IMMUNOLOGIE
H1: Inleiding
Info over examen zie powerpoint
2/20 op het practicum!
H2: Cellen, organen en cytokines
Het immuunsysteem: van verdediging tot tolerantie
Verdediging tegen
• pathogenen (virus, bacterie, schimmel, parasiet)
• (ander) lichaamsvreemd materiaal (rode bloedcel
van andere species, of zelfs andere humane
bloedgroep)
• zelfs kankercellen (eigen lichaamsvreemd geworden
materiaal)
Tolerantie van
• Lichaamseigen structuren en cellen
• Ongevaarlijke lichaamvreemde elementen
Bacteriën zijn lichaamsvreemde partikels, die soms door onze barrieres geraken → komen dan in
contact met ons immuunsysteem (geactiveerd dankzij receptoren)
Kankercellen worden ook herkend
Maar het immuunsysteem moet ook lichaamseigenstructuren kunnen tolereren. Het is geen passief
systeem, maar ook actief
Ook wat we eten moeten we tolereren → ook dat is een rol van het immuunsysteem: ongevaarlijke
lichaamsvreemde partikels herkenen en tolereren
Het aangeboren en adaptief immuunsysteem
X-as: tijd in dagen
Y-as: mate van immuunrespons
Persoon wordt blootgesteld aan antigen, bv een vaccin
Lichtblauw = reactie van aangeboren immuunsysteem → komt
snel tot uiting, gaat terug afzwakken als het antigen is opgeruimd
Donkerblauw = adaptief immuunsysteem → heeft meer tijd nodig
om in gang te schieten
Als er enkele dagen/maanden later het vaccin opnieuw wordt toegediend, gaat het aangeboren
immuunsysteem weer op exact dezelfde manier reageren als de eerste keer. Het adaptief
immuunsysteem heeft al geleerd; zal deze keer sneller en sterker in actie schieten
→ Zelfde principe als dat je windpokken maar 1 keer zult doormaken
= geheugen
B cellen maken antistoffen aan tegen pathogenen → herkennen antigen
Antistoffen komen in bloedbaan terecht: kunnen we meten
Maar ze hebben hulp nodig van T cellen
,!!!
1. De cellen
• Witte bloedcellen (leucocyten)
• Granulocyten (bevatten granules)
• Neutrofielen
• Eosinofielen
• Basofielen
• Monocyten, macrofagen (monocyten w macrofagen als ze in het bloed terechtkomen)
• Dendritische cellen
• De informanten die in de weefsels aanwezig zijn en migreren naar de
lymfeknopen om informatie uit te wisselen (zo weten de lymfeknopen wat er
in de weefsels gebeuren)
• Lymfocyten
• T-cellen
• B-cellen
• Innate lymphoid cells
• Mestcellen
• Thymus
• Lymfeknoop, lymfevaten
• Milt
Myeloïde en lymfoïde cellijn
Leukocyten w aangemaakt in het beenmerg door de
hematopoietische stamcel
- myeloid systeem
- lymfoid systeem
(zie schema)
, Uit de myeloïde cellijn ontstaan uiteindelijk:
a. Rode bloedcellen
b. Bloedplaatjes
bloed c. Granulocyten (neutrofielen, eosinofielen, basofielen) WBC
d. Monocyten
Cellen van aangeboren
e. Macrofagen immuunsysteem
weefsel f. Dendritische cellen
g. Mest cellen
1.1 Neutrofielen
Morfologie
12 tot 15 μm diameter
gelobde kern (2multilobair: tot 5 lobben)
Ruim cytoplasma met fijne granules → zetten stoffen
vrij die een antimicrobieel effect hebben
= belangrijkst granulocyt
1. 50% tot 70% van de circulerende leukocyten in ons bloed = meest abundante cel in ons bloed
2. Circuleren 7 à 10 uur in het bloed vooraleer ze migreren in de weefsels* waar ze hoogstens
enkele dagen overleven (*zie later, rolling en extravasatie) = korte overleving
3. De ontwikkeling ervan in het beenmerg wordt gestimuleerd door inflammatoire molecules (zie
later cytokines) en groeifactoren
→ Bij een infectie gaan er groeifactoren aangemaakt worden die het beenmerg gaan
stimuleren om meer neutrofielen aan te maken
→ De hvlh neemt toe in het bloed
4. Transiënte stijging ervan in ons bloed is een teken van ontsteking (bv t.g.v. een infectie)
5. Migreren van bloed naar de plaats van ontsteking (dit heet chemotaxis en verloopt dankzij
chemokines en bv C5a) → circuleren van lage naar hoge concentratie
Doet aan zelfopoffering: vernietigt zich zelf om de inhoud te geven
6. Fagocyteren bv. bacteriën (fagosoom) en lyseren deze intracellulair met behulp van enzymes
en antimicrobiële proteïnes vanuit granules die fuseren met het fagosoom
7. Ze scheiden ook antimicrobiële proteïnen af
8. Ze genereren van neutrophil extracellular traps (NETs) voor bacteriën
9. Het geheel vormt etter of pus
10. Secreteren cytokines die o.a. de functie van B- en T- lymfocyten mee helpt reguleren
Er ontstaat lokale vasodillatie: bloed gaat trager stromen, stoffen en cellen kunnen naar
buiten lekken met als doel om een bepaalde infectie te kunnen bestrijden
De neutrofielen die in de bloedbaan waren gaan dan door de capillair geraken en daar
fagocyteren
Het geheel van extracellulair vocht, neutrofielen, defensiness, antimicrobiele eiwitten,..
