Economie A
1. Introductiebegrippen
Dynamic pricing = als er meer vraag is naar een goed/dienst gaat de prijs mee
gaan stijgen, als er minder vraag is naar een goed/dienst zal de prijs gaan zakken.
(bv. Festivaltickets)
Betalingsbereidheid = de consument wil betalen.
2. Wat is economie?
Wat is economie?
Economie = betreft de organisatie van de systemen van productie en
consumptie. Het is een sociale wetenschap, de mens staat centraal.
Micro-economie:
Economische agenten:
▪ Consumenten
▪ Producenten
▪ Pro-sumenten
Prosumenten = consumenten die ook goederen en diensten aanbieden die
traditioneel door de producenten werden aangeboden. Je bent dus zowel
consument als producent. Dit fenomeen ontstaat door nieuwe technologie.
Bijvoorbeeld
AirBnb: Je gebruikt het huis soms (consument), maar verhuurt het ook aan
anderen (producent).
Uber: Je gebruikt je auto (consument), maar vervoert er ook andere mensen mee
(producent).
Macro-economie:
Regulatoren:
▪ Banksector
▪ Overheid
▪ Buitenland
,Keuze
We kunnen niet voldoen aan onze eindeloze behoeftes. Een budgetbeperking
zet ons tegenover een keuzeprobleem (= met schaarse goederen een maximale
behoefte-invulling bereiken).
De economische wetenschap
Aanname 2: economische agenten kiezen rationeel (= de meest logische / de
beste keuze)
Het bestudeert:
▪ Keuzes inzake consumptie als gevolg van schaarste
▪ Keuzes inzake productie als gevolg van schaarste
▪ De gevolgen van deze keuzes voor de maatschappij
Schaarste
Defenities schaarste:
▪ = Wanneer het gebruik groter is dan de hoeveelheid van dat middel die
beschikbaar is, wordt dat middel als schaars beschouwd.
▪ Een middel is schaars als er middelen moeten worden voor opgeofferd
om het te bekomen.
▪ Een middel is schaars als het meer gewild is (vraag) dan dat het
beschikbaar is (aanbod).
Schaarste is een economisch concept: hoeveel eenheden zijn gevraagd en
hoeveel eenheden zijn er beschikbaar?
Schaarste versus zeldzaamheid:
Zeldzaamheid (= weinig voorkomend) is niet gelijk aan schaarste! Zeldzame
goederen zijn niet per se schaars.
Bijvoorbeeld
Goud: goud is zeldzaam (weinig voorkomend) maar niet schaars (lage vraag naar
goud)
Water: water is niet zeldzaam, maar wel soms schaars (Afrika).
Schaarste is subjectief:
▪ Hoe meer je wilt, hoe meer schaarste je zal ervaren.
▪ Iemand die tevreden is met wat hij heeft zal zo dus minder schaarste
ervaren, ongeacht zijn geldmiddelen/budget. Zo kan een relatief “armer”
persoon minder schaarste ervaren dan een rijkelui.
, ▪ Filosofisch : rijk zijn zij die tevreden zijn, arm zijn degene die alleen maar
meer willen.
Economische behoeften
Economische behoeften = de verlangens van de mens waaraan men slechts kan
voldoen door het inzetten van schaarse middelen.
▪ Behoeften uiten zich door een ervaring van een tekort.
▪ Behoeften zijn immaterieel (= niet materieel)
▪ Een economisch goed/dienst kan voldoen aan een behoefte.
Bijvoorbeeld
Sociaal contact (= de behoefte) => avondje uit (= economisch goed/dienst)
Mobiliteit (= de behoefte) => fiets, trein, auto (= economisch goed/dienst)
Connectiviteit (= de behoefte) => smartphone (= economisch goed/dienst)
Fysieke paraatheid (= de behoefte) => sportabonnement (= economisch
goed/dienst)
Soorten:
1. Primair
▪ Behoeften die aangeboren zijn
▪ Sterk verbonden met het lichaam
Bijvoorbeeld
Fysiek overleven, veiligheid, slaap, beweging (= de behoefte)
Brood, frisdrank, woning, bed (= Invulling met economische G & D)
2. Secundair
▪ Behoeften zijn niet aangeboren, maar aangeleerd
▪ Sterk sociaal georiënteerd
Bijvoorbeeld
Cultuur, persoonlijke ontwikkeling (= de behoefte)
Cinema ticket, inschrijving ugent (= Invulling met economische G & D)
3. Tertiair
▪ Behoefte naar luxe
Bijvoorbeeld
De wereld zien, je opgemerkt verplaatsen (= de behoefte)
Verre reis, sportbak (= Invulling met economische G & D)
Aanname 1: de behoeften zijn onbeperkt
, “na elke ingevulde behoefte ontstaat een nieuwe niet ingevulde behoefte.” Dit
proces is eindeloos
Verklaring:
Er is een toename in de economische productie en technologische ontwikkeling.
