ARTHROPODA
INSECTEN
ALGEMENE KERNMERKEN
• Bilateraal symmetrisch
• Gesegmenteerd lichaam + tagmosis
o hoofd-thorax-abdomen
o cephalothorax-abdomen
• Gelede ledematen
• Appendices vaak gemodifieerd voor bepaalde taken
• Exoskelet dat slechts door vervelling (ecdysis) groei toelaat
• meestal chitineus, soms versterkt met calciet (CaCO 3 ) of
apatiet(CaPO 4 ) → Exuviae
chitine niet goed bewaard, calciet wel
Behalve trilobieten, ostracoden, decapoden: verarmde fossiele inventaris
EVOLUTIONAIR SUCCESPM
= meest diverse en talrijke dieren sinds cambrium: waarom?
• Extern, meerlagig skelet: bescherming tegen predatoren, UV straling, en ander onheil.
• Exoskelet = aanhechtingsplaats voor spieren → snelle bewegingen
• Hoge reproductie snelheid
• Snelle evolutie: snelle adaptatie naar open eco-niches en in antwoord op veranderende
omgevingsfactoren
FOSSIELE RECORD
Meestal: arm fossiele inventaris (chitineus exoskelet = laag bewaringspotentieel versterkt
met calciet/apatiet)
Uitzonderlijke bewaring in Lagerstätten:
• Cambrium: Burgess Shale; Chengjiang;Emu Bay; Sirius Pass; Weeks Fm ...
• Ordovicium: Fezouata
• Carboon: Mazon Creek (Illinois).
• Jura: Solnhofen
• Eoceen: Green River & Florissant (Utah-Colorado); Baltisch Amber
FYLOGENIE
Wat men vroeger dacht nu
Dichts verwant met polychaete anneliden Dichter verwant met ongesegmenteerde wormen
(gesegmenteerde wormen)
➔ Segmentering, appendices aan
segementen, gelijke embryonale ontw
1
, segmentatie arthropoden: onafhankelijk ontstaan van die van de anneliden of afkomstig
van diepe voorouder van beide groepen
CLASSIFICATIE
= leven naast de arthropoden
= subfyla in de arthropoden
VROEGE ARTHROPODEN
hoge dispariteit en diversiteit
ANDERE ECHDYSOZOA
(SUB)FYKUM RADIODONTA
Bv) anomalocaris
Eigenchappen:
• chitineus exoskelet (niet gecalcificieerd)
• hoofd en lichaam (romp) regios
• appendices:
o pedatoren: één paar grote grijp-appendages
o filtervoeders: filter-appendages
• Marien, Cambrium-Ordovicium
(SUB)FYLUM ONYCHOPHORA = FLUWEELORMEN
Bv) Hallucigenia
• Vele paren ongelede, holle ledematen (rigiditeit via hydrostatische druk)
• Chitineus exoskelet
• Carnivororen
• Moderne: terrestrische vormen: Peripatus
• Marieen: vormen uit het Cambrium
FYLUM TARDIGRADA
• hoofd + 4 lichaamssegmenten
• 4 paar ongelede ledematen met klauwtjes
• klein <1.2 mm; geen ademhalingsorganen of hart-vaatstelsel
o O 2 en CO 2 uitgewisseld doorheen lichaamswand
• Verhard non-chitineus cuticle
2
, • Carnivoren of herbivoren
• Terrestrisch or aquatisch
• Cambrium-Holoceen
FYLUM ARTHROPODA
Onderverdling op basis van specialisatie van de beenparen in voorste segmenten
Typisch voor arthropoden: tagmatisatie → specialisatie van de beenparen in voorste segmenten
TRILOBITOMORPHA = TRILOBIETEN
EIGENSCHAPPEN:
• Geen gespecialiseerde mond-delen
• Overlangs: axiale + 2 pleurale lobes
1 2 3
• Heel succesvol: cambrium – perm
• Veel variabiliteit in grootte
MORFOLOGIE:
• Sutuur: zwaktezone → vrije kaak breekt af
o Ogen zitten op de vrije kaak (≠ palpebrale lobe)
• Doublure: platte rand rondomheen de cephalon
• Pleuron: Kleine plaatjes
• Pygidium: ‘staartje’
o Cambrium: non- agnostiden → pygidium<<<cephalon
o Na cambrium: heteropygous → pygidium <cephalon
Isopygous → pygidium = cephalon
o Zelden: pydydium > cephalon
3
, VERVELLEN
Protaspid: Kleine schijf, volgt Meraspid: Vanaf het punt waarop Holaspid: totaal # segmenten is
planktonisch larvestadium het pygidium vrij komt → aanwezig → pygidium krijgt
toevoegen van thorax segmenten / finale vorm. Kan nog steeds
pleura vanaf pygidium vervellen en groeien.
Exuviae = vervellingsvel (latijn = ‘afgeworpen kleren’)
• Gedesarticuleerd: breken lans suturen
• Verscheidene configuraties exuviae naargelang verschillende ontsnappingstechnieken van
verschillende groepen
CUTICLE
Arthropoden: meestal chitineus skelet, evt. versterk met mineraal
trilobieten echter: cuticle voor groot deel uit laag-Mg calciet, georganiseerd in microkristallijne
naaldjes die +/- loodrecht op de wand staan, ingebed in een organische matrix
Twee lagen: dunne buitenste laag met grote calciet (of mogelijks apatiet) kristallen bovenop een veel
dikkere binnenste laag uit microkristallijn calciet
4