BIJZONDERE CONTRACTEN
Overeenkomst = contract (voorkeur van de wetgever in boek 5). Meerzijdige ovk = wilsovereenstemming
van de partijen: partijen moeten samen beslissen om een contract te sluiten + uitwerken wat je samen
overeenkomt. Als partijen tijd verliezen met courante contracten dan is dit niet efficiënt, dus we hebben
een default set van regels gemaakt voor deze contracten. Deze zijn van aanvullend recht. Ze vertrekken
vanuit een set regels en gaan dan kijken of er nog bijkomende regels moeten zijn of aanpassen? =
aanvullende afspraken
- ART. 5.3 + 5.14 BW met de aanvullende werking
- Bijzondere overeenkomsten is een toepassing van verbintenissenrechten.
- Benoemde contracten = default ligt al klaar en je kan er vanafwijken (=aanvullende recht). Deze
vinden we in het oud BW.
- Bv: als je een wagen koop is dit 1 blad papier als contract.
Nieuw BW
Boek 1: Algemene bepalingen (1/1/23) In randnummers: over
Boek 3. Goederen (1/9/21) Weens koopverdrag en
Boek 5. Verbintenissen (1/1/23) boek 7 niet te kennen
Boek 6. BCA (1/1/25)
Boek 7. Bijzondere contracten (in voorbereiding)
Boek 8. Bewijs
Boek 9. Zekerheden
INWERKINGTREDING
- Wet van 28/4/22 => Inwerkingtreding 1/1/23 => boek van toepassing na inwerkingtreding
O Boek 1: ART 3-5
o Boek 5: ART 64-65
- Eerbiedigende werking
o Tenzij partijen anders overeenkomen
o Boek 1 en 5 enkel van toepassing op rechtshandelingen en rechtsfeiten na 1/1/23
o Niet:
Toekomstige gevolgen RH + Rsfeiten die dateren van voor 1/1/23 => hiervoor geldt
dan het oude BW
RH + Rsfeiten mbt verbintis uit RH/Rsfeit van voor 1/1/23
Oude BW => moeten we niet kennen: we gaan steeds uit van boeken 1 en 5 BW: zelfs als een casus op het
examen over 2020 zou gaan mag je het nieuwe BW toepassen.
NIEUW BOEK 7 BW
Enkel kennen wat veranderd voor de
- Wetsvoorstel 16 april 2024 (DOC 55 3973)
3 grote koningen!
- Wetsvoorstel 20 februari 2025 (DOC 56 0743)
- Krachtlijnen
o Herstructurering en integratie (met titels, zie hieronder)
o Coherentie tussen de contracten
Bv: verborden gebrek bij koop dan gelden er andere
, o Vereenvoudiging
- Titel 1: statuut en definities
- Titel 2: koop en ruil
- Titel 3: huur en bruiklening
- Titel 4: dienstencontracten (met aanneming)
- Titel 5: lening (aparte wet)
- Titel 6: kanscontracten (met bv. lijfrente)
- Titel 7: contracten mbt geschil (dading en sekwester)
SOORTEN CONTRACTEN
- Benoemde contracten
o = contracten waarvoor een specifieke wettelijke regeling is voozien
o Staat het daar niet in dan subsidiair kijken naar overeenkomst: contractenrecht (ART. 5.71
BW)
Wettelijke set regels + afwijkingen in contract: het is van aanvullend recht (voor
zover niet dwingend recht)
Kan in het BW of in een specifieke wet
o ART. 5.13: als er niets anders geldt dan is er aanvullende werking van het gemene
verbintenissenrecht
Ondergeschikt van toepassing op huur, koop (zoals wilsgebreken, totstandkoming
ovk)
- Onbenoemde contracten/sui generis
o Contract zelf => er is geen default/wettelijke set: kijken naar wat partijen overeenkomen
aan de hand van de wilsautonomie (ART. 5.3 EN 5.14 BW)
Onbenoemde overeenkomsten in de enge zin = alle overeenkomsten die niet aan
een specifieke wettelijke regeling onderworpen zijn. Bv: franchisingovereenkomst,
verhuiscontract…
Onbenoemde overeenkomsten in de ruime zin = alle overeenkomsten die niet
uitdrukkelijk in het BW zijn geregeld. Bv: verzekerings- of arbeidsovereenkomst:
wordt geregeld in bijzondere wet
o Rekening houden met gemene verbintenissen & contractenrecht (ART. 5.71 BW)
Wanneer er lacunes op te vullen zijn
Open systeem: je kan buiten de lijntjes van de benoemde contracten treden. Want
er is aanvullende werking. Bv: leasing, galerijcontract, …
o Regels benoemd contract per analogie
Bv: leasing: wagen gebruiken voor 4-5 jaar: lijkt op huur => in ondergeschikte orde
kan naar analogie toepassing gemaakt worden van regels van benoemde
contracten
- Gemengde contracten (5.67 BW)
o = een overeenkomst die typische kenmerken van 2 of meer benoemde overeenkomsten
vertoont, maar die toch een juridische eenheid vormt
o Bv: aannemer komt op jouw stuk grond bouwen: diensten en prestaties geleverd (=
aanneming) en deze levert ook goederen: stenen (= koop).
=> 3 soorten;
2
, o Onbenoemd/sui generis theorie
Na contracten te mixen is er geen duidelijk benoemd contract meer => we hebben
onbenoemde contracten
o Combinatietheorie (of cummulatietheorie)
We hebben 2 duidelijke onderdelen, dan kunnen we cummuleren: we passen op
beide (aanneming/koop) de eigen set van regels toe
Dit is het uitgangspunt tenzij er een dominant element is (ART. 5.67 BW)
o Absorptieleer
Als één van de onderdelen dominant is, zal dit de kwalificatie bepalen: het
absorbeert het ondergeschikte. We passen dit contracttype toe.
Bv: aannemer die komt bouwen: het huis wordt gebouwd is de hoofdprestatie:
werken met het materiaal. Het aankopen van het materiaal is bijkomend. Dus we
zullen het aannemingscontract toepassen.
Absorptie = we passen de hoofdregels op alles toe, TENZIJ de regels niet
alles regelen: dan kunnen we de combinatietheorie toch toepassen op die
bepaalde regels.
Uitgangspunt is de de combinatietheorie. Maar niet altijd evident.
Stel je verkoopt je huis, dan kan je beroep doen op een makelaar, die levert prestaties en helpt
om een koper te vinden, je kan ook een vertegenwoordigingsbevoegdheid geven aan de
makelaar, dan is dat een lastgeving, maar dat is ondergeschikt => dominant component is
aanneming, maar er is ook een vertegenwoodiging voor het sluiten van het contract. Binnen
apsorptietheorie moeten we soms combinatietheorie toepassen.
OVERZICHT
- Deel I: contracten mbt overdracht eigendom
o Koop (+ruil) = het centrale contract inzake overdracht van goederen
o Kanscontracten
Bv: ik betaal zolang de verkoper leeft. Het is een kanscontract.
- Deel II: contracten mbt gebruik & genot van een goed
o Huur
o Lening
- Deel III: dienstencontracten (prestaties van 1 van de partijen)
o Aanneming
o Bewaargeving
o Lastgeving
- Deel IV: vaststellingscontracten (dading)
o Contracten om een onzekerheid/ geschil te beslechten
Belangrijkste contracten zijn (3 koningen): koop, huur en aanneming
o Je krijgt op het examen een examenvraag over elk van deze 3.
5 kroonprinsen: kanscontract, lening, bewaargeving, lastgeving en dading
BESCHERMING ZWAKKE CONTRACTSPARTIJ (CONSUMENTENBESCHERMING)
- Wilsautonomie (cf 5.3 EN 5.14 BW) en sociale welvaartmaatschappij
o In verschillende feitelijke situaties kan niet iedereen zich op eenzelfde manier gedragen.
Bv: huur; ene partij staat zwakker tegenover de sterkere partij.
3
, o Bijgevolg socialisering: evolutie naar de sociale welvaartmaatschappij => bescherming
zwakkere contractspartij door dwingende regelgeving
- Consumentenrecht sensu lato: er is een feitelijke ongelijkheid tussen partijen => wetgeving krijgt
een beschermende reflex voor de zwakkere contractspartij:
o Sensu lato = geldt voor alle zwakke contractspartijen, ongeacht of men professioneel is of
niet. Zie handelshuur; dit is in een B2B-verhouding.
o Door dwingend rechtelijke bepalingen waar partijen niet van kunnen afwijken: ter
bescherming van de zwakkere of zwak geachte partij
Zie bijzondere huurregimes: handelshuur, pacht, wet breyne
o Door gemeenrechtelijke bescherming: belang van de zorgvuldigheidsnorm: goede trouw
(ART. 5.71), contractuele en precontractuele infoplicht; gekwalificeerde
benadeling/misbruik omstandigheden 5.37 BW enz.
- Consumentenrecht sensu stricto
o Bescherming van consument en niet-professionele natuurlijke personen (ENKEL B2C)
o Ontstaan onder invloed van Europa: vanuit vrije markt (eengemaakte markt)
Zie; WER en wet consumentenkoop
o Afdwingbaarheidsparadox
Consumentenrecht is een dwingende materie, de bepalingen zijn van dwingend
recht => rechter kan deze abmtshalve inroepen.
In geval van nietigheid valt men niet terug op gemene recht
Bv: schadebeding in een contract: als er iets misloopt moet men een forfetaire
schadevergoeding betalen. Schadeclaim moet steeds wederkerig zijn (zowel voor
onderneming als consument). Je kan best alles in je contract opgenomen want het
is van dwingend recht dus het ergste dat er kan gebeuren is dat het vernietigd
wordt door de rechter.
MAAR het HVJ heeft gesteld dat als je onrechtmatige of nietige bedingen (bv:
overdreven schadebeding) opneemt dan raakt u de onderliggende rechten ook
kwijt. Dus dan krijgt u geen schadevergoeding ondanks dat u weldegelijk schade
leed.
Sterke afdwingbare regeling maar tegelijk heb je in de praktijk weinig kans om je
daarop te beroepen. Bv: je koopt een trui en er zit een gaatje in. Als de verkoper
zegt dat hij niets gaat doen, ga je dan naar de rechter? Als je zou winnen heb je
vaak veel meer uitgegeven dan de trui koste. Je kan de consumentenbescherming
dus pas afdwingen wanneer het om voldoende dure dingen gaat.
Boek VI WER marktpraktijken en consumentenbescherming: bij consumentenrecht sensu strico – is
dwingende wet dus toepassingsgebied bekijken:
- ART I.1 WER (algemeen)
o Consument (ART. I.1, 2° WER)
Natuurlijke persoon buiten handels/bedrijf/ambacht/beroepsactiviteit
NP moet buiten professionele hoedanigheid handelen
Gemengd gebruik: gsm voor beroepsaciviteit, maar gebruik het ook voor
privé. Wanneer het niet-professionele determinerend is, is het een
consument.
Dus GEEN rechtspersoon
4