hulpverlening
1. Wat is sociale agogiek?
Agogie(k) = begeleiden van veranderingsprocessen
• Sociale agogiek is professionele beïnvloeding. Het gaat altijd over het welzijn van de
cliënt verhogen.
Verandering kost tijd en is vaak moeilijk. Mensen hebben de neiging om vast te houden aan oude
gewoontes. Als HV moet je hier geduldig en ondersteunend mee omgaan. Het is normaal dat
cliënten weerstand vertonen of terugvallen in oud gedrag. Het is uitdagend voor de HV
• Negatief: Voor sommigen kost het moeite om het tempo van de veranderingen bij te
houden of ze hebben last van de onzekerheid die veranderingen met zich meebrengt.
• Positief: Anderen houden van dynamiek en voelen zich er juist door uitgedaagd.
… maar hoe ze er ook tegenaan kijken, elke verandering stelt hoge eisen aan de betrokkenen.
Bijvoorbeeld eerste jaarsstudenten, meegekregen en voorbereid op les op ZWS maar door de
aantal sint annaplein, de ene ziet dit positief de andere negatief
2. Soorten verandering
Verandering kan verschillende vormen aannemen. De onderscheid tussen exagogiek, anagogiek
en niet-verandering.
Verandering: verschil tussen nieuwe en oude situatie:
1. Oude situatie vervangen
2. Nieuwe situatie toevoegen
De uitgangssituatie of vertreksituatie van een veranderingsproces kan verschillend zijn:
2.1 Exagogiek of negatieve uitgangssituatie
• Doel: een negatieve situatie verbeteren of problemen oplossen.
• Voorbeeld: Een maatschappelijk werker helpt een jongere met een verslaving een
afkickprogramma te volgen en een stabiele woonplek te vinden.
2.2 Anagogiek
• Doel: persoonlijke groei of welzijn bevorderen zonder direct probleemoplossing, streven
naar een nog betere toestand
• Voorbeeld: Een buurtcentrum organiseert workshops gezonde voeding om de
levenskwaliteit van bewoners te verbeteren.
2.3 Niet-verandering / Preventie
• Doel: voorkomen dat een situatie erger wordt of escaleert.
• Voorbeeld: Een sociaal werker ziet spanningen tussen bewoners en grijpt niet meteen in,
maar wacht op het juiste moment om te bemiddelen. Preventie
,2.4 Gemengde verandering
• Soms combineert verandering exagogiek en anagogiek:
o Voorbeeld: Een organisatie helpt langdurig werklozen bij het leren solliciteren
(exagogiek) en tegelijkertijd bij het vergroten van zelfvertrouwen en netwerken
(anagogiek).
Verandering gebeurt vaak traag en in kleine stappen. Op groepsniveau kan het ook lastig zijn,
omdat oude gewoontes diepgeworteld zijn. Hulpverleners moeten geduld en flexibiliteit tonen,
en de cliënt steunen zonder het over te nemen.
2.5 Voorbeelden
1. Een maatschappelijk werker helpt een jongere met een verslaving om een
afkickprogramma te starten en een stabiele woonplek te vinden.
. Exagogiek
2. Een buurtcentrum organiseert workshops rond gezonde voeding om de levenskwaliteit
van de bewoners te verbeteren.
. Anagogiek
3. Een sociaal werker in een opvangcentrum merkt spanningen tussen twee bewoners,
maar grijpt niet meteen in. Hij wacht op een geschikt moment om te bemiddelen.
. Niet veranderen
4. Een organisatie helpt langdurig werklozen bij het aanleren van sollicitatievaardigheden
en netwerken, zodat ze een betere kans maken op werk.
. Exa en ana kan, negatief doordat ze geen job hebben maar proberen het naar
positief te brengen. Negatieve uitgang past wel beter
,3. Basisprincipes van een goed gesprek
Een goed gesprek is cruciaal in sociale agogiek. Het helpt de cliënt inzicht te krijgen, emoties te
uiten en zelf oplossingen te vinden. Communicatie staat centraal in elk hulpverlenend gesprek.
De HV staat professioneel dus hij/zij draagt zorg voor een goed verlopend gesprek.
Kenmerken van een goed gesprek:
• Veilig klimaat: de cliënt voelt zich veilig en gehoord.
• Duidelijkheid: het doel en de structuur van het gesprek zijn duidelijk.
• Betrokkenheid: zowel cliënt als hulpverlener nemen actief deel.
• Bekwaamheid: de hulpverlener kan het gesprek sturen zonder het over te nemen.
