diagnostiek (2526)
INHOUDSTAFEL
1. Definities en classificaties van taalontwikkelings- 2.2.4.4. Malocclusies
en spraakklankstoornissen 2.2.5. Spraakklankstoornissen samengaand
1.1. Taalontwikkelingsstoornissen met auditieve problemen
1.1.1. Wat is een taalontwikkelingsstoornis? 2.2.5.1. Ontstaan van A-SKS
1.1.2. Prevalentie van 2.2.5.2. Kenmerken van A-SKS
taalontwikkelingsstoornissen 2.2.6. Spraakklankstoornissen bij meertalige
1.1.3. Classificatie van kinderen
taalontwikkelingsstoornissen 2.2.7. Comorbiditeit bij
1.1.3.1. Primaire en secundaire spraakklankstoornissen
taalstoornissen 2.2.7.1. Kernmorbiditeit
1.1.3.2. Klinische classificatie van TOS 2.2.7.2. Secundaire comorbiditeiten
1.1.3.3. Blootstellingsachterstand of 2.2.7.3. Implicaties
TOS bij meertalige kinderen 3. Impact van taalontwikkelings- en
1.2. Spraakklankstoornissen spraakklankstoornissen
1.2.1. Wat is een spraakklankstoornis? 3.1. Attitude van de omgeving
1.2.2. Prevalentie van 3.2. Impact op het sociaal-emotioneel welzijn
spraakklankstoornissen 3.3. Impact op het cognitief functioneren
1.2.3. Classificatie van 3.4. De rol van de logopedist
spraakklankstoornissen 4. Diagnostiek van taalontwikkelings- en
1.2.3.1. Huidige classificatie spraakklankstoornissen
1.2.3.2. Oudere classificaties 4.1. Anamnese
2. Ontstaan en kenmerken van taalontwikkelings- 4.1.1. Algemene anamnese
en spraakklankstoornissen 4.1.1.1. Verwijstraject
2.1. Taalontwikkelingsstoornissen 4.1.1.2. Leefsituatie van het kind
2.1.1. Ontstaan van TOS 4.1.1.3. Ontwikkeling van spraak, taal
2.1.1.1. Genetische factoren en communicatie
2.1.1.2. Omgevingsfactoren 4.1.1.4. Sociale en schoolse context
2.1.1.3. Neurobiologie 4.1.1.5. Ontwikkeling van
2.1.1.4. Cognitieve mondfuncties
verklaringsmodellen 4.1.1.6. Algemene ontwikkeling
2.1.2. Kenmerken van TOS 4.1.1.7. Medische gegevens
2.1.2.1. Voortalige fase (0-1 jaar) 4.1.2. Anamnese bij meertalige kinderen
2.1.2.2. Vroegtalige fase (1-2;6 jaar) 4.2. Taalonderzoek
2.1.2.3. Differentiatiefase (2;6-5 jaar) 4.2.1. Interdisciplinaire samenwerking bij
2.1.2.4. Voltooiingsfase (5-10 jaar) taalonderzoek
2.1.2.5. Adolescentie 4.2.2. De rol van de logopedist bij
2.1.3. Kenmerken van TOS bij meertalige taalonderzoek
kinderen 4.2.2.1. Afname van een
2.1.4. Kenmerken van ontwikkelingsdysfasie gestandaardiseerde taaltest
2.1.5. Comorbiditeit bij TOS 4.2.2.2. Observatie en spontane
2.1.5.1. Autismespectrumstoornis taalanalyse
2.1.5.2. Coördinatie- 4.2.2.3. Afname van genormeerde
ontwikkelingsstoornis vragenlijsten
2.1.5.3. Aandachtsstoornis 4.2.2.4. Meten van communicatieve
2.1.5.4. Dyslexie participatie en kwaliteit van leven
2.2. Spraakklankstoornissen 4.2.2.5. Taalonderzoek bij meertalige
2.2.1. Fonologische spraakklankstoornissen kinderen
2.2.1.1. Ontstaan van fonologische 4.2.3. Diagnose van TOS
