil, diensten en natura-betalingen.
Geen streven naar rijkdom zoals vandaag.
2.4 Samenleving
Structuur van het feodalisme:
Koning.
Hertogen en graven.
Riders / lagere adek.
Boeren en horigen.
Boeren dragen bij aan het systeem via arbeid en opbrengst.
2.5 Armoede
Religieuze interpretatie van armoede.
Armen = deel van Gods orde.
o Hadden religieuze functie het lot van armen lieten mensen niet koud.
Onder het mom van religie konden mensen hun plek verdienen door
arme mensen eten te geven, hun onderdak te geven,….
Rijken kunnen zielenheil verdienen via liefdadigheid.
Pagina 2 van 58
,Wie zorgde voor de armen?
Kerken en kloosters.
Lokale gemeenschappen.
Adellijke beschermheren.
Hulp?
Lokaal, persoonlijk, ongeorganiseerd en geen structureel beleid.
2.5.1 Concilie van Tours (567)
Eerste expliciete richtlijnen voor armenzorg.
Kerk krijgt sociale verantwoordelijkheid.
Bisschoppen en priesters moeten zorg dragen voor de armen.
Concilie van Tours:
Kerkelijk document waarin richtlijnen stonden voor armoedebestrijding.
Legt aan bisschoppen en priesters op om zorg te dragen voor de armen.
Het was een expliciete verplichting voor bisschoppen.
begin van gestructureerde armenzorg.
Alle kerken moeten hun verantwoordelijkheden nemen om voor armen te zorgen
en de bisschoppen en priesters gaan dit in het oog houden.
Belangrijkste bepalingen:
Verplichte aalmoezen (voedselbedeling).
Organisatie van voedsel en steun.
Kerk als beschermer van kwetsbaren.
2.5.2 ‘Waardige’ armen
Waardige armen mensen die er niet aan kunnen doen.
Hulp alleen voor:
Zieken.
Ouderen.
Weduwen.
Wezen.
Arbeidsonbekwamen.
Geen steun voor:
Landlopers.
Ordeverstoorders.
o Je moet de norm volgen.
Doel: barmhartigheid en sociale orde.
Komt vanuit de kerk omdat zij het instituut waren voor de standensamenleving.
Er moest een instituut zijn dat mensen niet in opstand zouden komen. We
moeten het schuldgevoel van armoede internaliseren, het probleem bij de
persoon zelf leggen. Zij legden ook de norm op.
3. Hoge Middeleeuwen (1000 – 1500)
3.1 Context
Groei van steden.
Handel en ambachten.
Pagina 3 van 58
, o Boeren begonnen te zien dat ze goed in iets waren en dat anderen het
nodig hadden.
Hier maak je winst mee (handel).
Nieuwe vormen van stedelijke armoede.
o Door handel krijg je nieuwe vormen van armoede.
Armoede wordt zichtbaarder en problematischer.
3.2 Armoede
Georganiseerde liefdadigheid:
Gasthuizen en hospitalen.
Armenhuizen.
Gilden en broederschappen.
o Gilden: soort van vakbond corporatie van ambachtslieden (alle
bakkers in een stad werden beschermd door de gilden van de
bakkers).
Waarom? de ambachten werken maar er is ook
concurrentie, dus er moest een gilden zijn die afspraken
maakte (een brood kan max. 1 euro kosten). Als er een
bakker niet meer kon werken was er ook een potje binnen die
gilden waar de bakker dan een soort van uitkering van kreeg.
Eerste institutionalisering voor armenzorg.
Goede vs. slechte armen:
Goede armen:
o Ziek, oud, weduwe.
Slechte armen:
o Bedelaars, landlopers, ‘luien’.
Morele beoordeling van armoede.
3.2.1 11e – 12e eeuw
Armen krijgen een spirituele betekenis:
Armen = navolgers van Christus.
Aalmoezen geven: zielenheil verwerven.
Ze wouden een plekje in de Hemel, waardoor ze dachten dat als ze de armen
hielpen, ze een plekje in de hemel kregen omdat de armen beschouwd werden
als de navolgers van Christus.
Armenzorg in de Lage Landen:
Armentafels (parochiaal).
o Georganiseerd vanuit rijke burgerij, niet meer vanuit de Kerk.
o Zorgen voor armen, zieken en behoeftigen.
Kamer des Huisarmen.
o Ze bedeelden kleding, voedsel,… aan huis.
Godshuizen per ambacht.
o Zorgden voor de ouderen. Een bakker die oud werd, werd verzorgt
vanuit het Godshuis van de bakkers.
Grote diversiteit aan instellingen.
o Zorg voor gehandicapten,…
Pagina 4 van 58