OEFENINGENBUNDEL BOEKHOUDEN
Myrthe Verwerft
EPM201
, Inhoudstafel
1. Oefeningen Balans.................................................................................................................. 2
2. Oefeningen Resultatenrekening............................................................................................9
3. Oefeningen BTW.................................................................................................................. 11
4. Oefeningen personeelskosten..............................................................................................18
5. Oefeningen Regularisatie Boekingen................................................................................. 20
1
, 1. Oefeningen Balans
Stel de balans op 31 december van het boekjaar op, ingedeeld in rubrieken, van een
onderneming waarover volgende gegevens beschikbaar zijn: een gebouw 400.000,00 EUR,
auto 34.500,00 EUR, handelsgoederen 360.000,00 EUR, klanten 180.000,00 EUR, een
hypothecaire lening 40.000,00 EUR, leveranciers 450.000,00 EUR, kas 2.000,00 EUR en
bankrekening 19.000,00 EUR. Bepaal zelf eveneens het kapitaal van de onderneming.
Bij een balans moet je de bezittingen en schulden van een onderneming ordenen. Links
staan de activa. Dat zijn de bezittingen van de onderneming. Rechts staan de passiva. Dat
toont hoe die bezittingen gefinancierd zijn.
Eerst maak je het onderscheid tussen actief en passief. Daarna rangschik je alles verder in
vaste activa, vlottende activa, eigen vermogen en vreemd vermogen.
- Gebouw = vaste activa
- Auto, rollend materieel = vaste activa
- Handelsgoederen, voorraad = vlottende activa
- Klanten, handelsvorderingen = vlottende activa
- Kas en bank = vlottende activa, liquide middelen
- Hypothecaire lening = vreemd vermogen
- Leveranciers = vreemd vermogen
- Kapitaal = eigen vermogen
2
,Duid voor elk van volgende grootboekrekeningen aan of het om actief of passief gaat.
Regel om te onthouden:
- Actief = wat het bedrijf bezit of tegoed heeft.
- Passief = hoe dat bezit gefinancierd is, dus schulden of eigen vermogen.
Kapitaal → Dit is eigen vermogen van de eigenaar. Het is een bron van geld voor het bedrijf.
Dus financiering.
Machines en installaties → Dit zijn bezittingen die het bedrijf gebruikt. Ze hebben waarde.
Bank → Dit is geld op de bankrekening. Dat is een bezit.
Te betalen verkeersbelasting → Dit moet nog betaald worden. Het is een schuld aan de
overheid.
Te betalen kapitaalaflossing op een lening → Dit is geld dat je nog moet terugbetalen aan de
bank. Dus een schuld
Handelsdebiteuren = handelsvorderingen → Dit zijn klanten die nog moeten betalen. Het
bedrijf heeft dus een tegoed.
Schuld met betrekking tot bezoldigingen → Dit zijn lonen die nog betaald moeten worden.
Dus een schuld.
Schuld met betrekking tot leveranciers →Dit zijn facturen van leveranciers die nog niet
betaald zijn.
3
, Jef Polignon start op 1 januari van dit jaar een wijnhandel met een kapitaal van
320.000,00 EUR.
In de weken na de oprichting doet hij een aantal transacties die een invloed hebben op de
balans van de onderneming.
Geef telkens de wijziging in de balans weer.
a) Polignon volstort op 1 januari het kapitaal van 320.000,00 EUR op zijn bankrekening
bij BNP Paribas Fortis. (rekeninguittreksel 1)
b) Polignon koopt op 10 januari een bedrijfsgebouw voor een bedrag van 275.000,00
EUR. Hij betaalt dit gebouw met geld dat op de bankrekening staat. (notariële akte +
rekeninguittreksel 2)
c) Polignon verwerft op 15 januari een voorraad wijn voor een bedrag van 15.000,00
EUR. Hij krijgt 30 dagen uitstel van betaling van de leverancier. (aankoopfactuur 1)
4