Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 98 pagina's
Samenvatting

Samenvatting Studiemateriaal Fysiologie | Moleculen & Lichaamsvocht | Hogeschool Gent | 2025/26

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 98 pagina's

Dit studiemateriaal voor het vak Fysiologie behandelt de fundamentele concepten van moleculaire biologie en lichaamsfysiologie. De aantekeningen dekken atomen, chemische bindingen, watermoleculen, lichaamscompartimenten en de hormonale regulatie van vocht- en elektrolytenbalans tijdens inspanning, inclusief de rol van ADH, aldosteron en het renine-angiotensinesysteem. Deze gestructureerde samenvatting is uitstekend voor examenvoorbereiding en helpt je snel de kernconcepten van dit complexe onderwerp onder de knie te krijgen.

Voorbeeld van de inhoud

FYSIOLOGIE

1. Moleculen
1.1. Atomen en chemische bindingen
1.1.1. Atomen
= kleinste chemische element.
Bestaat uit: kern (protonen + en neuronen) + schillen rond
de kern (elektronen -).
Evenveel protonen als elektronen in een atoom.
Elektronen op buitenste schil = valentie- elektronen
Menselijk lichaam: waterstof, koolstof, zuurstof en stikstof
Atoom krijgt een atoomnummer, bepaald door het aantal
protonen dat rond de kern aanwezig is.
Waterstofatoom: 1 proton (+) en 1 elektron (-) à
atoomnummer 1
Zuurstofatoom: 8 protonen, 8 neutronen en 8 elektronen à
atoomnummer 8

1.1.2. Chemische bindingen
Moleculen = verschillende atomen
Via chemische binding: streven naar 8 valentie-elektronen
 Ontstaat door aantrekkende kracht tussen 2 of meer
atomen
 Edelgassen: hebben een gevulde buitenste schil
Belangrijke moleculen: water, eiwitten, koolhydraten,
vetten en energierijke fosfaten.
Verschillende soorten bindingen:
- Covalente binding
= Het delen van valentie-elektronen
 Identieke atomen: sterkste binding omdat elektronen
evenredig gedeeld worden. à apolaire covalente
binding
 Verschillende atomen: ontstaan van onevenwicht in
elektrische lading. à polaire covalente binding
- Ionenbinding
= 1 of meerdere valentie-elektronen volledig
overgedragen naar ander atoom. Er worden geen
elektronen gedeeld, zoals bij covalente binding.
Atomen verliezen: positief geladen
Atomen verkrijgen: negatief geladen
Atomen krijgen een positieve of negatieve lading à ionen
Zijn zwakke bindingen waardoor ze makkelijker
gescheiden kunnen worden in contact met water.

, - Waterstofbrug
= bij bindingen tussen verschillende soorten atomen
trekt zuurstof harder aan het elektronenpaar. Daardoor
zitten gemeenschappelijke elektronenparen dichter bij
het zuurstofatoom.
Zuurstofatoom: beetje negatief
Waterstofatoom: beetje positief
 Positief en negatief trekken elkaar aan = waterstofbrug

1.2. Water
1.2.1. Bouw
H2O à 2 waterstofatomen en 1 zuurstofatoom, het
zuurstofatoom heeft een gemeenschappelijk
elektronenpaar met allebei de waterstofatomen. à polair
covalente binding

1.2.2. Verdeling in het lichaam
- Lichaamssamenstelling: 55 à 60% water, mannen meer
dan vrouwen.
- Verdeling lichaamscompartimenten:
Lichaamsvocht:
o Intracellulair: 60% lichaamswater
o Extracellulair: 40% à interstitieel à intravasculair à
transcellulair
 Intracellulair: het water dat zich in de cel bevindt
 Extracellulair: het water dat zich uit de cel bevindt
o Interstitieel vocht: laagje vocht verbonden met
lichaamscellen.
o Intravasculair vocht: water dat zich in de
bloedbanen bevindt.
o Transcellulair vocht: andere lichaamsholtes
(brein, ogen, organen)

1.2.3. Functies
- Bouwstof:
60% vindt men terug in de cellen. Water vormt met
andere stoffen het cytoplasma.
- Transportmiddel:
Binnen de cellen: Vervoer van voedingsstoffen via bloed-
en lymfebanen naar weefsels en cellen in het lichaam.

