Pathofysiologie II — Volledige Samenvatting Hoofdstuk 3
Universiteit Gent
1. Algemeen
Volwassen lichaam: ±8% bloed (5–6 L) stroomt met een debiet van 5 L/min doorheen het lichaam.
1.1 Functies van het bloed
Transportfuncties
• Nutriënten: spijsverteringsstelsel → weefsels
• Zuurstof: longen → weefsels
• Afvalstoffen van celmetabolisme → uitscheidingsorganen (longen, lever, nier)
• Hormonen: endocriene klier → doelorgaan
• Warmte: actieve spieren → huid
• Geneesmiddelen doorheen het organisme
Specifieke functies
• Bescherming tegen micro-organismen en toxinen
• Beperken van bloedverlies bij kwetsuren
1.2 Samenstelling van het bloed
Bloed = waterige oplossing van cellen + moleculen. Waterige component zonder cellen = plasma
(bekomen via centrifugatie na toevoeging anticoagulans, of door bloed te laten staan).
Component Normaalwaarde Mannen Vrouwen
Hematocriet (%) — 40–45% 35–45%
Leukocyten /µL 3.500–10.000 3.500–10.000
Trombocyten /µL 150.000–350.000 150.000–350.000
Erythrocyten miljoen/µL 4,5–6 4,0–5,5
1.3 Hematopoëse (bloedvorming)
• Hoofdzakelijk in beenmerg; ook lever, milt, thymus, lymfeklieren (beperkt)
• Aanmaak stamcellen: ENKEL in beenmerg
Extramedullaire hematopoëse
• Treedt op wanneer beenmerg sterk faalt (bestraling, myelofibrose)
, • Milt en lever nemen dan de bloedvorming over
Pluripotente stamcellen
• Eeuwigdurende zelfreplicatie
• Differentiatie naar alle bloedceltypes
Celreeks Producten
Myeloïde celreeks Erythrocyten, trombocyten, granulocyten,
monocyten → aspecifieke afweer
Lymfoïde celreeks Lymfocyten (B en T) → specifieke afweer
Levensduur & turnover
Celtype Levensduur
Erythrocyten 120 dagen
Trombocyten 7 dagen
Sommige leukocyten < 1 dag (hoge turnover!)
Recyclering
• Hoge turnover vereist recyclering van grondstoffen uit afgestorven cellen
• Bij erythrocyten: milt capteert oude RBC en recycleert grondstoffen (o.a. ijzer)
, 2. De Rode Bloedcellen (Erythrocyten)
2.1 Algemeen
• Meest voorkomende cel: ~5.000.000/mm³
• Biconcave schijfvorm — vergroot uitwisselingsoppervlak + flexibiliteit
• GEEN kern, GEEN DNA, GEEN RNA
• Bevat hemoglobine (Hb): ijzerhoudend eiwit voor O₂-transport
• Flexibele vorm nodig voor passage door fijnste capillairen
• Celmembraantransporters stabiliseren inwendig milieu — defect → hemolyse
Bij hemolyse: vrij Hb in bloedbaan → afbraak tot ongeconjugeerd bilirubine → geelzucht (icterus)
+ nierblokkade (neerslag Hb in niertubuli).
2.2 Hemoglobine & de zuurstofdissociatiecurve
Hb = eiwitcomplex van 4 subeenheden (2α + 2β-ketens), elk met een heemgroep (Fe²⁺) als O₂-
bindingsplaats.
• Oxygeneerd Hb → rode kleur; gedeoxygeneerd Hb → blauwachtig
• Affiniteit voor O₂ evenredig met pO₂: hoog in longen (opname), laag in weefsels (afgifte)
• Dissociatiecurve is SIGMOÏDAAL (abrupte daling bij kleine pO₂-dalingen onder drempel)
Rechtsverschuiving (↓ affiniteit → sneller Linksverschuiving (↑ affiniteit → meer O₂
O₂ afgifte aan weefsels) opname in longen)
Verhoogde temperatuur Verlaagde temperatuur
Verlaagde pH (acidose) Verhoogde pH (alkalose)
Verhoogde CO₂ (Bohr-effect) Verlaagde CO₂
Verhoogd 2,3-DPG Verlaagd 2,3-DPG
→ typisch in de weefsels (zuurstof afgeven) → typisch in de longen (zuurstof opnemen)
2.3 Erythropoëse — aanmaak RBC
Geregeld via erythropoëtine (EPO) — aangemaakt in de nieren (= zuurstofsensor).
EPO-feedbackmechanisme
↓ pO₂ / anemie / hoogte / ademhalingsmoeilijkheden
↓
Nieren produceren meer EPO
↓
EPO stimuleert beenmergstamcellen → differentiatie naar RBC
↓
Erythrocytenmassa ↑ → zuurstoftransportcapaciteit ↑ → pO₂
normaliseert