1. Proloog: het goede doen
1.1. Technische en normatieve professionaliteit
Een beroep bestaat uit 2 componenten: een technische professional en een normatieve
professional. Beide componenten zijn even belangrijk. Het is belangrijk om onze tussenkomsten
deskundig te onderbouwen, maar ook om stil te staan bij het waarom van interventies.
9 Doe ik de dingen goed? = omgaan met technologische ontwikkelingen, gespreksvaardigheden,
kwalitatieve rapportage, omgaan met agressie… (heb ik expertise?)à technische professional
9 Doe ik de goede dingen? = ethische vragen (= vragen waar je over moet nadenken) stellen over
(eigen) interventies à dragen ze bij en op welke manier aan goede orthopedagogie? (je staat
voor bepaalde waarden en normen in je beroep) à normatieve professional
Metafoor van de professional als lantaarnpaal of kampvuur – samen door het moeras = elke
professional is een lantaarnpaal (je loopt de weg met de cliënt, jij bent de lantaarnpaal die begeleid ‘het
is naar hier of naar daar’ ). Soms is de weg niet duidelijk en is er geen lantaarn die aangeeft waar je
naartoe moet, dan zit je in het moeras, de weg in onduidelijk. Je zit met een ethisch probleem (geen
pasklare oplossing voor de situatie). Dan ben je een kampuur (ter plekke maak je dit met de cliënt en
zoekt je hoe je uit de situatie kan geraken).
1.2. Het goede doen (integer handelen)
De goede dingen doen, omdat je dat zelf wilt. Niet omdat je ze moet van de wet of van je baas, maar
omdat je voelt dat dit het goede is. Je gaat integer handelen. De dingen doen ook als niemand zou kijken
(zonder evaluatie). Je doet dit autonoom en niet omwille van de goedkeuring van anderen (heteronoom),
maar omdat het goed is het goede te doen
9 Integrity is doing the right thing even if no one is watching
9 Autonoom (vs. heteronoom) het goede doen
- Heteronoom = je doet het goede, omdat iemand anders het zo zegt
- Autonoom = het goede doen, omdat je het zelf zegt
Als je ooit in de verleiding komt om te zoeken naar goedkeuring van buitenaf, realiseer je dan dat je je
integriteit hebt gecompromitteerd (= in gevaar gebracht). Als je een getuige nodig hebt, wees die dan
zelf (Epictetus)
2. Moraal en ethiek
Moraal en ethiek lijken in het dagelijkse taalgebruik inwisselbaar.
- Beide begrippen zijn met elkaar verweven, maar er is een onderscheid
- Een ethisch klimaat is niet hetzelfde als een moralistisch klimaat
- à Een ethisch perspectief kan zelfs afkerig staan tegenover moralisten
1
,Moraal = het geheel van waarden en normen die richting geven aan ons handelen en zin geven aan wat
we denken en doen
g Vaak intuïtief: we vertrouwen op onze morele intuïtie en ons geweten (we stellen onszelf niet
voortdurend in vraag)
- Morele intuïtie is al van kinds af aan opgebouwd door socialisatie en trial-and-error
- We hebben een persoonlijk en professioneel referentiekader opgebouwd waarin we ons
bewegen, door ervaringskennis
Moraal gaat dus over waarden en normen
g Als mens doen we waarderende en normatieve uitspraken. We spreken waardeoordelen uit over
anderen, onszelf, motieven, emoties…
g We laten ons handelen leiden door principes, regels en normen die bepalen wat ken en wat niet kan
g We hebben allerlei invullingen van ‘het goede leven’, over wat het leven voor onszelf waardevol
maakt
Moreel handelen = overwegend intuïtief à onze achterliggende beweegredenen blijven de
rechtvaardiging van onze normatieve oordelen, veelal impliciet en onuitgesproken.
9 Alleen wanneer we geconfronteerd worden met tegenstrijdige gedragsvoorschriften of met
conflicterende opvattingen over het goede, zien we ons gedwongen om ons doen en laten te
bevragen of om ons waardeoordeel te rechtvaardigen.
Ethiek/moraalstudie = de theoretische studie van de moraal: het is een filosofische discipline die
waarde- en normenstelsels onderzoekt en onder woorden brengt en nagaat welke argumenten
bepaalde keuzes voor het goede legitimeren à We bestuderen onze eigen morele overwegingen.
2.1. Disciplines binnen de moderne ethiek
• Theoretische ethiek = bestaat uit:
- Meta-ethiek: zoekt naar de fundamenten van de ethiek en bekijkt het morele taalgebruik en het
argumenteren.
- Normatieve ethiek: zoekt naar theoretische kaders waarbinnen morele problemen behandeld
kunnen worden.
• Toegepaste ethiek = bekijkt morele problemen binnen een specifiek domein. Vb. bio-ethiek,
medische ethiek…
• Empirische ethiek = disciplines waarbij concrete waarden en normen onderzocht worden die
gelden in een samenleving of behoren tot het referentiekader van personen.
- Wordt gekeken naar hun sociale en psychologische oorsprong, naar veranderingen, oorzaken en
impact. Vb. moraalsociologie en psychologie
g De scheidingslijnen tussen de disciplines zijn theoretisch, en durven de praktijk te vervagen.
2
,2.2. De verwisselbaarheidsgedachte
Als we vertrekken vanuit de normatieve ethiek, komen we automatisch bij de
verwisselbaarheidsgedachte/ principe van gelijkheid.
= een ethische beslissing is ethisch als anderen die beslissing ook zouden nemen à ethiek is meer dan
enkel een beslissing te nemen voor jezelf. Het moet egoïsme overstijgen.