, Buiten de cellen: voedingstoffen naar cellen en
afvalstoffen naar het bloed.
- Warmteregulator
Te hoge warmteproductie: afgifte van water via
verdamping langs het huidoppervlak (zweten) en adem.
Water warmt zeer traag op, zorgt dat we niet te snel in
te hoge temperaturen gaan.
- Oplosmiddel
Water leent zich tot de vorming van:
 Oplossingen (diffusie): thee, de concentratie van thee
is overal gelijk.
 Emulsies: stoffen die niet oplossen in water.
 Suspensies: grotere deeltjes die te zwaar zijn en naar
de bodem zakken, dus deels oplosbaar.
- Oplosbaarheid in water
Als een andere vloeistof zich mengt met water moeten
de watermoleculen loslaten à waterstofbruggen
verbreken.
Kan alleen als er met de moleculen van de andere stof
opnieuw waterstofbruggen gevormd kunnen worden.
Alleen de stoffen die dat kunnen, zullen oplossen in
water. à hydrofiele/ polaire/lipofobe stoffen
Niet oplossen in water à hydrofobe/ apolaire/ lipofiele
stoffen



1.3. Eiwitten
1.3.1. Bouw
= een reeks aminozuren.
Elk aminozuur bestaat uit een aminogroep, carboxylgroep,
variabele restgroep.
Aan elkaar gebonden door peptidebindinging.
 Meerdere aminozuren met elkaar gebonden: dipeptiden,
tripeptiden, tetrapeptiden, polypeptiden (meer dan 10).
 Meer dan 100 aminozuren: een eiwit

Lichaam kan niet alle aminozuren aanmaken, maar moeten
via voeding door het lichaam worden opgenomen. à
essentiële aminozuren (8)

Structuurniveaus:
1. Primaire structuur: beschrijft de lineaire opvolging van
aminozuren

, 2. Secundaire structuur: keten gaat zich lokaal plooien door
waterstofbruggen. Spiraal of vlak.
3. Tertiaire structuur: hele keten vouwt zich in 3D vorm
4. Quaternaire structuur: meerdere eiwitketens gaan
samenwerken
1.3.2. Functies
Eiwitten spelen een rol in de meest biologische functies. De
biologische eigenschappen worden bepaald door:
- De aard van de aminozuren
- De volgorde van aminozuren in de polypeptideketen
(primaire structuur)
- De schikking van de aminozuren ten opzichte van elkaar
(secundaire, tertiaire en quaternaire structuur)

1. Enzymen
 eiwitten die zorgen voor het versnellen van chemische
reacties in het lichaam. (biokatalysatoren) Hebben geen
invloed op de richting van de reactie.
2. Structuureiwitten
 dragen bij tot de structuur van verschillende weefsels.
Aanwezig in nagels (keratine) en huid (collageen).
3. Stapelingseitwitten
 bergplaats voor aminozuren of voor ijzer
4. Transporteiwitten
 bindt slecht oplosbare stoffen om hen te transporteren
en ergens anders te binden. Sucrose door sucrase in
glucose en fructose
5. Contractiele eiwitten
 actine en myosine zorgen voor het contraheren van de
spier
6. Antistoffen/ antilichaam/ immunoglobuline
 speelt een belangrijke rol in de afweer tegen
lichaamsvreemde stoffen.
7. Toxines
 sommigen vervullen de functie van een giftige stof
8. Hormonen
 Chemische stoffen die aangemaakt worden door
organen. Via de bloedbaan worden ze naar andere
organen getransporteerd om bepaalde reacties aan de
gang te zetten.

1.3.3. Denaturatie

Documentinformatie

Geüpload op
19 mei 2026
Aantal pagina's
98
Geschreven in
2025/2026
Type
Samenvatting
€7,16

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Verkocht
1
Volgers
0
Items
1
Laatst verkocht
3 maanden geleden


Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen