rechtspsychologie
Les 1: Introductie
Psychologie = studie van de geest en gedrag
Mensen zijn niet zo een goede waarnemers, ook al denken ze zelf soms van
wel.
De realiteit waarin we leven is zo complex dat we niet alles kunnen
waarnemen.
Twee fragmentjes
Fragment 1: Selective attention/ inattentional blindness => We focussen
ons op één ding.
Daardoor merken we andere dingen niet op, zelfs als ze duidelijk
zichtbaar zijn.
Bv.: Je kijkt naar een balspel en ziet niet dat iemand in een gorillapak
door het beeld loopt.
Fragment 2: Change blindness => We merken veranderingen in onze
omgeving vaak niet op.
Zelfs grote veranderingen kunnen onopgemerkt blijven als onze
aandacht even wordt afgeleid.
Dit zijn twee perceptuele vertekeningen die ook betekenen dat ons
geheugen niet feilloos is. In ons dagelijks leven hoeft dat niet altijd een
probleem te zijn, maar wanneer een getuige van een misdrijf informatie
aan de politiek verstrekt, kan dat (verregaande) negatieve gevolgen
hebben.
Een getuige kan dan onvolledige of foutieve informatie geven.
De politie kan daardoor verkeerde conclusies trekken.
Kan leiden tot foutieve beschuldigingen.
Wat betekent dit concreet voor dit vak?
Hoe mensen waarnemen en herinneringen construeren is het voorwerp
van studie van de psychologie.
Op deze inzichten wordt in de rechtspsychologie voortgebouwd wanneer
onderzocht wordt hoe betrouwbaar getuigen zijn.
Doel? Het opleidingsonderdeel is gericht op het verwerven van inzicht in
basisbegrippen ui psychologie en rechtspsychologie.
Kennisclip: Onderzoeksmethode in de psychologie
1. Wetenschappelijk onderzoek
Wetenschappelijk onderzoek: Wetenschappelijke methode maakt
psychologie een wetenschap.
Psychologie is een wetenschap omdat ze werkt met de wetenschappelijke
methode: Bv.: Systematisch observeren, gegevens verzamelen, testen en
controleren, ...
Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek vs. toegepast “” onderzoek
Fundamenteel onderzoek: Gericht op het verwerven van theoretische
kennis. Doel: begrijpen hoe iets werkt. Draagt bij tot het verwerven van
nieuwe inzichten over menselijk gedrag in de basis.
, Toegepast onderzoek: Gericht op het oplossen van concrete
problemen. Praktische toepassingen (bv. in justitie, onderwijs, kliniek).
Dat bepaalde bevindingen over mensen in een bepaalde context kan
toepassen.
Normatief vs. empirisch onderzoek
Normatief onderzoek: Gaat over hoe iets zou moeten zijn
Empirisch onderzoek: Gaat over hoe iets feitelijk is. Gebaseerd op
observatie en metingen.
Psychologisch onderzoek => Psychologisch onderzoek is empirisch
onderzoek.
Het bestudeert gedrag en mentale processen via observeerbare en
meetbare gegevens.
Voorbeelden van niet-empirische vragen:
=Gaan niet over feiten die je kan meten of observeren, maar over waarden,
normen en overtuigingen.
Ethische vragen => Mogen dieren of mensen gebruikt worden voor
medische proeven?
Morele vragen => Mag euthanasie uitgevoerd worden?
Existentiële of religieuze vragen => Wat is de zin van het leven? Bestaat
er een hogere macht?
Wetgeving => Wat moet als een misdrijf worden beschouwd? Welke
rechten moet een verdachte idealiter hebben? We zien hier ook
normatieve vragen in terug komen.
Onderzoeksmethoden van sociaal-wetenschappelijk onderzoek
Psychologisch onderzoek moet aan 2 centrale kwaliteitseisen voldoen
Betrouwbaarheid: Als je een meting herhaalt, krijg je dezelfde
resultaten (hypothetisch). Het gaat dus om consistentie van de meting.
o !!Let op: ander gebruik in het recht => In het recht betekent
“betrouwbaarheid” iets anders. Men bedoelt daar eigenlijk: Komt de
verklaring overeen met wat werkelijk gebeurd is? Dat is in
psychologische termen eigenlijk validiteit. Het juridisch equivalent
van psychologische betrouwbaarheid is dus consistentie.
o Deze eis is noodzakelijke voorwaarde voor de tweede kwaliteitseis.
Het is geen voldoende voorwaarde.
Validiteit (psychologie): Meet je wat je wilt meten? Is je conclusie
inhoudelijk juist? Het gaat over accuraatheid.
In de psychologie worden ideeën getoetst via de wetenschappelijke
methode.
Dat betekent: werken met objectieve observaties, metingen en
controleerbaar onderzoek. Conclusies moeten gebaseerd zijn op bewijs
(data).
Dit staat in tegenstelling tot pseudopsychologie => Steunt op meningen,
intuïtie of onbewezen aannames. Uitspraken zijn vaak niet controleerbaar
of niet falsifieerbaar.
Empirisch onderzoek
“Empirisch” = gebaseerd op waarneming en ervaring (empirie/
werkelijkheid).