9 Verwisselbaarheid houdt in dat men, bij het innemen van een standpunt, de eigen belangen
niet meer gewicht draagt dan de belangen van anderen. De eigen rol in een moreel standpunt
moet op een of andere manier verwisselbaar zijn met de rol van anderen. Zo mag ik mijzelf niet
anders behandelen dan de anderen en de anderen onderling niet verschillend van elkaar – tenzij
daar voldoende gronden voor bestaan.
De verwisselbaarheidsgedachte geeft dus een antwoord op de vraag naar de ethische
aanvaardbaarheid van een handeling. Maar dan nog zijn er verschillende antwoorden mogelijk op de
vraag die daarop volgt, namelijk, of die ethisch aanvaardbare handeling ook ‘moreel juist’ of ‘goed’ is.
Bijvoorbeeld: Een verjaardagstaart kan op verschillende manieren verdeeld worden. Een gelijke
verdeling is het meest eerlijk, maar ook een verdeling op basis van behoefte (meer honger = groter stuk)
of proportioneel (de jarige krijgt meer) kan logisch zijn. Een verdeling waarbij de oudsten of sterksten
meer krijgen, voldoet echter niet aan de ‘verwisselbaarheid’, omdat er geen rechtvaardiging is voor zo'n
ongelijke verdeling.
2.3. Hoe weten we wat goed is…
Maar hoe weten we wat goed is? Dit gaat over onze moraal, onze waarden en normen: maar waar halen
we die? à Opvoeding, wetten en regels, persoonlijk referentiekader, socialisatieprocessen, media…
(als je iets slecht doet zal je het meteen weten door feedback uit de omgeving of vanuit jezelf, door trial
and error).
Pluralisme binnen samenleving (= onze hedendaagse samenleving heeft niet langer een collectief
verhaal van waarden en normen. Individuen bepalen hun eigen zingeving, wat leidt tot een diversiteit in
de samenleving en een pluralisme (een diversiteit aan waarden en normen).
Moraliteit (waarden en normen) via socialisatie, trial and error
- Primaire socialisatie = tussen mensen die direct met elkaar verbonden zijn (gezin en vrienden)
- Secundaire socialisatie = ‘sociale kleren’, in de formele sfeer (school, werk)
- Tertiaire socialisatie = actoren met wie mensen niet rechtstreeks een band hebben, gebeurt
impliciet (lezen van literatuur, media…)
Moraal is dus…
g Breder dan wetten en regels: invullingen van het goede
g Wetten als tijdelijke morele consensus – wetten kunnen onrechtvaardig zijn.
3
, Onderscheid moraal – ethiek:
- Moraal is intuïtief – scheidsrechter is ons geweten (of in de volksmond: gezond verstand)
- Ethiek is de studie van de morele overwegingen van mensen (à wanneer het buikgevoel begint
te twijfelen)
2.4. …en wie bepaalt dat?
Als we uitgaan van vrije en rationele individuele- handelings- en wilsbekwaam, dan weten we toch best
zelf wat goed is? à Als je weet wat goed is, kun je bijna niets anders doen (Aristoteles)
Gedachte-experiment 1: de vriendelijke buurtmoordenaar met de bijl
9 Dit is een moreel dilemma waarbij je een keuze moet maken tussen twee ethisch
problematische opties. Aan de ene kant kun je eerlijk zijn en de man vertellen waar je kinderen
zijn, wat hun levens in gevaar brengt. Aan de andere kant kun je liegen om ze te beschermen,
maar daarmee zou je je eigen principes van eerlijkheid schenden. Het is een situatie die de
grenzen van ethiek en persoonlijke verantwoordelijkheid op de proef stelt, en er is geen perfecte
oplossing. Wat zou jij doen?
Er zijn meerdere manieren om ethische te redeneren. We vinden het principe ‘niet liegen’ belangrijk,
maar vullen dit in al naar gelang de context à subjectieve moraal is wankele basis (varieert per individu)
Wie bepaalt dan het goede? Hoe kunnen we eigenlijk weten wat goed is?
g Oplossing: deontologische code?
g Deontologie als ethisch perspectief – ‘plichtenleer’ à
moeten/ons houden aan de morele principes (in vb.:
liegen is immoreel)
Gedachte-experiment 2: het trolley-probleem (Deze situatie wijst eigenlijk op een oude en
fundamentele discussie binnen de ethiek: de discussie tussen deontologen en consequentialisten. We
kunnen dit het best uitleggen aan de hand van het trolley-probleem)
9 Het trolleyprobleem is een ethisch dilemma met twee scenario’s. In het eerste scenario zie je
een tram die vijf mensen op de sporen dreigt te raken. Je kunt de tram omleiden naar een spoor
waar één persoon ligt. Wat doe je? In de variatie sta je op een brug boven de tram, en de enige
manier om de tram te stoppen is door een man van de brug te duwen. Duw je hem? Het dilemma
test je morele keuzes, waarbij de keuze afhankelijk is van je ethische overtuigingen:
consequentialisme of deontologie.
3. De rechtvaardigheidstheorieën
Er zijn 3 grote ethische stromingen: concequentialisme – deontologie – teologische of deugdenethiek
g Geven elke een eigen antwoord op hoe we onze morele standpunten ethisch kunnen legitimeren of
rechtvaardigen
- Deontologie werd ontwikkeld als reactie op het consequentialisme
- Zekere dominantie van deontologie
- Consequentialisme wordt geassocieerd met eeiciëntie denken
- Deugdenethiek is een synthese van de discussie tussen deontologie en consequentialisme
4