Er ontstaan nieuwe goederen/diensten waar de mens naar verlangt.
Theoretische veronderstellingen:
▪ Duurzaamheidsdenken: tegenwoordig denken mensen meer duurzaam
of milieugericht
▪ Degrowth-gedachte: “er moet een einde aan de economische groei
komen om de Aarde in leven te houden.”
1.1 Keuze, afruil en opportuniteitskost
Economische agenten moeten keuzes maken:
▪ De behoeften zijn onbeperkt
▪ De middelen om aan de behoefte te voldoen zijn schaars
Economie is de wetenschap van de keuzes die gemaakt worden als
gevolg van schaarste
Economische problemen
= keuzeproblemen, afwegen van …
▪ De voordelen van de keuze
= de baten
Voldoen ze aan de behoeften?
▪ De nadelen van de keuze
= de kosten
De ingezette middelen zijn niet meer beschikbaar.
(inclusief opportuniteitskosten)
Opportuniteitskost
De opportuniteitskost is de niet gerealiseerde opbrengst van het best mogelijke
alternatief voor de gemaakte keuze.
Aanname 5: Bij het bepalen van de (economische) kosten wordt rekening
gehouden met opportuniteitskosten
Het is het belangrijkste deel van de economische totaalkost.
Economisch resultaat Boekhoudkundig resultaat
Opbrengsten Opbrengsten
− Kosten − Kosten
1. Introductiebegrippen
Dynamic pricing = als er meer vraag is naar een goed/dienst gaat de prijs mee
gaan stijgen, als er minder vraag is naar een goed/dienst zal de prijs gaan zakken.
(bv. Festivaltickets)
Betalingsbereidheid = de consument wil betalen.
2. Wat is economie?
Wat is economie?
Economie = betreft de organisatie van de systemen van productie en
consumptie. Het is een sociale wetenschap, de mens staat centraal.
Micro-economie:
Economische agenten:
▪ Consumenten
▪ Producenten
▪ Pro-sumenten
Prosumenten = consumenten die ook goederen en diensten aanbieden die
traditioneel door de producenten werden aangeboden. Je bent dus zowel
consument als producent. Dit fenomeen ontstaat door nieuwe technologie.
Bijvoorbeeld
AirBnb: Je gebruikt het huis soms (consument), maar verhuurt het ook aan
anderen (producent).
Uber: Je gebruikt je auto (consument), maar vervoert er ook andere mensen mee
(producent).
Macro-economie:
Regulatoren:
▪ Banksector
▪ Overheid
▪ Buitenland
,Keuze
We kunnen niet voldoen aan onze eindeloze behoeftes. Een budgetbeperking
zet ons tegenover een keuzeprobleem (= met schaarse goederen een maximale
behoefte-invulling bereiken).
De economische wetenschap
Aanname 2: economische agenten kiezen rationeel (= de meest logische / de
beste keuze)
Het bestudeert:
▪ Keuzes inzake consumptie als gevolg van schaarste
▪ Keuzes inzake productie als gevolg van schaarste
▪ De gevolgen van deze keuzes voor de maatschappij
Schaarste
Defenities schaarste:
▪ = Wanneer het gebruik groter is dan de hoeveelheid van dat middel die
beschikbaar is, wordt dat middel als schaars beschouwd.
▪ Een middel is schaars als er middelen moeten worden voor opgeofferd
om het te bekomen.
▪ Een middel is schaars als het meer gewild is (vraag) dan dat het
beschikbaar is (aanbod).
