Samenvatting pre- en protohistorie:
Hoofdstuk 1 – Algemene inleiding
A De termen pre- en protohistorie
• (1) De periodes waar geschreven bronnen ontbreken of te marginaal
waren.
• (2) Wetenschappeljke disciplines die het menselijk gedrag en de
samenleving in betrokken periodes bestuderen.
• Gebasseerd op resultaten van archeologisch onderzoek
• Noodzakelijk inzicht hebben mogelijkheden en beperkingen van het
archeologisch onderzoek
• Bronnen zijn volledig anoniem
o Namen: kenmerken van hun materiële productie of (hedendaagse)
plaatsnamen van sites waar ze gevonden zijn
B Geschiedenis van de pre- en protohistorische archeologie
• Impulsen:
o (1) Europese landen hadden behoefte om op zoekt te gaan naar
wortels eigen taal, cultuur en folklore (18e eeuw)
§ Niet enkel interesse in Klasiek oudheid à ook actief zoeken in
“eigen bodem”
§ Zorgde voor een stimulans voor archeologisch onderzoek als
(politieke) inkeuring van het historisch denken
o (2) Charles Lyell (geologie) heeft onstaandatum van de aarde (4004
v.Chr.) kunnen weerleggen
§ Charles Darwin (biologie) deed ongeveer hetzelfde
• Gevolg archeologie: aandacht stillaan verlegd van
voorwerpen an sich naar verschillende contexten
(ruimtelijk, sociaal, ecologische dimenties)
o Prehistorie à minder geassocieerd met werk historici.
o Door schaarste bronnenmateriaal: beroep op natuurwetenschappen
1
, o 2e helft 20e eeuw: prehistorische en klassieke archeologie meer naar
elkaar gegroeid
• Pioniers:
o (1) Christian Thompson (Deen):
§ 1830: ordenen oudheidkundige collectie op basis van
materiaal
§ Zag dat als een voortschrijdende technologische ontwikkeling
§ Tot op de dag van vandaag belangrijk (wel wat verfijnd)
o (2) Jens Worsaae:
§ Thompsons opvolger
§ Ontwikkeling archeologische stratigrafie
§ Methode waarmee drieperiodenstelsel geconfirmeerd kon
worden en verder uitgewerkt
o (3) Oscar Montelius
§ Eind 19e eeuw à typologische methode
Þ Deze benaderingwijzen zorgden ervoor om vondsten te ordenen binnen
chronologisch kader
Deel geskipt
D Overzicht van bronnenmateriaal en bewaringstoestanden
1 Archeologische sites
Abris-sous-roche en grotsites
• Geen woonplaatsen gevonden in diepe grotten
o Wel kunst (wss hierdoor het idee van “holbewoners”)
o Woonplaatsen in ondiepe grotten, overhangende rotsen (abris-sous-
roche) en terassen ervoor
• Intense sedimentatieprocessen en vaak terugkeren van de mens
o Lange (en complexe) statigrafische sequenties
• Kalkrijk milieu in dergelijke contexten à goede conservatie
beendermateriaal
• Vertegenwoordigen echter slechts deeltje van prehistorische
nederzettingen (uitsluitend sites in de openlucht)
o Enkel voor in kalkgebieden
§ Door karstvorming grotten ontstaan
2
,Openluchtnederzettingen
• Vandaag: niks meer overeind
• Houten gebouwen (meer sedentair): (negatieve) sporen van de
‘paalkuilen’
o Opnieuw constructies samengesteld
• Minder permanente hutten of tenten (jager-verzamelaars): tentringen in
het grondplan van achtergelaten afvalmateriaal (negatieve sporen)
• Nadeel: grotendeels aangetast door moderne mens
o Grootste aantal gekende sites: bestaan enkel door
oppervlaktevondsten (relatieve archeologische waarde)
§ Kan enig inzicht verschaffen
• Bv. omvang, voorkeur voor inplanting …
• Begraven site: bewaringstoestand afhankelijk context waarin het zich
bevindt
o Bv: alluviale sites (in afzetting van een rivier gevonden)
§ Nabijheid van water levensnoodzakelijk
• Rijk aan archaeologica
§ Rivierterassen: vaak informatie over evolutie milieu
§ Nederzettingen in situ hier zeldzaam
§ Dynamische karakter zorgt voor verplaatsing artefacten
§ Gebieden die langzaam overstroomde: fijne sedimenten (slib)
achterlaten en bewaringstoestand uitzonderlijk goed
o Bv: eolische sedimenten (door de wind afgezet)
§ Ijstijden: NW-wind nam voortduren stof aan
• Grootste fractie (zand) in N à kleinere fractie (loess) in
Z
- Op sommige plaatsen dik pakket interessante
stratigrafieën
§ Kalkrijke lagen: beenderen
§ Duinvorming: afdekking van archeologische vindplaatsen op
sommige plaatsen
• Duinruggen favo. Plek mesolithische jager-
verzamelaars
- Drinkwater, rijk aan wild, gevogelte en vis
3
, o Bv: organische sedimenten (meren verlandden door de groei van
veen)
§ Rijk aan organische prehistorische resten
§ Bieden mogelijkheid voor gedetailleerd onderzoek nr de
reconstructie vh milieu
o Bv: antropogene sedimenten (mens op dezelfde plek en afvan en
bouwpuin)
§ Eeuwenlange opeenhoping door de mens gevormde lagen
• Ontstaan tells
Afvalhopen
• Vanaf neolithicum: in zowat alle nederzettingen worden afvalhopen en/of
afvalkuilen aangetroffen
• Aparte groep sites die enkel bestaat uit gigantische hopen voedselresten of
‘keukenafval’ (tot 3m hoog)
o Køkkenmøddingen (Denemarken) of escargotières (Noord-Afrika)
• Interessante bron vr reconstructies van economie en consumptie
Begraafplaatsen
• Belangrijke groep van sites
• Intentionele begravingen in de grond of grafheuvels à vaak beter bewaard
dan eigenlijke nederzettingen
o Nagenoeg enige bronnen in laatneolithicum en metaaltijd i.o.g.
