Volgens Aristoteles zijn er 3 middelen om het publiek te overtuigen:
Ethos: persoonlijkheid en waarden van de spreker.
Pathos: inspelen op de emoties van het publiek.
Logos: de logica van argumenten.
1. WAT IS COMMUNICATIE?
Wat communicatie precies is, wordt door velen anders uitgelegd, binnen communicatie kunnen verschillende
accenten worden gelegd. (kijk quotes ppt1, dia 26)
Een goede definitie van communicatie voldoet aan de volgende criteria:
Ze is bruikbaar of operationeel binnen een bepaalde wetenschappelijke visie, benadering of discipline.
Ze is logisch en coherent opgebouwd.
Ze wordt niet tegengesproken door empirische bevindingen.
Ze maakt het mogelijk om communicatie duidelijk te onderscheiden van andere maatschappelijke
verschijnselen.
2 belangrijke perspectieven op communicatie (Heath & Bryant, 1992)
De processchool
- Ziet communicatie als transmissie van boodschappen van zender naar ontvanger.
- Focus op encoderen, decoderen, efficiëntie en accuraatheid.
- Communicatie heeft altijd een bedoeling, misverstanden worden als fouten gezien.
- Leunt op sociale wetenschappen en psychologie: bestudeert communicatieve handelingen (acts of
communication)
De betekeniscreatie-school
- Ziet communicatie als productie en uitwisseling van betekenissen.
- Focus op hoe boodschappen interageren met ontvangers en culturele interpretaties.
- Misverstanden worden niet als fouten gezien, maar als natuurlijke variatie in betekenisgeving.
- Leunt op semiotiek en letteren: bestudeert kunst, media en teksten (works of communication)
- Communicatie draait om interactie en het creëren van gedeelde betekenissen, niet om zender, ontvanger
of intenties.
De processchool richt zich op precisie en effect van communicatie, de betekeniscreatieschool op interactie en
gedeelde betekenissen.
2. BREEK- OF DISCUSSIEPUNTEN IN DE DEFINITIES VAN COMMUNICATIE
Fauconnier (1981)
2.1.Intentionaliteit als breekpunt
Bedoeld door zender (zender actief) Niet bedoeld door zender (zender passief)
Intentioneel ontvangen 1 2: bijv. iemand afluisteren in de trein
(ontvanger actief)
Niet-intentioneel ontvangen 3: bijv. kinderen luisteren niet naar 4: bijv. indrukken die we krijgen van
(ontvanger passief) leerkracht tijdens de les anderen als we op straat lopen
,Teleologische opvatting: Er is pas sprake van communicatie wanneer de zender de bedoeling heeft om een
boodschap uit te sturen en de ontvanger de bedoeling heeft om de boodschap te ontvangen. (1)
Typisch voor de processchool.
Andere benaderingen (vooral uit de hoek van non-verbale communicatie) hanteren de gedragsopvatting en zien
communicatie veel ruimer (dus ook 2, 3 en 4). Volgens hen is al menselijk gedrag communicatief. (Watzlawic, 1967)
Mensen kunnen zich niet niet-gedragen ook niet niet-communiceren.
De teleologische opvatting nuanceert deze visie door te zeggen dat niet alle gedrag communicatief is, maar
wel informatief.
2.2.Geslaagdheid als criterium?
Wat is geslaagde communicatie (GC)? Wat zijn de voorwaarden? (Fauconnier)
GC = E + T + Ox + Ib + Ub
E = expressie van de boodschap
T = transmissie van de boodschap
Ox = boodschap komt bij bedoelde ontvanger terecht
Ib = ontvanger interpreteert boodschap zoals bedoeld is
Ub = boodschap heeft de uitwerking die de zender bedoelde
“Pas wanneer aan al deze voorwaarden is voldaan, spreken we van geslaagde communicatie.”
=> in de praktijk vaak onmogelijk. Het beoordelen van communicatie op geslaagdheid is daarom misschien niet de
beste manier om te bepalen wat communicatie is en wat niet.
2.3.Eenrichtings- of tweerichtingsverkeer
Is communicatie een eenrichtingsproces (actie) of een tweerichtingsproces (interactie)?
Volgens de processchool: eenrichtingspijltje is genoeg. Als A iets zegt tegen B, is dat communicatie. De
reactie van B is een nieuw communicatieproces.
Vanuit een gedragscommunicatieve visie: communicatie is een wederzijds proces waarin zender en
ontvanger voortdurend van rol wisselen.
De keuze tussen eenrichtings- of tweerichtingsverkeer hangt vaak samen met het communicatieniveau.
Massacommunicatie wordt meestal als eenrichtingsverkeer gezien.
Interpersoonlijke communicatie als een circulair proces.
Technologische evoluties, zoals ICT en nieuwe media, hebben deze visie beïnvloed: communicatie wordt steeds vaker
geassocieerd met interactiviteit en tweerichtingsverkeer.
2.4.Observatieniveau
Communicatieniveaus: interpersoonlijk, intrapersoonlijk, communicatie in groepen, organisatiecommunicatie en
massacommunicatie.
