Onderdeel infectieziekten
H0: Inleiding
Dia 11: info over examen
Cursustekst op toledo
Infectieziekten
• Gevreesde doder
• Succesverhaal geneeskunde
• Elk deel lichaam aantastbaar
• Verschil met andere ziekten
• Interactie tussen 2 organismen
• spontane genezing <> steeds dodelijk
• behandeling niet universeel:
• Thuis <> Ziekenhuis
• Regionale verschillen
H1: klinische benadering van infectieziekten
1. Infectie = interactie microorganisme-gastheer
Een infectieziekte ontstaat wanneer een
micro- organisme (virus, bacterie, schimmel
of parasiet) schade of verandering
teweegbrengt in de normale fysiologie van
de gastheer
Afweer kan goed zijn, maar het is soms ook
overmatig
• micro-organismen -> niet noodzakelijk infectie
• vaak eerst kolonisatie
• vb : Coagulase-negatieve stafylokok op de huid
• Meningokok of Pneumokok in de bovenste luchtwegen
• kolonisatie vaak nuttig (kolonisatie resistentie in darm, op huid)
• vb: huidflora
• darmflora
2. Pathogeniciteit microorganisme
• Primair pathogene microorganismen
• Potentieel pathogene microorganismen → onderscheid niet
+ Nosocomiale infecties altijd clear cut
• Opportunistische microorganismen
(nosocomiaal = in de gezondheidszorg verworven)
, 2.1 Primair pathogene micro-organismen
• Veroorzaken met grote regelmaat ziekte in een deel van vatbare personen met normale
immuniteit
• Aanwezigheid in lichaam: niet compatibel met gezondheid
• Exogene infecties die overdraagbaar zijn en kunnen aanleiding geven tot een epidemie
• Voorbeelden: Salmonella typhi, Shigella, Mycobacterium tuberculosis, Neisseria
gonorrhoeae, HIV, influenza, mazelen, Plasmodium falciparum
• Preventie:
• vermijden blootstelling
• eradiceren reservoir
• vaccinatie en chemoprofylaxie
soms ‘bronisolatie’ = iemand die geïnfecteerd is isoleren zodat hij geen andere mensen besmet
vb: Shigella
- obligaat menselijke pathogeen
- zeer lage infecterende dosis (100 bacteriën - relatief resistent tegen maagzuur en gal)
- In België ongeveer 400 gevallen per jaar.
- In gesloten gemeenschappen vaak epidemieën
= Samen met Brucella de meest voorkomende oorzaak van laboratoriuminfecties
2.2 Potentieel pathogene micro-organismen
• Besmetting leidt meestal tot kolonisatie
• De commensale flora behoort tot deze categorie
• Infectie ontstaat bij de gastheer zo:
- lokale of veralgemeende voorbeschiktheid
- micro-organismen toegang tot steriele lichaamscompartimenten
• door eigen koloniserende flora (endogene infecties, weinig of niet overdraagbaar)
• Preventie:
• vermijden van voorbeschikkende factoren
• asepsie in de zorg
• opnieuw soms bronisolatie
bijzondere vorm : nosocomiale infecties
2.2.1 commensale flora
,Commensale flora kan nuttig zijn:
- Anaërobe commensale flora darm -> vreemde, potentieel pathogene micro-organismen
kunnen geen schade aanrichten
=> ‘kolonisatie resistentie’
Soms komen bacterieën terecht in de bloedbaan, bv als je je tanden poetst. Vaak verdwijnen ze ook
later.
Behandeling voor commensale flora = systemische antibiotica!
→ majeure verstoring van commensale flora (uitselectie resistente organismen)
Elk antibioticum werkt niet enkel op de kiem die je wilt behandelen, maar werkt op alle commensale
flora → kan leiden tot resistentie (natuurlijk fenomeen)
Voorbeeld:
Gist Candida neemt de plaats in van de “normale” flora
• Na gebruik van breedspectrum antibiotica
• Candida stomatitis: witte plaques op de orale mucosa
• Vaginale candidiase: slijmverlies, jeuk, branderigheid
2.2.2 Nosocomiale infecties
= ‘ziekenhuisbacterie’
= Koloniserende micro-organismen verworven in het ziekenhuis
Bv: Methicilline-resistente Staphylococcus aureus (MRSA)
We proberen de infectie te voorkomen door invasie te beperken
Het gebruik van handalcohol heeft een grote invloed op het vermijden van de kolonisatie
, Vb 2 = Clostridioides difficile
= Bacterie die in de darmflora aanwezig is
Kan bij verstoorde darmflora overgroeien, een toxine prodcueren en een ernstige darminfectie
veroorzaken
Is NIET gevoelig aan handalcohol, wel aan water en zeep!
2.3 Opportunistische kiemen
• Besmetting leidt tot voorbijgaande kolonisatie bij gezonde personen. Infectie treedt enkel op
bij de gastheer met langdurig ziekteverblijf en/of met een ernstige stoornis in de humorale of
cellulaire afweermechanismen
• Geen bron van epidemies, exogeen
• Soms moet men aan protectieve isolatie doen: de kwetsbare persoon beschermen
Vb = Pneumocystis jiroveci pneumonie
Microbiologie:
Pneumocystis jiroveci:
• sinds 1988 bij fungi ingedeeld <- genetisch onderzoek.
• geen ergosterol, niet gevoelig aan antifungale middelen die ergosterolsynthese inhiberen.
Epidemiologie:
Mensen met verminderde cellulaire en/of humorale immuniteit zijn voorbeschikt
→ “opportunistische infectie”
Pathogenese:
Aërogene overdracht, mens tot mens, mogelijks ook uit omgeving
- Immuuncompetente patiënt: beperkte kolonisatie zonder ziekte
- Patiënten met stoornissen in de afweer (HIV, langdurige behandeling cortisone,…):
Pneumocystis in longen met verhoogde alveolo-capillaire permeabiliteit => ernstige
pneumonie met hypoxie
3. Pathogenese van infecties
• Lokale infectie zonder invasie is voor een aantal micro-organismen voldoende om klachten te
geven
• Voorbeeld: urethritis door Neisseria gonorrhoeae (of gonococ)
• Sommige infecties: systemisch karakter niet door invasie maar door absorptie van antigenen
of exotoxine
• Voorbeeld: tetanus door tetanospasmine van Clostridium tetani
= huidwonde in contact met vuil. Sporen van bacterie komen binnen in wonde en
produceren toxine die de zenuwen gaat verlammen
• Andere micro-organismen worden invasief. Verspreiding via het lymfestelsel brengt micro-
organismen bij lymfeklieren en vervolgens in de bloedbaan
• Voorbeeld: buiktyfus door bacterie Salmonella typhi: translocatie vanuit darm via
platen van Peyer (=lymfeklieren van darmstelsel) met intracellulair overleven in
macrofagen met verdere disseminatie over het hele lichaam
vb 1: Urethritis = Voorbeeld van een infectie die op de plaats van de besmetting
symptomen veroorzaakt (etter)
= infectie van de plasbuis die zich niet verder gaat vespreiden