1. De financiële basisvragen
1.1iedereen heeft notities van financieel rekenen nodig! Ook jij!
Iedereen wordt dagelijks geconfronteerd met financiële beslissingen
Elke beslissing heeft financiële gevolgen
We maken voortdurend consumptie- of spaarbeslissingen:
• Geld meteen uitgeven (consumeren)
• Consumptie uitstellen (sparen)
Sommige mensen lenen geld om sneller te kunnen consumeren (bv. woning
kopen)
Leningen worden vaak over lange termijn terugbetaald (20 jaar of meer)
Vragen van spaarders
• Hoeveel brengt mijn spaargeld op?
• Zijn er alternatieven met hoger rendement?
Termijnrekeningen, obligaties, kasbons, aandelen
• Welk risico neem ik bij beleggingen?
• Hoe kan ik risico spreiden (diversifiëren)?
• Hoeveel moet ik maandelijks sparen voor extra pensioeninkomen?
Vragen van ontleners (mensen die lenen)
• Hoe wordt de maandelijkse aflossing berekend?
• Waarom geven verschillende banken andere bedragen?
• Wat betekenen termen zoals jaarlijks kostenpercentage, effectieve rente,
jaarlijkse oprenting, maandelijkse rente
• Hoe vergelijk ik verschillende kredietaanbiedingen?
• Is reclame voor consumentenkredieten betrouwbaar?
Waarom ondernemers financiële kennis nodig hebben
Ondernemers moeten 3 belangrijke domeinen beheersen:
1. Investeringsbeslissingen
o Welke projecten uitvoeren?
o Investeringen moeten financieel berekend worden
o Belangrijke begrippen: NPV (Netto Contante Waarde) & kapitaalkost
2. Financieringsbeslissingen
o Hoe worden investeringen gefinancierd? (Vaak via leningen)
o Zelfde financiële principes gelden voor particulieren, KMO’s en
multinationals
3. Cashflowmanagement
o Beheer van inkomende en uitgaande geldstromen
o Timing van betalingen is belangrijk
o Bijvoorbeeld: vroeger betalen om korting te krijgen?
1.2Microsoft Excel
1
, 1.3De drie financiële basisvragen
Basisbegrippen
• Aanvangsvermogen (V₀)
o Het oorspronkelijk geïnvesteerde of uitgeleende bedrag
o Wordt uitgedrukt in euro (andere munteenheden kunnen gebruikt
worden)
o Ook genoemd: aanvangskapitaal of belegd vermogen
• Vermogen op tijdstip t (Vt)
o Waarde van het kapitaal op een bepaald moment
• Tijdsaanduiding
o t₀ = heden (tijdstip 0)
o een tijdstip is een datum
o T = vervaldag
o τ (tau) = looptijd
o Looptijd wordt uitgedrukt in jaren
0,5 jaar = half jaar
1 maand = 1/12 jaar of 0.0833 van een jaar
= verschil tussen 2 tijdstippen (T-t)
o τ = (T − t₀)
• Interest (I)
o Vergoeding voor het uitlenen van geld
o Wordt uitgedrukt als bedrag (€)
o Jaarlijkse interest = opbrengst over 1 jaar
• Rentevoet (r)
o Percentage per tijdseenheid
o Meestal per jaar (p.a. = per annum)
o Kan ook per maand uitgedrukt worden
Slotvermogen (VT)
• Bestaat uit aanvangsvermogen (V₀) & interest (I)
• Formule: VT = V₀ + I
o Of multiplicatief: VT = V₀ × interestfactor: 𝑉T = 𝑉0 × 𝑖𝑓(𝑟, r)
• Ook genoemd: terminaal vermogen, toekomstige waarde, slotkapitaal,
future value
Twee belangrijke conventies -> bepalen wijze van berekening van oprenting
1. Dagtelconventies
• Bepalen hoe de looptijd wordt berekend
• Voorbeeld: Is een half jaar exact 0,5 of 182/365?
• Belangrijk bij obligaties & financiële marktwaarderingen, minder belangrijk
bij simulaties op lange termijn
2. Interestconventies
2
, • Enkelvoudige interest
o Geen interest op interest
o Alleen het startkapitaal brengt rente op
o Gebruikt bij korte termijn (geldmarkt)
• Samengestelde interest
o Interest wordt toegevoegd aan kapitaal
o Interest brengt zelf ook interest op = kapitaliseren
o Standaard bij lange termijn (kapitaalmarkt)
• Continue interest
o Theoretisch model
o Interest wordt continu toegevoegd
o Vooral gebruikt in financiële modellen
Het interne rendement (y-yield)
• Werkelijk rendement ≠ altijd de gequoteerde
rentevoet (r)
• Wordt berekend obv werkelijke kasstromen & gekozen
conventies
• Wordt ook Yield & effectieve financieringskost
genoemd
De drie financiële basisproblemen
1. Oprenten (Future Value)
• Vraag: Hoe groot wordt een kapitaal in de toekomst?
• Gegeven: V₀, r, τ
• Output: interest (I) & slotkapitaal (VT)
• Voorbeeld: €100 aan 10% → €110 na 1 jaar
• Belangrijk voor spaarders & beleggers
2. Verdisconteren (Present Value)
• Omgekeerde vraag
• Wat is de huidige waarde van een toekomstig bedrag?
• Voorbeeld: €110 over 1 jaar bij 10% rente = €100 vandaag
• Wordt gebruikt bij waardering van beleggingen &
investeringsanalyse
• Essentiële vraag: Zijn toekomstige kasstromen vandaag
voldoende waard?
3. Rendementsbepaling
• Vraag: Wat is het werkelijke rendement?
• Gegeven: beginwaarde, eindwaarde, tussentijdse
cashflows & looptijd
• Belangrijk omdat gequoteerde rente vaak misleidend is
• Verschillende benamingen: Yield to maturity (obligaties),
Internal Rate of Return (IRR) & effectieve interestlast
• Relevant voor beleggers, ontleners & bedrijven
3
, 1.4beleggersvraagstukken
Rendement als kernbegrip
• Rendementsberekeningen staan centraal in beleggings- en
investeringsvraagstukken
• Na het beheersen van financiële rekentechnieken wordt gekeken naar
rendementen van verschillende activaklassen
Activaklassen
• Voorbeelden: obligaties & aandelen
• Elke activaklasse heeft een verwacht rendement & een bepaald risico
Belangrijke vragen bij historische rendementen
• Wat is het gemiddeld historisch rendement?
• Wat was het hoogste en laagste rendement?
• Hoe groot is het risico van een activaklasse?
Nood aan beschrijvende statistiek
Om rendementen te analyseren, gebruikt men begrippen uit de statistiek, zoals
gemiddelde, spreiding, extremen (minimum en maximum) & risicomaatstaven
Diversificatie
• Beleggers spreiden hun vermogen over meerdere activaklassen =
diversificatie
• Doel: risico verminderen & rendement-risicoverhouding verbeteren
Portefeuillerisico
• Risico moet bekeken worden op individueel activa- en portefeuilleniveau
• Diversificatie-effect moet gekwantificeerd worden
• Niet alle risico’s worden beloond
Fundamenteel inzicht
• Financiële markten vergoeden enkel risico’s die niet weg te diversifiëren
zijn
• Risico dat kan worden gespreid wordt niet extra beloond
2. Datums en dagtelconventies
Wat zijn dagtelconventies:
• Dagtelconventies bepalen over welke periode interest groeit
• Ze leggen vast:
o Hoe het aantal dagen in een periode wordt berekend
o Hoe een jaar wordt voorgesteld (bv. 360 of 365 dagen)
4