Schaarste is een economisch concept: hoeveel eenheden zijn gevraagd en
hoeveel eenheden zijn er beschikbaar?
Schaarste versus zeldzaamheid:
Zeldzaamheid (= weinig voorkomend) is niet gelijk aan schaarste! Zeldzame
goederen zijn niet per se schaars.
Bijvoorbeeld
Goud: goud is zeldzaam (weinig voorkomend) maar niet schaars (lage vraag naar
goud)
Water: water is niet zeldzaam, maar wel soms schaars (Afrika).
Schaarste is subjectief:
▪ Hoe meer je wilt, hoe meer schaarste je zal ervaren.
▪ Iemand die tevreden is met wat hij heeft zal zo dus minder schaarste
ervaren, ongeacht zijn geldmiddelen/budget. Zo kan een relatief “armer”
persoon minder schaarste ervaren dan een rijkelui.
, ▪ Filosofisch : rijk zijn zij die tevreden zijn, arm zijn degene die alleen maar
meer willen.
Economische behoeften
Economische behoeften = de verlangens van de mens waaraan men slechts kan
voldoen door het inzetten van schaarse middelen.
▪ Behoeften uiten zich door een ervaring van een tekort.
▪ Behoeften zijn immaterieel (= niet materieel)
▪ Een economisch goed/dienst kan voldoen aan een behoefte.
Bijvoorbeeld
Sociaal contact (= de behoefte) => avondje uit (= economisch goed/dienst)
Mobiliteit (= de behoefte) => fiets, trein, auto (= economisch goed/dienst)
Connectiviteit (= de behoefte) => smartphone (= economisch goed/dienst)
Fysieke paraatheid (= de behoefte) => sportabonnement (= economisch
goed/dienst)
Soorten:
1. Primair
▪ Behoeften die aangeboren zijn
▪ Sterk verbonden met het lichaam
Bijvoorbeeld
Fysiek overleven, veiligheid, slaap, beweging (= de behoefte)
Brood, frisdrank, woning, bed (= Invulling met economische G & D)
2. Secundair
▪ Behoeften zijn niet aangeboren, maar aangeleerd
▪ Sterk sociaal georiënteerd
Bijvoorbeeld
Cultuur, persoonlijke ontwikkeling (= de behoefte)
Cinema ticket, inschrijving ugent (= Invulling met economische G & D)
3. Tertiair
▪ Behoefte naar luxe
Bijvoorbeeld
De wereld zien, je opgemerkt verplaatsen (= de behoefte)
Verre reis, sportbak (= Invulling met economische G & D)
Aanname 1: de behoeften zijn onbeperkt
, “na elke ingevulde behoefte ontstaat een nieuwe niet ingevulde behoefte.” Dit
proces is eindeloos
Verklaring:
Er is een toename in de economische productie en technologische ontwikkeling.
Er ontstaan nieuwe goederen/diensten waar de mens naar verlangt.
Theoretische veronderstellingen:
▪ Duurzaamheidsdenken: tegenwoordig denken mensen meer duurzaam
of milieugericht
▪ Degrowth-gedachte: “er moet een einde aan de economische groei
komen om de Aarde in leven te houden.”
1.1 Keuze, afruil en opportuniteitskost
Economische agenten moeten keuzes maken:
▪ De behoeften zijn onbeperkt
▪ De middelen om aan de behoefte te voldoen zijn schaars
Economie is de wetenschap van de keuzes die gemaakt worden als
gevolg van schaarste
Economische problemen
= keuzeproblemen, afwegen van …
▪ De voordelen van de keuze
= de baten
Voldoen ze aan de behoeften?
▪ De nadelen van de keuze
= de kosten
De ingezette middelen zijn niet meer beschikbaar.
(inclusief opportuniteitskosten)
Opportuniteitskost
De opportuniteitskost is de niet gerealiseerde opbrengst van het best mogelijke
alternatief voor de gemaakte keuze.
Aanname 5: Bij het bepalen van de (economische) kosten wordt rekening
gehouden met opportuniteitskosten
Het is het belangrijkste deel van de economische totaalkost.
Economisch resultaat Boekhoudkundig resultaat
Opbrengsten Opbrengsten
− Kosten − Kosten