Bekwaamheid van de hulpverlener
• een open gesprekssfeer creëren
• vertrouwen opbouwen
• het probleem op tafel krijgen
• loop van het gesprek bewaken
• tot inzicht brengen of tot een oplossing komen
• empathisch zijn, niet veroordelende houding en congruent zijn
Belangrijke gespreksvaardigheden:
• Actief luisteren
• Ik-boodschappen gebruiken
• Assertief communiceren
• Non-verbale communicatie gebruiken
• Feedback geven en ontvangen
• Empathie, congruentie en een accepterende houding tonen
Een goed gesprek vereist bekwaamheid en gespreksvaardigheden
,4. Hulpverleningsstijlen: Non-directief en Directief
Zijn stijlen/manieren waarop je een gesprek voert. Tijdens examen: krijg je een casus en je moet
het soort gesprekstijl vernoemen. Techniek en stijl is niet hetzelfde!!
4.1 Non-directieve stijl
Kenmerk: de cliënt bepaalt wat er aan bod komt en krijg, neemt het voortouw in het gesprek en
krijgt devrijheid om te vertellen.
Taak: het creëren van een sfeer waarin de cliënt zich zo goed mogelijk kan ontwikkelen: een
sfeer waarin de cliënt zichzelf kan zijn en zijn gevoel van eigenwaarde kan behouden.
• belang van vertrouwen creëren
• voor het scheppen van een dergelijke sfeer moet de hulpverlener een bepaalde
houding aannemen
Houding van de hulpverlener:
• Empathisch zijn, meevoelen met de cliënt.
• Echt zijn, authentiek blijven, toon jezelf als mens
• Onvoorwaardelijke acceptatie van de cliënt.
• Ruimte geven: luisteren, niet onderbreken, niet van onderwerp veranderen.
• Geen discussies aangaan.
• Zich uitnodigend openstellen - Veilig klimaat scheppen
• Aandacht besteden aan de beleving van de ander
Technieken / vaardigheden:
• Open vragen stellen
• Non-verbale signalen gebruiken
• Actief luisteren en parafraseren
• Gevoelsreflectie
• Betekenisvolle stiltes laten vallen
• Positief etiketteren
Doel van de non-directieve hulpverlening
• de cliënt laten vertellen op eigen tempo
• de cliënt zelf tot inzicht in het probleem laten komen
• emoties laten ventileren
• de cliënt stimuleren om zelf tot oplossingen te komen
• de cliënt een ‘spiegel’ voorhouden
• de cliënt laten reflecteren’
Voorbeeld non-directief gesprek: Irene (hulpverlener) – Lizette (cliënt):
• Irene: “Ik kan me voorstellen dat het moeilijk voor je is om hierover te praten. Hoe voel je
je?”
• Lizette: “Ik weet het niet, eigenlijk niet zo goed. Ik moet zoveel huilen.”
Wat dit doet: Lizette krijgt de ruimte om gevoelens te uiten, zelf na te denken over haar situatie
en mogelijke oplossingen te ontdekken.
, 4.2 Directieve stijl
Kenmerk: De hulpverlener leidt het gesprek. Door vragen te stellen en te confronteren probeert
de hulpverlener denkpatronen te doorbreken en bewustwording te creëren.
Doel:
• Vastgeroeste denkpatronen doorbreken
• Cliënt laten nadenken over keuzes en gedrag,
• Informatie verzamelen
• Probleemoplossing stimuleren, confronteren, discussieren, doorvragen
Wanneer directief gebruiken:
• Expliciete discussies maar zonder te kwetsen of te beledigen maar om de cliënt ‘wakker
te schudden’
o Bv. bij ernstige problematieken: iemand ‘wakker’ schudden, rust brengen door
roer over te nemen.
• Cliënten zorgt overlast in publieke ruimte en woonomgevingen
• Cliënt kan zich moeilijk uitdrukken
• Problemen nemen toe of escaleren
• Cliënt wil geen hulp, problemen nemer maar toe
• Cliënt moet zich aanpassen aan maatschappelijke eisen
Mogelijke gevolgen
• Gevaar van het doorvragen en confronteren: HV praat de cliënt ‘vast’. Dit is niet de
bedoeling
Vaardigheden:
• Gesloten vragen stellen
• Structureren van het gesprek
• Samenvatten en nieuwe gespreksonderwerpen introduceren
• Twijfels uitspreken
• Confronteren
• Adviseren en overtuigen
• Opdrachten geven
Voorbeeld directief gesprek : Anne (hulpverlener) – Marieke (cliënt):
• Anne: “Waarom denk je dat je alleen zult blijven als je besluit zonder Stefan verder te
gaan?”
• Marieke: “Ik ben er als de dood voor. Ik vond Stefan een lot uit de loterij.”
• Anne: “Je doet net alsof je daar spijt van moet hebben. Terwijl de kans groot is dat je er
alleen maar beter van wordt.”
Effect: Marieke wordt uitgedaagd kritisch na te denken over haar keuzes en gevoelens.