= Vaste geneesmiddelenvorm die rectaal wordt toegediend. Het kan 1 of meerdere
geneesmiddelen bevatten, gesuspendeerd (meestal) of opgelost in basis.
Wetgeving: inwendig
2. Gebruik
Toedieningswegen: 1) Geneesmiddel in algemene circulatie brengen
!! (deels vermijden First Pass e ect hogere BB)
2) Lokale werking op de mucosa (bv. bij hemorrhoïden)
3) Laxativum (bv. glycerinesuppo’s)
3. Toepassingen
Gebruik: -> Dysfagie: o.a. pediatrische en geriatrische patiënten
-> Patiënten met braakneigingen/ verlaagd bewustzijn
-> Bescherming v GM gevoelig aan pH v maag &/of enzymatische afbraak
-> Toedienen van GM met onaangename smaak of geur
-> Toedienen van GM irriterend voor maag
4. Basissen voor suppositoria
4.1 Eisen
- Smelten juist beneden Tlichaam
- Vast bij Tkamer
- Voldoende viskeus Tgiet
- Krimpen bij stollen: suppo’s makkelijk uit moule
- ΔT tussen smelt- en stolpunt minimaal: vermijd sedimentatie vaste deeltjes
- Fysiologisch inert (onschadelijk bij absorptie)
- Niet toxisch en niet irriterend voor mucosa
- Homogene distributie van GM mogelijk maken
- Optimale vrijstelling van GM toelaten
, 4.2 Soorten
Cacaoboter = plantaardig, volledig vervangen door
semi(synthetische) vetten omwille van polymorfisme
Adeps solidus = vast vet, mengsel van monoglyceriden en diglyceriden. Bekomen
door verestering van verzadigde vetzuren met overmaat glycerol
PEG = condensatiepolymeer gevormd uit ethyleenoxide en water. Getal geeft
gemiddeld Mw aan.
4.3 PEG
4.4 Glycerol-gelatine
Voornamelijk laxativum
Voedingsbodem voor micro-organismen
5. Gedrag van suppositoria