De Globale Economie
Overzicht van alle formules
Deel 1 — Hoofdstukken 16 t/m 21
Formules · legendes · use cases · varianten · voorbeelden
Pagina 1 van 25
, De Globale Economie — formuleoverzicht (Deel 1: H16-H21)
Hoe dit document te gebruiken
Dit document bundelt systematisch elke formule uit de slides van H16 t/m H30. Deel 1 bestrijkt H16–H21;
Deel 2 bestrijkt H22–H30 plus de cheatsheet. Voor elke formule vind je:
• De formule in correcte notatie (lichtblauwe box) — met echte subscripts, superscripts en breuken
met horizontale delingsstreep.
• Legende: betekenis van elke variabele/parameter.
• Use case / context: wanneer en waarom de formule wordt gebruikt.
• Waar relevant: varianten, afleidingen en numerieke voorbeelden.
Pagina 2 van 25
, De Globale Economie — formuleoverzicht (Deel 1: H16-H21)
H16 — Macro-economische analyse
Inleidend hoofdstuk dat het kader schetst voor alle volgende hoofdstukken. De twee centrale formules
vatten de economische kringloop (BBP) en de wisselwerking tussen geld en goederen (Fisher) samen.
16.1 — BBP als som van toegevoegde waarden (productiebenadering)
P · Q = Σi pi · qi = p1 q1 + p2 q2 + … + pN qN
Legende:
• P · Q = totale (macro-)waarde van de geproduceerde finale goederen en diensten.
• pi = prijs van goed/dienst i (microniveau).
• qi = hoeveelheid van goed/dienst i.
• N = aantal goederen/diensten in de economie.
Use case / context:
• Brug van micro- naar macro-economie: aggregaat P·Q in plaats van individuele (p i, qi).
• Onderbouwt de inkomenszijde van de kringloop: P·Q = lonen + interest + winst.
16.1.2 — Identiteit van Fisher (kwantiteitstheorie van geld)
M·V = P·Q
Legende:
• M = geldhoeveelheid in omloop.
• V = omloopsnelheid van geld (hoe vaak een euro per jaar van eigenaar wisselt).
• P = algemeen prijsniveau.
• Q = reëel BBP (volume).
Use case / context:
• Identiteit (per definitie waar): beide kringlopen (geld vs. goederen) weerspiegelen dezelfde
realiteit.
• Kernintuïtie: ontregeling van geldstroom kan reële effecten hebben (geld is niet neutraal op KT).
Varianten & afleidingen:
• Op groeivoeten: ĝM + ĝV = π + ĝQ
• Bij constante V en geen reële groei: π = ĝ M ('Inflation is always and everywhere a monetary
phenomenon' — Friedman).
Pagina 3 van 25
, De Globale Economie — formuleoverzicht (Deel 1: H16-H21)
H17 — De nationale rekeningen
Drie 'zijden van dezelfde medaille' voor het BBP, plus de overgang naar nationaal beschikbaar inkomen en
de balansvergelijking sparen/investeren in een open economie.
17.2 — De drie benaderingen van het BBP (gelijkheid)
BBPprod = BBPink = BBPbest
Legende:
• BBPprod = som van bruto toegevoegde waarden (productiebenadering).
• BBPink = som van factorinkomens + netto indirecte belastingen (inkomensbenadering).
• BBPbest = som van bestedingen op finale goederen (bestedingsbenadering).
Use case / context:
• Per definitie moeten de drie wegen hetzelfde getal opleveren — een statistische discrepantie
wordt apart geboekt.
17.2.5 — Bestedingsbenadering van het BBP
BBPbest = C + G + I + X − Z
Legende:
• C = private consumptie van gezinnen.
• G = consumptie van de overheid.
• I = bruto investeringen.
• X = export.
• Z = import.
• X − Z = netto-export.
Use case / context:
• Volgt de 'besteding' van de productie naar de verschillende eindgebruikers.
• Vertrekpunt voor de Keynesiaanse vraagzijde-analyse in H24.
17.2.5 — Netto-investeringen & netto binnenlands product
Inetto = I − Dep → NBP = BBP − Dep = C + G + Inetto + X − Z
Legende:
• Inetto = uitbreidingsinvesteringen (echte toename kapitaalvoorraad).
• Dep = depreciatie / afschrijvingen.
• NBP = netto binnenlands product.
Use case / context:
• Verfijning van het BBP-begrip: enkel netto-investeringen verhogen écht de productiecapaciteit.
17.4 — Van BBP naar BNI (nationaal inkomen)
BNI = BBP + NFIB met NFIB = FIBin − FIBuit
Legende:
• BNI = bruto nationaal inkomen (inkomen van 'Belgen', ongeacht waar verdiend).
• NFIB = netto factorinkomens uit het buitenland.
Pagina 4 van 25
, De Globale Economie — formuleoverzicht (Deel 1: H16-H21)
• FIBin = factorinkomens die instromen (bv. dividenden van Belgen op buitenlandse aandelen).
• FIBuit = factorinkomens die uitstromen.
Use case / context:
• Overgang van 'territoriaal' naar 'nationaal' begrip.
• Luxemburg, Ierland: BBP ≫ BNI (veel buitenlandse multinationals); Zwitserland: BNI > BBP.
17.4 — Van BNI naar NNBI (netto nationaal beschikbaar inkomen)
NNI = BNI − Dep en NNBI = NNI + NTRA = BBP + NFIB − Dep + NTRA
Legende:
• NNI = netto nationaal inkomen.
• NTRA = netto inkomenstransfers uit het buitenland (ontwikkelingshulp, EU-bijdragen,
migrantenremittances…). Géén factorinkomens.
• NNBI = inkomen waarover een natie écht kan beschikken.
Use case / context:
• Het 'meest volledige' welvaartsaggregaat binnen de nationale rekeningen.
17..12 — NNBI, binnenlandse vraag en lopende rekening
NNBI = C + G + Inetto + LR ⟺ LR = NNBI − (C + G + Inetto)
Legende:
• LR = saldo lopende rekening = (X − Z) + NFIB + NTRA.
• C + G + Inetto = netto binnenlandse vraag (netto absorptie).
Use case / context:
• Deficit op LR (NNBI < binnenlandse vraag): land 'leeft boven zijn stand'.
• Surplus op LR: opbouw van vorderingen op buitenland.
• Som van alle LR-saldi wereldwijd = 0 ('global imbalances': China/Duitsland vs. VS/VK).
17.5 — Sparen en investeren in een open economie
S = NNBI − C − G = Inetto + LR en S = Spri + Spub
Spri = (NNBI − C − T) ; Spub = (T − G)
Inetto = Spri + Spub − LR = Spri + Spub + Sbui
Legende:
• S = nationaal sparen.
• Spri = privaat sparen.
• Spub = overheidssparen; tekort D = −Spub.
• T = netto belastingen.
• LR = saldo lopende rekening.
• Sbui = − LR = sparen door het buitenland (wat het buitenland leent als LR < 0).
Use case / context:
• 'Twin deficits': groot overheidstekort gaat vaak gepaard met LR-tekort.
• Belgische private sparen financiert: netto-investeringen + overheidstekort + beleggingen in
buitenland.
Pagina 5 van 25