Deel 1: bloed
1.1 Samenstelling van het bloed: plasma +
morfologie bloed
bloed maakt deel uit van het cardiovasculair systeem
bloed, bloedvaten en hart reguleren elkaar
deze drie kunnen niet zonder elkaar functioneren
binnen dit deel van de cursus ligt de focus vooral op
rode bloedcellen
bloedplaatjes
witte bloedcellen worden enkel kort vermeld
hun hoofdfunctie is immuniteit en infectiebestrijding
het deel bloed is opgesplitst in 3 onderdelen
fysiologie van de bloedcellen
hematopoëse in het beenmerg
hemostase / stolling
bloed heeft een vrij constante samenstelling
tussen personen is die grosso modo gelijkaardig
tussen mannen en vrouwen bestaan kleine verschillen
afwijkingen wijzen vaak op pathologie
+/- 8% van het lichaamsgewicht
vrouw: 4.5-5.5L
Systeemfysiologie - cardio 1
, man: 5-6L
bloed is dus op zich een groot orgaan
rode kleur door hemoglobine
(rode bloedcellen = RBC)
hemoglobine is het
belangrijkste eiwit in rode
bloedcellen
hemoglobine bevat een
heemgroep
de heemgroep bindt
zuurstof
zuurstof wordt dus niet vrij
getransporteerd, maar
gebonden aan
hemoglobine
hematocriet = volume cellen (vooral RBC) / totaal volume is 40-45%
dit geeft de verhouding weer van bloedcellen versus plasma
normaal is dit een vrij constante parameter
bij een te hoog aantal bloedcellen wordt bloed te viskeus
te viskeus bloed is een risicofactor voor trombose
dit heeft ook invloed op bloeddruk en bloeddoorstroming
complexe samenstelling
bloedcellen
RBC
WBC
bloedplaatjes
plasma
Systeemfysiologie - cardio 2
, vloeibaar gedeelte
er zijn 3 types bloedcellen
thrombocyten / bloedplaatjes
stolling
2-3 micrometer
kleinste bloedcellen
kunnen pseudopodia vormen wanneer ze geactiveerd worden
leukocyten / witte bloedcellen
immuniteit
12-15 micrometer
grootste bloedcellen
erythrocyten / rode bloedcellen
O2 transport
viscositeit
7 micrometer
discoïde cellen met centrale inzinking
rode bloedcellen zijn belangrijk voor
zuurstoftransport
regulatie van bloedviscositeit
regulatie van bloeddruk
vloeibare staat plasma opgeheven bij coagulatie met vorming klonter
door fibrinogeen dat fibrine gaat vormen
overblijvend vocht = serum
Systeemfysiologie - cardio 3
, BLOED na centrifugatie
55-60% plasma
40-45% bloedcellen
(hematocriet)
stolling voorkomen door
anticoagulantie
EDTA
citraat
heparine
stolling
onoplosbaar netwerk van
fibrine
waarin de meeste cellen
worden gebonden
na centrifugatie zie je
onderaan de cellulaire
fractie
bovenaan plasma
de grootste hoeveelheid cellen
onderaan zijn erytrocyten
tussenlaag
wit laagje
bevat witte bloedcellen +
bloedplaatjes
bovenste doorzichtige
geelachtige fractie = plasma
Plasma versus serum
plasma en serum zijn niet hetzelfde
Systeemfysiologie - cardio 4