SKS 4.2.3.1. ICF bij kinderen met TOS
2.2.1.2. Kenmerken van fonologische 4.2.3.2. Bepalen van de ernst van de
SKS stoornis
2.2.2. Enkelvoudige spraakklankstoornissen 4.2.3.3. Diagnosestelling
2.2.2.1. Ontstaan van E-SKS 4.3. Spraakonderzoek
2.2.2.2. Kenmerken van E-SKS 4.3.1. Screening
2.2.3. Neurogene spraakklankstoornissen 4.3.1.1. Algemene spraakkenmerken
2.2.3.1. Spraakontwikkelingsdyspraxie 4.3.1.2. Algemene spraakbewegingen
2.2.3.2. Dysartrische 4.3.1.3. Afwijkende mondgewoonten
spraakklankstoornissen 4.3.1.4. Fonetische ontwikkeling
2.2.4. Structurele spraakklankstoornissen 4.3.1.5. Fonologische ontwikkeling
2.2.4.1. Ontstaan van S-SKS: 4.3.2. Onderzoek van het oraal
algemene beschouwing spreekmechanisme
2.2.4.2. Velofaryngale stoornissen 4.3.2.1. Structureel en functioneel
2.2.4.3. Tongafwijkingen onderzoek
1
, 4.3.2.2. Orale spraakmotoriek
4.3.3. Beslisboom voor verder onderzoek en
differentiaaldiagnose
4.3.4. Diagnostische
procedures/instrumenten
4.3.4.1. Beoordeling spontane spraak:
spraakverstaanbaarheid
4.3.4.2. Fonologisch georiënteerde
diagnostiek
4.3.4.3. Fonetisch georiënteerde
diagnostiek
4.3.4.4. Combinatie van fonologische
en fonetische analyse
4.3.4.5. Spraakmotorische
onderzoeken
4.3.4.6. Oromyofunctioneel onderzoek
4.3.4.7. Spraakonderzoek bij
meertalige kinderen
4.3.5. Diagnose van SKS
4.4. Adviesgesprek
2
,1. DEFINITIES EN CLASSIFICATIES VAN STOS
1.1 Taalontwikkelingsstoornissen = TOS
1.1.1 Wat is een TOS? (Afkorting mag je gebruiken op EX)
Veel termen, veel definities. 2 aspecten komen terug:
Achterstand in taalontwikkeling
Geen duidelijke verklaring voor de taalachterstand
Inclusiecriteria
Kinderen met TOS verwerven taal trager en moeizamer in vergelijking met
leeftijdsgenoten. De taalproblemen zijn blijvend.
De taalproblemen hebben een impact op het dagelijkse leven.
Exclusiecriteria (= diagnose gesteld door uitsluiting)
De taalproblemen zijn niet te verklaren door problemen in een ander
ontwikkelingsdomein (gehoor, visus, motorisch, cognitieve, sociaal-emotionele problemen)
of door een onaangepast taalaanbod.
Engels: DLD = Developmental Language Disorder
Kinderen met TOS verwerven hun mondelinge of gesproken taal opvallend trager en/of
moeizamer dan kinderen met een normale taalontwikkeling, zonder aanwijsbare oorzaak.
De taalproblemen hebben een impact op de communicatie en het leren in het dagelijkse
leven. De prognose is ongunstig: de taalproblemen zijn blijvend of hardnekkig. Ondanks
een aangepaste behandeling blijven de taalproblemen aanwezig.
1.1.2 Prevalentie van TOS
Prevalentie = hoe vaak een ziektebeeld of aandoening voorkomt op een bepaald moment.
TOS = verborgen stoornis, niet onmiddellijk zichtbaar. ( 7% lagereschoolkinderen, 3x meer
bij jongens dan bij meisje.)