Vormt uiteindelijk pus (etter)
Cytokines gaan tijdens het proces ook geactiveerd worden → adaptief immuunsysteem
, 1.2 Eosinofielen
= 2e granulocyt
Morfologie
12 tot 17 μm - tweelobbige kern – ruim cytoplasma met 2
soorten granules (grote eosinofiele en fijne azurofiele)
1. 1% tot 3% (< 6%) van de circulerende leukocyten in ons bloed
2. Belang in verdediging tegen parasitaire wormen (cathepsine)
3. Rol in astma en allergische symptomen
4. Secreteren (uit de granules) cytokines die de functie van B en T lymphocyten, mestcel,
basofiel... mee helpt reguleren
1.3 Basofielen
Morfologie
7 tot 11μm – 2-lobbige kern vaak verscholen achter
granules
Ruim cytoplasma met 2 types granules:
1. azurofiele granules (lysosomen)
2. specifieke granules met histamine, leukotriënen, IL4, IL13, …
1. <beenmerg - <1% van de circulerende leukocyten in ons bloed (5-6 uur) = minst abundante
vorm, heel kort levend
2. Belang in verdediging tegen parasitaire wormen, nl.helminthen (bloed->weefsels)
3. Faciliteren migratie van andere immuuncellen naar de plaats van infectie via vasodilatatie
(granule-vrijzetting) aantrekken van eosinofilen en lymfocyten
4. Rol in allergische symptomen (via IgE-binding)
In de granules = mediatoren die ons doen denken aan die van de mestcellen → histamine bv,
interleukines,..
1.4 monocyten en macrofagen
Monocyten
Morfologie
Grote, onregelmatige cellen; kern met indeukingen;
vesikels in cytoplasma
1. Componenten van het aangeboren immuunsysteem
2. Afkomstig van de myeloïde cellijn
H1: Inleiding
Info over examen zie powerpoint
2/20 op het practicum!
H2: Cellen, organen en cytokines
Het immuunsysteem: van verdediging tot tolerantie
Verdediging tegen
• pathogenen (virus, bacterie, schimmel, parasiet)
• (ander) lichaamsvreemd materiaal (rode bloedcel
van andere species, of zelfs andere humane
bloedgroep)
• zelfs kankercellen (eigen lichaamsvreemd geworden
materiaal)
Tolerantie van
• Lichaamseigen structuren en cellen
• Ongevaarlijke lichaamvreemde elementen
Bacteriën zijn lichaamsvreemde partikels, die soms door onze barrieres geraken → komen dan in
contact met ons immuunsysteem (geactiveerd dankzij receptoren)
Kankercellen worden ook herkend
Maar het immuunsysteem moet ook lichaamseigenstructuren kunnen tolereren. Het is geen passief
systeem, maar ook actief
Ook wat we eten moeten we tolereren → ook dat is een rol van het immuunsysteem: ongevaarlijke
lichaamsvreemde partikels herkenen en tolereren
Het aangeboren en adaptief immuunsysteem
X-as: tijd in dagen
Y-as: mate van immuunrespons
Persoon wordt blootgesteld aan antigen, bv een vaccin
Lichtblauw = reactie van aangeboren immuunsysteem → komt
snel tot uiting, gaat terug afzwakken als het antigen is opgeruimd
Donkerblauw = adaptief immuunsysteem → heeft meer tijd nodig
om in gang te schieten
Als er enkele dagen/maanden later het vaccin opnieuw wordt toegediend, gaat het aangeboren
immuunsysteem weer op exact dezelfde manier reageren als de eerste keer. Het adaptief
immuunsysteem heeft al geleerd; zal deze keer sneller en sterker in actie schieten
→ Zelfde principe als dat je windpokken maar 1 keer zult doormaken
= geheugen
B cellen maken antistoffen aan tegen pathogenen → herkennen antigen
Antistoffen komen in bloedbaan terecht: kunnen we meten
Maar ze hebben hulp nodig van T cellen
,!!!
