WONDZORG
HOOFDSTUK 1 – WONDMANAGEMENT
1. De huid
1.1 Functie
• mechanische, beschermende barrière voor onderliggende organen (chemische, biologische
invloeden)
• rol in immuunsysteem
• voorkomt uitdroging van dier
• behoud van lichaamstemperatuur (bekleding & regulatie van bloedtoever)
• geeft informatie vanuit omgeving (warmte, koude, pijn…)
• aanmaak vitamine D onder invloed van zonlicht
• leverancier haar, nagels, hoorn- of eeltlagen
1.2 Bouw
3 lagen:
• epidermis
• dermis
• subcutis
1.2.1 Epidermis
• meerlagig verhoornd plaveiselepitheel
• bekleedt huidoppervlak
• geen bloedvaten gevoed via diffusie vanuit diffusie
5 lagen:
Basale laag: (kiemlaag)
• 1 laag cellen (keratinocyten
delen en verhuizen naar buitenste hoornlaag
keratinisatie: verhuizen doorheen lagen, sterven af en verhoornen
stratum spinosum:
• verandering cellen van cilindrische kubische vorm
• 2-4 cellen dik
• maken eerste verandering door
• passen aan om keratine te synthetiseren
keratine = proteïne die belangrijk is voor het bestanddeel van hoornlaag
stratum granulosum:
• cellen veranderen drastisch
• nemen keratinekorrels op cel wordt stug en stopt alle celactiviteit
• verliezen kern cel sterft
• verliezen kubische vorm worden platter
,stratum granulosum
stratum corneum: (hoornlaag)
• langgerekte platte vorm
• vormen stevige, moeilijk doordringbare laag
• 20-100 cellen
• dikte: afhankelijk van druk en wrijving
hoorncellen = dode, kernloze keratinocyten
1.2.2 Dermis (lederhuid)
= bindweefsellaag direct onder epidermis
Onderste laag: collageenvezels gerangschikt zodat ze bijdrage leveren aan mechanische
beschermende functie van huid
Bovenstel laag: voedende bloedvaten, lymfevaten, zenuwen, haarfollikels, huidklieren
Lederhuid:
• hoge oppervlakkige uitstulpingen (=lederhuidpapillen)
• dringen in corresponderende uitsparing van opperhuid goede voeding
• afvalstoffen kunnen epidermis verlaten
1.2.3 Hypodermis / subcutis (onderhuid)
= los bindweefsel dat huid beweeglijk verbind et oppervlakkige fascie en onderliggende
spieren
Onder = sub
Eigenlijke huid = cutis
subcutis: vooral vetweefsel (ook bloedvaten en zenuwen)
Soms: huid heel beweeglijk (nekhuid hond & kat)
subcutane injecties
1.3 De haren (pili)
1.3.1 Dekharen
= meest opvallend type (primaire haren)
• bepaald lengte en kleur van vacht
• grootste dekharen: omgeven door groep kleinere bijharen
(secundaire haren)
Bijharen: vormen ondervacht afhankelijk van ras & seizoen
kan meer of minder aanwezig zijn
1.3.2 Wolharen
= haren met fijnere, golvende structuur
• onder dekharen
• talrijker in wintervacht
,1.3.3 Borstelharen
= stugge haren met meervoudige haarpunten
Dominant bij varkens & olifanten
1.3.4 Lange haren
= lange, elastische en glanzende haren met andere kleur dan dekharen
(vooral bij paarden)
• blesharen
• manen
• spoorharen
• staartharen
1.3.5 Baardharen
Haren vooral bij (mannelijke) geiten
soms hebben paarden ook snorharen op de lip (Tinker)
1.3.6 Wimpers
• op oogleden
• ontbreken op onderste ooglid bij vleeseters
1.3.7 Neusharen
= in neusholte
1.3.8 Oorharen
= in uitwendige gehoorgang
1.3.9 Tastharen
= lange stijve haren waarvan wortel omgeven is door veneuze sinus (=
kluwen bloedvaatjes) met rondom talrijke sensibele zenuwuiteinden (=
gevoelszenuwen)
• op kop (lippen, kin, wang, jukboog streek)
• zelden aan ledematen (kat: mediopalmair van carpus)
1.3.10Richting van de haren