1.1.3 Classificatie van TOS
1.1.3.1 Primaire en secundaire taalstoornissen
Primaire taalstoornis: staat op zichzelf en is niet te verklaren vanuit problemen in een
ander ontwikkelingsdomein. TOS
Secundaire taalstoornis: is wel het gevolg van een of meer problemen in een ander
ontwikkelingsdomein. (vb gehoorstoornis of verstandelijke beperking) voldoen niet aan
exclusiecriterium van TOS
PRIMAIRE TAALSTOORNIS
VSTO = vertraagde spraak- en taalontwikkeling
TOS = taalontwikkelingsstoornis
OD = ontwikkelingsdysfasie
VSTO = vertraagde spraak- en taalontwikkeling
o Spraak- en taalontwikkeling komen later op gang en verloopt trager. Spraak- en
taalniveau komen overeen met dat van een jonger kind.
o Gelijkmatige uitval van alle taaldomeinen (= harmonisch profiel).
3
, o Achterstand is in te halen met logopedische therapie. De problemen zijn niet
blijvend.
TOS = taalontwikkelingsstoornis
o Taalontwikkeling verloopt gestoord. Het taalgebruik vertoont kenmerken die niet in
een bepaalde fase van de taalverwerving thuishoren.
o De taalontwikkeling vertoont een disharmonisch profiel. Er is geen gelijkmatige
uitval van de verschillende taalcomponenten. Kinderen met TOS vormen een
heterogene groep met gevarieerde taalprofielen.
o De taalproblemen zijn blijvend. Logopedische therapie zal de problemen niet
volledig kunnen wegwerken.
OD = ontwikkelingsdysfasie
o Zeer hardnekkige vorm van TOS.
o De taalachterstand is blijvend en ernstig. Evolutie na logopedische therapie is
beperkt.
SECUNDARIE TAALSTOORNISSEN
Problemen in de sensorische ontwikkeling (horen, zien).
o Visuele stoornis: geen prevalentiecijfers, leiden zelden tot TOS.
o Gehoorverlies: (0,1% van de schoolgaande kinderen.) Ze ondervinden bijna altijd
problemen in spraak- en taalontwikkeling. Nood aan hulpmiddelen om beter te
kunnen horen en extra stimulatie en ondersteuning.
Factoren die mee niveau van spraak- en taalontwikkeling bepalen:
Leeftijd waarop slechthorendheid werd vastgesteld hoe sneller opgespoord
hoe sneller taal- en spraakontwikkeling op gang komt hoe beter
eindresultaat.
Ernst van het gehoorverlies bilateraal gehoorverlies heeft meest negatieve
gevolgen.
Oorzaak van het gehoorverlies:
Geleidingsverlies minder horen en geen vervorming. (oplossing: medische
behandeling)
Perceptief gehoorverlies minder horen en vervorming. (erfelijk of deel van
syndroom)
Gebruik van gehoorversterkende hulpmiddelen.
Aanwezigheid van medische aandoeningen.
Communicatieaanbod vanuit de omgeving. Beste resultaat = bilinguale
benadering = gesproken én gebarentaal.
Kinderen zijn vaak kwetsbaar op sociaal-emotioneel en communicatief vlak impact op
taalontwikkeling soms ondersteuning nodig.
Problemen in motorische ontwikkeling
o Leren zitten, staan, kruipen, lopen, …
o Doorlopen doorgaans normale taalontwikkeling.
Problemen in de cognitieve ontwikkeling.
Zwakbegaafd functioneren: IQ 71-84 (score tussen 1 en 2 SD onder gemiddelde)
Verstandelijke beperking: IQ < 70 ( 2%) (afwijking van minstens 2 SD onder gemiddelde)
*4 Subgroepen:
o Lichte verstandelijke beperking (IQ 50-70) ontwikkelingsleeftijd van 7-10 j. (80%)
behoorlijk niveau van verbaal communiceren.
o Matige verstandelijke beperking (IQ 35-49) ontwikkelingsleeftijd van 5-7 j. (12%)
beperkingen in functionele communicatie ondersteunende communicatie
(SMOG, picto’s)
4