MACRO-ECONOMIE?
Macro-economie bestudeert het gedrag van de hele economie en focust op “grote”
variabelen zoals:
Output (BBP)
Werkloosheidsgraad
Prijsevolutie in de totale economie
In tegenstelling tot micro-economie, die kijkt naar:
o Individuele consumenten en bedrijven
o Prijzen van specifieke goederen en markten
Het gedrag van de economie als geheel is /= de som van individueel gedrag
(“emergentie”) interacties tussen individuen kunnen tot complexere uitkomsten leiden.
Voorbeelden:
Bank runs
o Individuen handelen rationeel (geld opnemen uit angst).
o Omdat anderen hetzelfde doen, kan dit leiden tot een bankencrisis.
Spaarparadox
o Als iedereen tegelijk meer gaat sparen, daalt de consumptie en vraag.
o Hierdoor dalen output en BBP-groei, waardoor het totale spaarniveau in
de economie uiteindelijk kan dalen (ze hebben geen geld om te sparen).
Overheidsbesparingen
o Minder overheidsuitgaven → lagere geaggregeerde vraag → lager BBP.
o Dit kan leiden tot lagere belastinginkomsten en uiteindelijk zelfs een
groter begrotingstekort.
THE SHORT RUN, THE MEDIUM RUN AND THE LONG RUN
KT: Jaarlijkse schommelingen in output worden vooral bepaald door schommelingen in
de vraag.
Prijzen worden verondersteld constant (inflatie ≈ 0).
Output wordt dus vooral bepaald door geaggregeerde vraag: consumptie,
investeringen en overheidsuitgaven.
MT: De economie keert terug naar het outputniveau bepaald door aanbodfactoren, zoals:
Kapitaalvoorraad
Technologieniveau
grootte en kwaliteit van de arbeidsmarkt
Zowel vraag- als aanbodfactoren spelen een rol (bv. analyse via IS-LM).
LT: Economische groei hangt vooral af van:
technologische vooruitgang en innovatie
spaargedrag
kwaliteit van het onderwijs
kwaliteit van het bestuur
, Technologische vooruitgang is de uiteindelijke determinant van de productie op
lange termijn.
Chapter 1
1.0 De huidige situatie
EEN GESTILEERDE CONJUNCTUURCYCLUS
Output wordt gemeten aan de hand van het reële bbp
De tweede piek is hoger dan de eerste LT-groei
(stijgende trend)
Conjunctuurcyclus = de tijdsperiode tussen twee pieken of
twee dalen.
A boom = een hoogconjunctuur / economische opleving
A bust = een economische neergang/crisis
1.1 De pandemie
Voor de WO2 duurden recessies en financiële crisissen
doorgaans langer dan na de oorlog.
De pandemische recessie verschilt omdat ze niet werd
veroorzaakt door economische instabiliteit, maar door een
onverwachte externe schok.
In de macro-economie spreekt men meestal van een
aanbod- of vraagschok (waar meestal wel een oplossing
voor is), maar tijdens de pandemie was er een schok aan
zowel de vraag- als de aanbodzijde.
Deze schok had 3 effecten op de economie:
1. Het aantasten van productieprocessen: bedrijven die afhankelijk waren van
productie in China werden sterk getroffen doordat fabrieken in China in het begin
gesloten werden door het virus negatieve aanbodschok
2. De mobiliteit van mensen ondermijnen: als telewerk niet mogelijk was, kon je
niet werken en dus niet produceren negatieve aanbodschok werkloosheid
steeg enorm!
3. Een daling in consumptie: jobverlies en (soms) geen werkloosheidsuitkering
leiden tot minder consumptie, daarnaast waren winkels ook dicht negatieve
vraagschok
Waarom had Spanje een korte recessie?
In Spanje werd weinig social distancing toegepast en heel veel
mensen raakten snel besmet en ontwikkelden sneller immuniteit.
Daardoor duurde de recessie relatief kort.
Steden die wél vroeg social distancing invoerden, hadden
uiteindelijk minder economische schade.
Op de grafiek rechts zien we dat de nominale hoeveelheid van uitgaven
de dag voor de lockdown enorm steeg en de dagen daarna enorm daalt.
,De werkloosheidsgraad: De werkloosheid bleef lange tijd laag, maar schoot in maart
plots omhoog tot boven 10%, een stijging die al lange tijd niet meer was voorgekomen.
Olieprijzen: Door de sterke daling van de vraag naar olie ontstond een overaanbod,
waardoor de olieprijzen sterk daalden en in 2020 zelfs tijdelijk negatief werden.