1. De cellen
• Witte bloedcellen (leucocyten)
• Granulocyten (bevatten granules)
• Neutrofielen
• Eosinofielen
• Basofielen
• Monocyten, macrofagen (monocyten w macrofagen als ze in het bloed terechtkomen)
• Dendritische cellen
• De informanten die in de weefsels aanwezig zijn en migreren naar de
lymfeknopen om informatie uit te wisselen (zo weten de lymfeknopen wat er
in de weefsels gebeuren)
• Lymfocyten
• T-cellen
• B-cellen
• Innate lymphoid cells
• Mestcellen
• Thymus
• Lymfeknoop, lymfevaten
• Milt
Myeloïde en lymfoïde cellijn
Leukocyten w aangemaakt in het beenmerg door de
hematopoietische stamcel
- myeloid systeem
- lymfoid systeem
(zie schema)
, Uit de myeloïde cellijn ontstaan uiteindelijk:
a. Rode bloedcellen
b. Bloedplaatjes
bloed c. Granulocyten (neutrofielen, eosinofielen, basofielen) WBC
d. Monocyten
Cellen van aangeboren
e. Macrofagen immuunsysteem
weefsel f. Dendritische cellen
g. Mest cellen
1.1 Neutrofielen
Morfologie
12 tot 15 μm diameter
gelobde kern (2multilobair: tot 5 lobben)
Ruim cytoplasma met fijne granules → zetten stoffen
vrij die een antimicrobieel effect hebben
= belangrijkst granulocyt
1. 50% tot 70% van de circulerende leukocyten in ons bloed = meest abundante cel in ons bloed
2. Circuleren 7 à 10 uur in het bloed vooraleer ze migreren in de weefsels* waar ze hoogstens
enkele dagen overleven (*zie later, rolling en extravasatie) = korte overleving
3. De ontwikkeling ervan in het beenmerg wordt gestimuleerd door inflammatoire molecules (zie
later cytokines) en groeifactoren
→ Bij een infectie gaan er groeifactoren aangemaakt worden die het beenmerg gaan
stimuleren om meer neutrofielen aan te maken
→ De hvlh neemt toe in het bloed
4. Transiënte stijging ervan in ons bloed is een teken van ontsteking (bv t.g.v. een infectie)
5. Migreren van bloed naar de plaats van ontsteking (dit heet chemotaxis en verloopt dankzij
chemokines en bv C5a) → circuleren van lage naar hoge concentratie
Doet aan zelfopoffering: vernietigt zich zelf om de inhoud te geven
6. Fagocyteren bv. bacteriën (fagosoom) en lyseren deze intracellulair met behulp van enzymes
en antimicrobiële proteïnes vanuit granules die fuseren met het fagosoom
7. Ze scheiden ook antimicrobiële proteïnen af
8. Ze genereren van neutrophil extracellular traps (NETs) voor bacteriën
9. Het geheel vormt etter of pus
10. Secreteren cytokines die o.a. de functie van B- en T- lymfocyten mee helpt reguleren
Er ontstaat lokale vasodillatie: bloed gaat trager stromen, stoffen en cellen kunnen naar
buiten lekken met als doel om een bepaalde infectie te kunnen bestrijden
De neutrofielen die in de bloedbaan waren gaan dan door de capillair geraken en daar
fagocyteren
Het geheel van extracellulair vocht, neutrofielen, defensiness, antimicrobiele eiwitten,..
Vormt uiteindelijk pus (etter)
Cytokines gaan tijdens het proces ook geactiveerd worden → adaptief immuunsysteem
, 1.2 Eosinofielen
= 2e granulocyt
Morfologie
12 tot 17 μm - tweelobbige kern – ruim cytoplasma met 2
soorten granules (grote eosinofiele en fijne azurofiele)
1. 1% tot 3% (< 6%) van de circulerende leukocyten in ons bloed
2. Belang in verdediging tegen parasitaire wormen (cathepsine)
3. Rol in astma en allergische symptomen
4. Secreteren (uit de granules) cytokines die de functie van B en T lymphocyten, mestcel,
basofiel... mee helpt reguleren
1.3 Basofielen
Morfologie
7 tot 11μm – 2-lobbige kern vaak verscholen achter
granules
Ruim cytoplasma met 2 types granules:
1. azurofiele granules (lysosomen)
2. specifieke granules met histamine, leukotriënen, IL4, IL13, …
1. <beenmerg - <1% van de circulerende leukocyten in ons bloed (5-6 uur) = minst abundante
vorm, heel kort levend
2. Belang in verdediging tegen parasitaire wormen, nl.helminthen (bloed->weefsels)
3. Faciliteren migratie van andere immuuncellen naar de plaats van infectie via vasodilatatie
(granule-vrijzetting) aantrekken van eosinofilen en lymfocyten
4. Rol in allergische symptomen (via IgE-binding)
In de granules = mediatoren die ons doen denken aan die van de mestcellen → histamine bv,
interleukines,..
1.4 monocyten en macrofagen
Monocyten
Morfologie
Grote, onregelmatige cellen; kern met indeukingen;
vesikels in cytoplasma
1. Componenten van het aangeboren immuunsysteem
2. Afkomstig van de myeloïde cellijn