Ontwikkelingspsychologie
Hoorcollege 2
DEEL 3: de peuter en kleutertijd
H8: de fysieke ontwikkeling in de peuter- en kleutertijd
8 . 1 Fy s i e k e g r o e i
HET GROEIENDE LICHAAM
Individuele verschillen in lengte en gewicht: jongens en meisjes, economisch
ontwikkelde landen: sterke groei
Veranderingen in lichaamsvorm en – verhoudingen:
- Peuter: mollige, ronde vormen
- Kleuter: slanker, meer spieren, stevige botten, proportie
- Grotere individuele ≠ in lengte en gewicht
DE GROEIENDE HERSENEN
- Hersenen groeien het snelst (vnl. corpus callosum= verbindt 2
hersenhelften)
- Celgroei ↑: verbindingen tussen neuronen (synapsverbindingen)
- Myeline ↑: overdracht zenuwsignalen
- Gevolg:
Snelle ontwikkeling van vaardigheden
groeispurts
- Lateralisatie: hersenhelften steeds gedifferentieerder en
gespecialiseerder, bepaalde functies vinden hun plek eerder in ene
hersenhelft dan in andere.
L: verbale competenties: praten, lezen, denken, …
o 1 stukje info tegelijk
R: non-verbale competenties: herkenning patronen, ruimtelijk
inzicht, …
o Verwerkt informatie als geheel
Werken in meeste opzichten samen en zijn afhankelijk van elkaar
- Plasticiteit
- Individuele verschillen
H E T V E R B A N D T U S S E N G R O E I VA N D E H E R S E N E N E N C O G N I T I E V E
ONTWIKKELING
Link tussen hersengroei en cognitieve ontwikkeling + Myeline!
Vraag? In hoeverre hersenontwikkeling leidt tot cognitieve vooruitgang en in
hoeverre verbetering van cognitieve vaardigheden juiste basis vormt voor
verdere Hersenontwikkeling.
1
, D E O N T W I K K E L I N G VA N D E Z I N T U I G E N
Zicht
- Betere beheersing oogbewegingen
- Nog moeite met scherpstellen en scannen (bv. groepen letters)
- Nog geen perceptuele schematisering: zien enkel de delen en niet het
geheel
- Waarneming nauwkeuriger en efficiënter (bv. legpuzzels)
- Steeds meer oog voor details (bv. tekeningen)
Gehoor
- Scherper, maar nog moeite met onderscheid figuur-achtergrondgeluiden
- Gevolg: snel afgeleid
8 . 2 M otori s ch e on twi k kel in g
DE GROVE MOTORIEK
- Peuter
hoog activiteitniveau: verschil hierin door temperament, genetisch
en omgevingsfactoren)
vlot leren stappen en vervolgens lopen: eerst stabiliteit onder de
knie krijgen
bewegingen geleidelijk geautomatiseerd
gecombineerd met andere activiteiten (bv. speelgoed vooruitduwen)
3j: ingewikkelde bewegingen (rennen, springen, op tenen staan, klimmen,…)
- Kleuter
volwassen manier van stappen
betere evenwichtsbeheersing (op 1 been, koprol,...)
betere coördinatie onderste en bovenste ledematen (bal opvangen)
meer spiercontrole
grote individuele ≠ tussen kinderen, maar ook sekse≠
o Jongens gem. sterker, meisjes beter in coördinatie
armen/benen
o Sociale factoren
DE FIJNE MOTORIEK
- Peuter
2
Hoorcollege 2
DEEL 3: de peuter en kleutertijd
H8: de fysieke ontwikkeling in de peuter- en kleutertijd
8 . 1 Fy s i e k e g r o e i
HET GROEIENDE LICHAAM
Individuele verschillen in lengte en gewicht: jongens en meisjes, economisch
ontwikkelde landen: sterke groei
Veranderingen in lichaamsvorm en – verhoudingen:
- Peuter: mollige, ronde vormen
- Kleuter: slanker, meer spieren, stevige botten, proportie
- Grotere individuele ≠ in lengte en gewicht
DE GROEIENDE HERSENEN
- Hersenen groeien het snelst (vnl. corpus callosum= verbindt 2
hersenhelften)
- Celgroei ↑: verbindingen tussen neuronen (synapsverbindingen)
- Myeline ↑: overdracht zenuwsignalen
- Gevolg:
Snelle ontwikkeling van vaardigheden
groeispurts
- Lateralisatie: hersenhelften steeds gedifferentieerder en
gespecialiseerder, bepaalde functies vinden hun plek eerder in ene
hersenhelft dan in andere.
L: verbale competenties: praten, lezen, denken, …
o 1 stukje info tegelijk
R: non-verbale competenties: herkenning patronen, ruimtelijk
inzicht, …
o Verwerkt informatie als geheel
Werken in meeste opzichten samen en zijn afhankelijk van elkaar
- Plasticiteit
- Individuele verschillen
H E T V E R B A N D T U S S E N G R O E I VA N D E H E R S E N E N E N C O G N I T I E V E
ONTWIKKELING
Link tussen hersengroei en cognitieve ontwikkeling + Myeline!
Vraag? In hoeverre hersenontwikkeling leidt tot cognitieve vooruitgang en in
hoeverre verbetering van cognitieve vaardigheden juiste basis vormt voor
verdere Hersenontwikkeling.
1
, D E O N T W I K K E L I N G VA N D E Z I N T U I G E N
Zicht
- Betere beheersing oogbewegingen
- Nog moeite met scherpstellen en scannen (bv. groepen letters)
- Nog geen perceptuele schematisering: zien enkel de delen en niet het
geheel
- Waarneming nauwkeuriger en efficiënter (bv. legpuzzels)
- Steeds meer oog voor details (bv. tekeningen)
Gehoor
- Scherper, maar nog moeite met onderscheid figuur-achtergrondgeluiden
- Gevolg: snel afgeleid
8 . 2 M otori s ch e on twi k kel in g
DE GROVE MOTORIEK
- Peuter
hoog activiteitniveau: verschil hierin door temperament, genetisch
en omgevingsfactoren)
vlot leren stappen en vervolgens lopen: eerst stabiliteit onder de
knie krijgen
bewegingen geleidelijk geautomatiseerd
gecombineerd met andere activiteiten (bv. speelgoed vooruitduwen)
3j: ingewikkelde bewegingen (rennen, springen, op tenen staan, klimmen,…)
- Kleuter
volwassen manier van stappen
betere evenwichtsbeheersing (op 1 been, koprol,...)
betere coördinatie onderste en bovenste ledematen (bal opvangen)
meer spiercontrole
grote individuele ≠ tussen kinderen, maar ook sekse≠
o Jongens gem. sterker, meisjes beter in coördinatie
armen/benen
o Sociale factoren
DE FIJNE MOTORIEK
- Peuter
2