1.2 The crisis of 2008–9
Door soepel kredietbeleid en makkelijke toegang tot leningen konden gezinnen veel
lenen, vaak met hun huis als onderpand. Toen de huizenprijzen begonnen te dalen,
konden veel leners hun schulden niet meer terugbetalen en verloren financiële producten
hun waarde. Banken verloren vertrouwen in elkaar en verstrekten minder leningen,
waardoor de geaggregeerde vraag sterk daalde.
De crisis verspreidde zich internationaal via:
Handelskanaal: minder exportmogelijkheden naar de VS.
Financieel kanaal: risicovolle (“toxische”) financiële producten waren wereldwijd
verspreid.
STOCK PRICES IN THE USA, THE EURO AREA & EMERGING
ECONOMIES, 2007–10
Eind 2008 verloren aandelenprijzen ong. de helft van
hun waarde.
Ook buiten de VS daalden aandelenmarkten sterk.
Angst voor een nieuwe Grote Depressie leidde tot
minder consumptie en investeringen → lagere vraag en
output.
Van oktober 2008 tot 2009 was de output groei in de
VS negatief.
Waarom werd de financiële crisis in de VS een wereldwijde economische crisis?
1. Handel: wanneer Amerikaanse consumenten hun uitgaven verminderen, zal er
minder geïmporteerd worden vanuit andere landen
2. Financieel: Als banken in de problemen geraken worden er minder leningen
uitgegeven en dalen de uitgaven en de output.
OUTPUT GROWTH RATES FOR THE WORLD ECONOMY, FOR
ADVANCED ECONOMIES AND FOR EMERGING AND DEVELOPING
ECONOMIES, 2000–18
Tot 2007: sterke economische groei in zowel ontwikkelde als opkomende economieën.
Banken bundelden hypothecaire leningen in
mortgage-backed securities, die wereldwijd aan
investeerders werden verkocht.
Door hoge vraag werden ook risicovolle leningen
toegekend aan klanten met een lage kredietscore.
Toen de huizenprijzen daalden, konden veel mensen
hun leningen niet meer terugbetalen. De problemen
verspreidden zich wereldwijd via het financiële
systeem; in 2008 ging Lehman Brothers failliet, wat
de wereldwijde financiële crisis versnelde.
, ‘08-’09 VERSUS COVID
’08–’09 financiële crisis:
Relatief kleine initiële financiële schok, maar grote impact op de economie.
Onzekerheid: banken wisten niet hoeveel hun hypotheekactiva nog waard
waren.
Amplificatie: banken hadden te weinig kapitaalreserves en stopten met
kredietverlening.
Kredietschaarste → daling van investeringen en geaggregeerde vraag.
Herstel duurde langer omdat het financiële systeem eerst moest worden
hersteld (structureel probleem).
COVID-crisis:
Schok ontstond door lockdowns, waardoor productie én consumptie tijdelijk
stilvielen.
Financiële balansen van banken bleven grotendeels intact; het probleem lag niet
in het financiële systeem.
Overheden reageerden met:
o Gezondheidsmaatregelen (mondmaskers, lockdowns)
o Inkomenssteun om consumptie en bedrijven te ondersteunen en
werkloosheid te beperken.
De economische impact was direct groot, maar de fundamenten van het financiële
systeem bleven stabiel.
1.3-4 United States & Euro area
LABOUR PRODUCTIVITY GROWTH BY DECADE IN THE UNITED
STATES: 1990–2018
Productiviteitsgroei is de belangrijkste motor van economische groei; zonder
productiviteitsgroei kan het inkomen per
persoon op lange termijn niet blijven
stijgen.
De cijfers tonen een duidelijke vertraging van de productiviteitsgroei in de periode 2010–
2018.
Discussie en verklaringen:
Sommigen stellen dat de lage groei tijdelijk is, omdat productiviteit sterk kan
schommelen.
Anderen denken dat het probleem vooral meetfouten zijn: de waarde van nieuwe
technologieën is moeilijk te meten, waardoor productiviteit mogelijk wordt
onderschat.
Een andere visie is dat grote technologische doorbraken moeilijker te realiseren
zijn, waardoor de productiviteitsgroei structureel lager ligt.
Gevolg: Als de productiviteitsgroei langdurig laag blijft, zal ook de BBP-groei op lange
termijn vertragen en kan de economische groei afzwakken.
1.4 The EU and the Euro area
Europese Unie en de eurozone