De atmosferische neerslag van de dieren druipt af zonder de huid te bevochtigen
regionale verschillen
• haarwervels (13,14)
• haarlijnen (15,16)
• haarlijnkruisen (17)
1.4 De tastballen – tori
, Tastballen = haarloze verhevenheden van integument die zich bevinden ter hoogte van
onderbeen
Bouw:
• epidermis= sterk hoornachtig verdikt
• dermis: hoge lederhuidpapillen en verdikt
• hypodermis: verdikt tot kussen
kussen: fibro-elastisch bindweefsel met vetcellen (kan exocriene klieren bevatten
(zweetklieren))
Tori: in 3 groepen ingedeeld
• proximaal geleden tastballen: achterzijde van hand- en voetwortel
- enkelvoudige voetwortelballen: torus carpeus & torus tarseus
• middelste tastballen: metacarpo(tarso)falageale gewrichten
- zoolballen: torus metacarpeus & torus metatarseus
- paarden: rudimentair (spoor)
• distale tastballen: achterzijde van distale falangen
- teenballen / hoefballen
Aantal tastballen: afhankelijk van opp van voed dat grond raakt:
• zoolgangers: 3 rijen tastballen
- mens, beer, konijn
• teengangers: tarsaalballen verloren + carpaalballen: geen functie
- hond, kat, leeuw
• teentopgangers: proximale en middelste tastballen niet aanwezig
- geit, schaap, paard
1.4.1 Tastballen bij digitigrade dieren
• carpaalkussen:
distomediaal van os carpi
accessorium (haakbeentje)
• puilt ver naar achgter uit
• tarsaalbal: afwezig
Zoolkussen: 3 delen
• hartvormig
• punt= distaal tussen 2
abaxiale teenballen
Teenkussens: vooraan iedere
teen
• ovale teenbal: aan onderzijde van elk klauwgewricht
opgemerkt:
Kussens bij honden kunnen beschadigd worden door:
• hard wegdek
• sneeuw
• warm asfalt
• scherpe voorwerpen
Heel pijnlijk voor het dier: maken diepe snijwonden en kunnen hevig bloeden
HOOFDSTUK 1 – WONDMANAGEMENT
1. De huid
1.1 Functie
• mechanische, beschermende barrière voor onderliggende organen (chemische, biologische
invloeden)
• rol in immuunsysteem
• voorkomt uitdroging van dier
• behoud van lichaamstemperatuur (bekleding & regulatie van bloedtoever)
• geeft informatie vanuit omgeving (warmte, koude, pijn…)
• aanmaak vitamine D onder invloed van zonlicht
• leverancier haar, nagels, hoorn- of eeltlagen
1.2 Bouw
3 lagen:
• epidermis
• dermis
• subcutis
1.2.1 Epidermis
• meerlagig verhoornd plaveiselepitheel
• bekleedt huidoppervlak
• geen bloedvaten gevoed via diffusie vanuit diffusie
5 lagen:
Basale laag: (kiemlaag)
• 1 laag cellen (keratinocyten
delen en verhuizen naar buitenste hoornlaag
keratinisatie: verhuizen doorheen lagen, sterven af en verhoornen
stratum spinosum:
• verandering cellen van cilindrische kubische vorm
• 2-4 cellen dik
• maken eerste verandering door
• passen aan om keratine te synthetiseren
keratine = proteïne die belangrijk is voor het bestanddeel van hoornlaag
stratum granulosum:
• cellen veranderen drastisch
• nemen keratinekorrels op cel wordt stug en stopt alle celactiviteit
• verliezen kern cel sterft
• verliezen kubische vorm worden platter
,stratum granulosum
stratum corneum: (hoornlaag)
• langgerekte platte vorm
• vormen stevige, moeilijk doordringbare laag
• 20-100 cellen
• dikte: afhankelijk van druk en wrijving
hoorncellen = dode, kernloze keratinocyten
1.2.2 Dermis (lederhuid)
= bindweefsellaag direct onder epidermis
Onderste laag: collageenvezels gerangschikt zodat ze bijdrage leveren aan mechanische
beschermende functie van huid
Bovenstel laag: voedende bloedvaten, lymfevaten, zenuwen, haarfollikels, huidklieren
Lederhuid:
• hoge oppervlakkige uitstulpingen (=lederhuidpapillen)
• dringen in corresponderende uitsparing van opperhuid goede voeding
• afvalstoffen kunnen epidermis verlaten
1.2.3 Hypodermis / subcutis (onderhuid)
= los bindweefsel dat huid beweeglijk verbind et oppervlakkige fascie en onderliggende
spieren
Onder = sub
Eigenlijke huid = cutis
subcutis: vooral vetweefsel (ook bloedvaten en zenuwen)
Soms: huid heel beweeglijk (nekhuid hond & kat)
subcutane injecties
1.3 De haren (pili)
1.3.1 Dekharen
= meest opvallend type (primaire haren)
• bepaald lengte en kleur van vacht
• grootste dekharen: omgeven door groep kleinere bijharen
(secundaire haren)
Bijharen: vormen ondervacht afhankelijk van ras & seizoen
kan meer of minder aanwezig zijn
1.3.2 Wolharen
= haren met fijnere, golvende structuur
• onder dekharen
• talrijker in wintervacht
,1.3.3 Borstelharen
= stugge haren met meervoudige haarpunten
Dominant bij varkens & olifanten
1.3.4 Lange haren
= lange, elastische en glanzende haren met andere kleur dan dekharen
(vooral bij paarden)
• blesharen
• manen
• spoorharen
• staartharen
1.3.5 Baardharen
Haren vooral bij (mannelijke) geiten
soms hebben paarden ook snorharen op de lip (Tinker)
1.3.6 Wimpers
• op oogleden
• ontbreken op onderste ooglid bij vleeseters
1.3.7 Neusharen
= in neusholte
1.3.8 Oorharen
= in uitwendige gehoorgang
1.3.9 Tastharen
= lange stijve haren waarvan wortel omgeven is door veneuze sinus (=
kluwen bloedvaatjes) met rondom talrijke sensibele zenuwuiteinden (=
gevoelszenuwen)
• op kop (lippen, kin, wang, jukboog streek)
• zelden aan ledematen (kat: mediopalmair van carpus)
1.3.10Richting van de haren
De atmosferische neerslag van de dieren druipt af zonder de huid te bevochtigen
regionale verschillen
• haarwervels (13,14)
• haarlijnen (15,16)
• haarlijnkruisen (17)
1.4 De tastballen – tori
, Tastballen = haarloze verhevenheden van integument die zich bevinden ter hoogte van
onderbeen
Bouw:
• epidermis= sterk hoornachtig verdikt
• dermis: hoge lederhuidpapillen en verdikt
• hypodermis: verdikt tot kussen
kussen: fibro-elastisch bindweefsel met vetcellen (kan exocriene klieren bevatten
(zweetklieren))
Tori: in 3 groepen ingedeeld
• proximaal geleden tastballen: achterzijde van hand- en voetwortel
- enkelvoudige voetwortelballen: torus carpeus & torus tarseus
• middelste tastballen: metacarpo(tarso)falageale gewrichten
- zoolballen: torus metacarpeus & torus metatarseus
- paarden: rudimentair (spoor)
• distale tastballen: achterzijde van distale falangen
- teenballen / hoefballen
Aantal tastballen: afhankelijk van opp van voed dat grond raakt:
• zoolgangers: 3 rijen tastballen
- mens, beer, konijn
• teengangers: tarsaalballen verloren + carpaalballen: geen functie
- hond, kat, leeuw
• teentopgangers: proximale en middelste tastballen niet aanwezig
- geit, schaap, paard
1.4.1 Tastballen bij digitigrade dieren
• carpaalkussen:
distomediaal van os carpi
accessorium (haakbeentje)
• puilt ver naar achgter uit
• tarsaalbal: afwezig
Zoolkussen: 3 delen
• hartvormig
• punt= distaal tussen 2
abaxiale teenballen
Teenkussens: vooraan iedere
teen
• ovale teenbal: aan onderzijde van elk klauwgewricht
opgemerkt:
Kussens bij honden kunnen beschadigd worden door:
• hard wegdek
• sneeuw
• warm asfalt
• scherpe voorwerpen
Heel pijnlijk voor het dier: maken diepe snijwonden en kunnen hevig bloeden