, 3. ELEMENTEN IN HET COMMUNICATIEPROCES
3.1.Zender/bron
In de meeste beschrijvingen van het communicatieproces ligt de nadruk enkel op de zender. Wanneer men echter
een onderscheid maakt tussen ‘bron’ en ‘zender’ betekent dit:
Bron = de persoon, of nog specifieker: het brein of de mond van die persoon.
Zender = het technische apparaat dat de boodschap verstuurt.
De zender encodeert de boodschap en stuurt die door.
In de eerste communicatietheorieën en -modellen lag de nadruk op de macht van de zender, die als actief werd
gezien, terwijl de ontvanger als passief en gemakkelijk beïnvloedbaar werd beschouwd.
Latere studies erkenden echter dat het publiek actief is: mensen selecteren, interpreteren en evalueren informatie.
3.2.Ontvanger/bestemmeling
In de meeste beschrijvingen van het communicatieproces ligt de nadruk enkel op de ontvanger. Wanneer men echter
een onderscheid maakt tussen ‘bestemmeling en ‘ontvanger’ betekent dit:
Bestemmeling = de persoon, of nog specifieker: het brein of het oor van die persoon.
Ontvanger = het technische apparaat dat het signaal opvangt.
De ontvanger ontvangt, decodeert en interpreteert de boodschap.
Na jarenlange zenderdominantie is er meer aandacht ontstaan voor de rol van de ontvanger.
Constructivisme = benadrukt de cognitieve activiteiten van mensen bij het ontvangen en verwerken van
boodschappen. Mensen vormen een beeld van de realiteit, dat beeld bepaalt hun verdere handelen.
3.3.Boodschap
Een boodschap bestaat uit tekens, verbale of non-verbale stimuli die betekenis kunnen dragen. De betekenis zelf
wordt niet rechtstreeks overgedragen, maar ontstaat door de interpretatie van de ontvanger.
Volgens Saussure bestaat een teken uit 2 delen:
Signifiant (betekenaar): de vorm of prikkel (zoals het woord kat of een geluid)
Signifié (betekende): het concept of idee waarnaar de betekenaar verwijst.
Dankzij deze tweedeling kunnen we ook spreken over dingen die niet fysiek aanwezig zijn.
Pierce onderscheidt 3 soorten tekens:
Symbolen: hun betekenis is bepaald door wat mensen samen hebben afgesproken binnen een taal of cultuur.
- Bijv. het woord stoel verwijst naar een object, maar is het niet.
Iconen: vertonen een fysieke gelijkenis met wat ze voorstellen.
- Bijv. een foto, een pictogram, nabootsing dierengeluid, …
Indices: verwijzen door een verband of aanwijzing.
- Bijv. donkere wolken zijn een index van regen
, Een code = een afsprakenstelsel van tekens en regels binnen een cultuur dat bepaalt hoe mensen tekens gebruiken
en begrijpen.
(en)coderen = de boodschap wordt verwerkt tot tekens.
Decoderen = de ontvanger kent betekenis toe aan die tekens. De context bepaalt vaak de betekenis.
3.4.Signaal
= de drager van de tekens. Bijv. lichtgolven, luchttrillingen, …
3.5.Kanaal
= draagt de signalen over van zender naar ontvanger. Bijv. telefoonlijn, televisiekabels, lucht, …
3.6.Medium
= middel of object dat een boodschap kan dragen of overbrengen. Bijv. televisie, radio, krant, muur (met bijv. graffiti
op), bierviltje, …
In massacommunicatie is het medium duidelijk te bepalen. In face-to-facecommunicatie is dat minder evident:
Sommigen spreken van een ongemedieerde communicatie (geen medium aanwezig).
Anderen, zoals Fiske (1990), zien de stem als medium dat woorden omzet in signalen.
Bordewijk en Van Kaam (1986) onderscheiden media obv de mate van interactiviteit en de controle over informatie.
Controle over de opgeslagen informatie.
Controle over tijd en Centraal Individueel
keuze van object. Centraal Allocutie Registratie
Individueel Consultatie Conversatie
Er ontstaan 4 communicatiepatronen:
Allocutie: eenrichtingsverkeer van zender naar ontvanger.
- Bijv. televisie, radio, toespraken van politici, …
Conversatie: tweerichtingsverkeer met wederzijdse controle.
- Bijv. telefoongesprek, face-to-face gesprekken, chatgesprekken, videomeetings, …
Consultatie: een individu raadpleegt een centrale bron.
- Bijv. krant lezen, databank raadplegen, bekijken van website, encyclopedie, …
Registratie: een centrale instantie verzamelt informatie van individuen.
- Bijv. examens, kijkcijfers, enquêtes, klantgegevens, …
De komst van nieuwe media vervaagt deze grenzen: digitale netwerken combineren massacommunicatie,
datacommunicatie en interactie in één geïntegreerd systeem waarin alle vormen van informatie-uitwisseling mogelijk
zijn.