en taalvaardigheden
Frans
~1~
,1 VORMEN VAN (VROEG) VREEMDETAALONDERWIJS
1.1 EVEN OPFRISSEN: TAALINITIATIE
Voorkennis opfrissen aan de hand van een ‘retrieval
pyramid’
Opdracht:
- Beantwoord eerst de vraag in de onderste laag
van de piramide
- Daarna ga je over naar de 2e laag.
- Als je bovenaan eindigt, heb je de nodige voorkennis opgefrist
- Je kan overleggen per 2/3. Denk eerst zelf na en bekijk daarna pas de
oplossing!
1.2 TALENSENSIBILISERING
Interessant lesmateriaal voor de basisschool:
- Talen op een kier
- Met lesfiches en lesmateriaal over verschillende thema’s
1.3 IMMERSIE EN CLIL
Immersie:
- = onderdompeling (‘taalbad): imitatie natuurlijk leerproces
- Impliciet leren door andere vakken in de vreemde taal te onderwijzen
- Minstens ½ max. ¾ van de lessen in de vreemde taal
- Langdurig, volgehouden aanpak
- Niet in Vlaanderen, maar populair in Wallonië (vreemde taal Nederlands)
~2~
, - Leerkracht = native speaker
CLIL = Content Language Integrated Learning
- Franse term: EMILE = Enseignement de Matières par Intégration d’une
Langue Etrangère
- In Vlaanderen in secundair onderwijs
- Onderwijs van bepaald vakgebied in vreemde taal, max 20% van de
lestijden
- Verplicht parallel Nederlandstalig traject
- In Frans, Engels of Duits
- Leerkracht moet ERK niveau C1 beheersen
- Groeiend succes sinds 1 september 2014
2 PRENTENBOEKEN EN POËZIE
2.1 WAAROM?
- Ontwikkelen lees- en luistervaardigheden, strategieën
- Motiverend – afwisselend met handboek
- Authentiek materiaal: ‘echte’ taal – ‘echte’ leven
- Plezier beleven
- Esthetische ervaring: schoonheid van de prenten + op vlak van taal:
bepaalde klanken, (rijm) woorden die niet te vinden zijn in het handboek
- Fantasie, magie, spanning, creativiteit opwekken
- Je kunt er met verschillende tekstsoorten werken
- Ook andere vaardigheden betrekken en/of vakoverschrijdend
(geïntegreerd) werken
- De leerlingen ontwikkelen luister- en leesstrategieën
- Ze leren hypotheses vormen aan de hand van de kaft
2.2 DIDACTISCHE PRINCIPES
2.2.1 KEUZE VAN EEN PRENTENBOEK
Enkele criteria:
1) Esthetische dimensie: leerlingen worden geprikkeld door de tekeningen,
kleuren, de vormgeving
2) ‘Echt’ verhaal met ‘echte’ personages: de leerlingen kunnen zich
associëren met de personage uit het verhaal
3) Verhouding tekst/illustraties is niet 50/50: er zijn veel meer prenten
aanwezig dan tekst. De leerlingen kunnen via de prenten achterhalen wat
er in het verhaal gebeurd.
4) Formaat: groot genoeg + duidelijk zichtbare illustraties
5) De gebruikte woordenschat kan de courante woordenschat overstijgen
door gebruik van humoristisch of fantasierijk taalgebruik.
~3~