, Gegevens worden verzameld en geanalyseerd. Resultaten moeten
controleerbaar zijn
De empirische cyclus => Wetenschappelijk onderzoek verloopt volgens
een vaste structuur:
Alles start dus met een duidelijke onderzoeksvraag. En deze moet sturing
geven aan het opzet van ons onderzoek. Hoe we ons onderzoek cocncreet
zullen uitvoeren.
2. Fenomeen en probleemstelling
Fenomeen => Het algemene onderwerp dat je wil bestuderen.
Bv.: Geheugen, agressie, stress, ooggetuigenverklaringen.
Probleemstelling binnen het fenomeen
Een concrete afbakening binnen dat fenomeen.
Je beschrijft en analyseert een specifieke problematiek.
Je legt uit wat precies het probleem is en waarom het relevant is.
Basis voor de onderzoeksvraag
Vanuit de probleemstelling formuleer je een duidelijke onderzoeksvraag.
Die onderzoeksvraag is nog concreter en onderzoekbaar.
Trechtervorm
Het proces verloopt van breed naar smal => Fenomeen (breed) ->
Probleemstelling (afgebakend probleem) -> Onderzoeksvraag (concreet
en toetsbaar).
3. Onderzoeksvraag
Wat? De probleemstelling omgezet in een concrete, onderzoekbare vraag.
Onderzoeksvraag moet voldoen aan een aantal voorwaarden.
Het is de vraag waarop je met wetenschappelijk onderzoek een antwoord
wil vinden.
Kenmerken van een goede onderzoeksvraag
Relevant: Maatschappelijk of wetenschappelijk van belang.
Haalbaar: Uitvoerbaar binnen tijd, middelen en context, het moet
haalbaar zijn.
Interessant: Draagt iets bij aan kennis of inzicht. Iets dat nog niet
onderzocht is, of veelvuldig gewoon.
Rol van de onderzoeksvraag
De onderzoeksvraag stuurt het hele onderzoek: Type onderzoek (bv.
experimenteel, observationeel), onderzoeksdesign,
dataverzamelingsmethode (bv. experiment, vragenlijst, observatie).
4. Soort onderzoek, doelen, hypotheses
Soort onderzoek
Beschrijvend => Beschrijft een situatie of fenomeen
Explorerend => Onderzoekt onbekende aspecten of nieuwe vragen
Verklarend => Probeert oorzaken en relaties te achterhalen
Evaluerend => Beoordeelt effectiviteit van een interventie of programma.
Bv.: Evalueren van bepaalde nieuwe wetten of ze effectief hun doel
bereiken.
Theorie
Theorie = een verklaring of raamwerk dat gedrag of verschijnselen helpt
begrijpen
, Twee benaderingen:
Deductief: Start met een bestaande theorie en test deze op data. Dat
we in de praktijk die theorie gaan toetsen. Dus die theorie stuurt ons
onderzoek.
Inductief: Begin bij observaties en bouwt een nieuwe theorie. Vanuit de
praktijk willen we kijken om een theorie te ontwikkelen.
Doelen versus hypotheses
Doelen: Wat je wilt bereiken of ontdekken met je onderzoek (breed)
Hypotheses: Concrete, toetsbare verwachtingen over wat je denkt dat
gaat gebeuren
Concepten (onderzoeksvraag/ hypotheses):
Conceptualiseren => Een conceptueel kader geven aan een begrip.
Bv.: Stress” definiëren als psychologische spanning door werkdruk.
Dit is de theoretische of conceptuele definitie.
Operationaliseren => Het concept meetbaar maken in de praktijk.
Je vertaalt het naar variabelen en meetinstrumenten. Je moet ze
meetbaar maken.
Bv.: Stress meten via vragenlijst met schaal van 1 tot 10 of
cortisolwaarden in speeksel.
Dit is de operationele definitie.
5. Benadering
Kwantitatief
Focus: Groot aantal respondenten en variabelen.
Doel: Patronen, verbanden en trends aan oppv. Ontdekken. We zijn
beperkt in de mate van diepgang. Dus het is een bevraging eerder aan het
oppervlak.
Kwalitatief
Focus: Klein aantal respondenten of variabelen.
Doel: Diepgaand begrip van ervaringen, meningen of motivaties. Hier
meer in de diepte gaan onderzoeken.
6. Design
Wat is het? De blauwdruk van je onderzoek: hoe je stappen plant om je
onderzoeksvraag te beantwoorden.
Veelgebruikte designs in psychologie
Experiment: Variabelen manipuleren om oorzaak-gevolg te testen
Survey: Vragenlijst of interview om meningen/ervaringen te verzamelen
Gevalsstudie (case study): Diepgaande analyse van één persoon of
situatie
Correlationeel design: Verbanden tussen variabelen onderzoeken zonder
manipulatie
Observatie-onderzoek: Gedrag of situaties systematisch observeren
6.1 Experiment
Doel: Is een onderzoeksdesign dat wordt gebruikt om oorzakelijke relaties te
onderzoeken.
Het gaat erom te zien of een verandering in één variabele (de
onafhankelijke variabele) een effect heeft op een andere variabele (de
afhankelijke variabele).