Neurologisch onderzoek = communicatie
Observeren van P is belangrijk, kijk ook naar compensaties
Elke test vertelt een deel vh verhaal
Testen doen geen mijn of veroorzaken geen ongemak
Begrijp wat je test (waarom?) en de interpretatie theorie goed koppelen
Goed uitleggen wat je gaat uitvoeren (aftoetsen of P het snapt), voordoen met ogen
open, daarna pas effectief testen met gesloten ogen
MOTORISCHE OUTPUT
Motorische testen bevinden zich voor groot deel op functiestoornis-niveau.
Bij anamnese ga je visusstoornissen, cognitieve stoornissen, parethesieën, coördinatie
stoornissen,… na.
1. SPIERTONUS
Uitgebreid en systematisch testen van
Vingerflexoren en pols (bi-articulair!): 1e fase: beginnen in DF pols en flexie vingers, traag ; 2e
fase: snel
M.pronator teres
M.biceps brachii: 1e fase: beginnen in flexie (in verkorte positie), traag op rek brengen, terug ;
2e fase: spier snel op rek
M.triceps brachii: 1e fase: beginnen in extensie, traag op rek brengen, terug ; 2e fase: snel op
rek brengen
M.pectoralis major en minor
M.subscapularis
M.latissimus dorsi
M.triceps surae
M.quadriceps: knie vast pakken zodat deze niet knikt wnr je quadriceps test
M.hamstrings: knie vast pakken zodat deze niet knikt wnr je hamstrings test
, M.psoas
Adductoren: we beginnen in adductie en dan traag fase 1 naar abductie, terugkomen en dan
snel fase 2
WERKWIJZE
P in ontspannen houding, vaak ruglig
Lidmaat vast nemen
Fase 1: spiergroep traag op rek brengen (passief) nakijken of volledige
pijnvrije ROM is behaald
Fase 2: spiergroep snel op rek brengen (passief) tonus beoordelen (mate van
weerstand die je voelt) en nagaan of myostatische reflexen aanwezig zijn
op rek brengen volgens de verlenging vd spier die je wil testen
INTERPRETATIE
Normotoom
Hypertoon: meer weerstand
Hypotoon: minder weerstand dan normaal
HYPERTONIE
2 vormen van toegenomen spierspanning
Piramidaal
o VERHOOGDE STRETCHREFLEX: bij stretchen vd spier neemt de spanning
toe
o KNIPMESFENOMEEN: bij stretchen neemt spanning toe, tot op punt waar
spanning heel hoog is en dan breek je door
o CLONUS: lidmaat dat ritmisch heen en weer bounced, ritmische
spiercontractie
Clonus oplossen door traag naar beneden duwen of opheffen
o ELASTIEK: spier onder rek wordt gebracht, bij loslaten springt die als
elastiek terug
Spasticiteit wordt vnl waargenomen in fase 2
Spasticiteit:
- snelheidsafhankelijk dus je neemt het enkel waar in fase 2, tonus komt pas
tot uiting als je lidmaat snel beweegt
- predominant in antizwaartekracht spieren: elleboogflexoren, polsflexoren,
vingerflexoren
- antagonisten zijn vaan hypotoon, agonisten hypertoon
- spastisch patroon in bovenste lidmaat: flexiepatroon, in onderste lidmaat:
extensiepatroon
Extra-piramidaal
o TANDRADFENOMEEN: weerstand over hele ROM maar gebeurd in schokjes
o LODENBUISTYPE: over hele bewegingsbaan heb je hoge tonus, over hele
ROM is er weerstand (in beide richtingen)
Rigiditeit wordt vnl waargenomen in fase 1
Weerstand in zowel agonisten als antagonisten
,TOEPASSING
Piramidale hypertonie: letsel in verloop van piramide baan
- Letsel in motorische cortex
- Of letsel in dalend verloop van ruggenmerg
Bv CVA = aandoening waarbij je toegenomen tonus (knipmes) hebt in ledematen als
gevolg van letsel in piramide baan spacticiteit
Extrapiramidale hypertonie: letsel buiten piramide baan
- Letsel in basale ganglia
Bv Parkinson rigiditeit
RAPPORTERING
1. Vermelden aanwezigheid klinische karakteristieken + graad van weerstand a.d.h.v. de
Ashwortschaal
Tardieu: geeft ook in welke
hoek clonus of knipmes tot
uiting komt
2. Observatie van afwijkingen tijdens het bewegen
Hypertonie gaat vaak gepaard met hyperreflexie
Spasticiteit:
Ongecontroleerde spieractiviteit
Co-contracties
Spasmen: onvrijwillige, plotselinge samentrekkingen van spieren
Abnormale posturale controle
Rigiditeit:
, Vertraging ‘delay’ bij initiatie
Vertraagd uitvoeren beweging
Posturale afwijkingen
Verlies posturale stabiliteit
3. Myostatische en peesreflexen nagaan
Myostatische reflex: reflex waarbij een spier samentrekt wnr hij plots wordt uitgerekt
Peesreflex: praktisch opgewekte myostatische reflex
Spasmen:
0: Geen spasmen
1: Matige spasmen, uitgelokt door stimulatie
2: Occasionele, spontane spasmen
3: Spasmen die meer dan één keer per uur optreden
4: Spasmen die meer dan tien keer per uur optreden
Reflexen:
0: Geen
1: Hyporeflexie
2: Normaal
3: Matige hyperreflexie
4: Clonus (3-4 slagen)
5: Clonus, meer dan 4 slagen
2. KRACHT
Systematisch krachttesten niet kennen voor examen
Krachtsverlies gaat zich vaak tonen in 1 of verschillende lidmaten duurt te lang
UPPER-MOTORNEURON LEASIE VS LOWER-MOTORNEURON LEASIE
Globaal testen met ogen gesloten