BEDRIJFSCOMMUNICATIE NEDERLANDS 1
1. SPELLING
officiële spellingsregels (zie Groene boekje of woordenlijst.org)
1.1. De Nederlandse werkwoorden
Zie test p. 7
1.1.1. De verschillende Nederlandse tijden, actief en passief
“zullen” (+ inf)
“hebben” (+
voltooid
deelwoord)
“worden”
(+voltooid
deelwoord)
“zijn” (+
voltooid
deelwoord)
voltooid deelwoord : gespeeld onvoltooid deelwoord :
spelend
drukken tijd of handeling uit
1.1.2. Zwakke werkwoorden
, 2
Onvoltooid verleden tijd (OVT) Stamdeel bepaalt
uitgang verleden tijd (-
de of -te)
Laatste klank v/h ww
een medeklinker uit ’t
kofschip uitgang -
te(n)
Anders -de(n)
Voltooid deelwoord
kijken welkte uitgang OVT of ’t kofschip
Basisregel: ge + stam + t/d
- De t/d valt weg als stam al eindige op d of t (ge + antwoord)
- Ge- valt weg als stam begint met voorvoegsel (verpletter + d)
(uitzondering: gevernist)
- Als stam begint met voorzetsel, ge- volgt op dat voorzetsel (op + ge
+ maak + t)
! als het voltooid deelwoord als een bijvoeglijk naamwoord is NOOIT
dubbele -t/-d
1.1.3. Sterke werkwoorden