• Type informatie dat hieruit onttrokken kan wordenover bertrokken
samenleving in relatief beperkt
o Wel iets vertellen over populaties uit verleden (studie
skeletmateriaal)
o Bron voor sociale analyse (status dooe grafgiften)
Monumentale sturcturen
• In West-Europa (megalithisme) en niet Nabije Oosten
• Neolithicum: dolmen, menhirs, hengemonumenten
o Vormen samen met grafheuvels zichtbare elementen in landschap
• Echte stenen gebouwen in NW-Europa: vanaf Gallo-Romeinse periode
4
Hoofdstuk 1 – Algemene inleiding
A De termen pre- en protohistorie
• (1) De periodes waar geschreven bronnen ontbreken of te marginaal
waren.
• (2) Wetenschappeljke disciplines die het menselijk gedrag en de
samenleving in betrokken periodes bestuderen.
• Gebasseerd op resultaten van archeologisch onderzoek
• Noodzakelijk inzicht hebben mogelijkheden en beperkingen van het
archeologisch onderzoek
• Bronnen zijn volledig anoniem
o Namen: kenmerken van hun materiële productie of (hedendaagse)
plaatsnamen van sites waar ze gevonden zijn
B Geschiedenis van de pre- en protohistorische archeologie
• Impulsen:
o (1) Europese landen hadden behoefte om op zoekt te gaan naar
wortels eigen taal, cultuur en folklore (18e eeuw)
§ Niet enkel interesse in Klasiek oudheid à ook actief zoeken in
“eigen bodem”
§ Zorgde voor een stimulans voor archeologisch onderzoek als
(politieke) inkeuring van het historisch denken
o (2) Charles Lyell (geologie) heeft onstaandatum van de aarde (4004
v.Chr.) kunnen weerleggen
§ Charles Darwin (biologie) deed ongeveer hetzelfde
• Gevolg archeologie: aandacht stillaan verlegd van
voorwerpen an sich naar verschillende contexten
(ruimtelijk, sociaal, ecologische dimenties)
o Prehistorie à minder geassocieerd met werk historici.
o Door schaarste bronnenmateriaal: beroep op natuurwetenschappen
1
, o 2e helft 20e eeuw: prehistorische en klassieke archeologie meer naar
elkaar gegroeid
• Pioniers:
o (1) Christian Thompson (Deen):
§ 1830: ordenen oudheidkundige collectie op basis van
materiaal
§ Zag dat als een voortschrijdende technologische ontwikkeling
§ Tot op de dag van vandaag belangrijk (wel wat verfijnd)
o (2) Jens Worsaae:
§ Thompsons opvolger
§ Ontwikkeling archeologische stratigrafie
§ Methode waarmee drieperiodenstelsel geconfirmeerd kon
worden en verder uitgewerkt
o (3) Oscar Montelius
§ Eind 19e eeuw à typologische methode
Þ Deze benaderingwijzen zorgden ervoor om vondsten te ordenen binnen
chronologisch kader
Deel geskipt
D Overzicht van bronnenmateriaal en bewaringstoestanden
1 Archeologische sites
Abris-sous-roche en grotsites
• Geen woonplaatsen gevonden in diepe grotten
o Wel kunst (wss hierdoor het idee van “holbewoners”)
o Woonplaatsen in ondiepe grotten, overhangende rotsen (abris-sous-
roche) en terassen ervoor
• Intense sedimentatieprocessen en vaak terugkeren van de mens
o Lange (en complexe) statigrafische sequenties
• Kalkrijk milieu in dergelijke contexten à goede conservatie
beendermateriaal
• Vertegenwoordigen echter slechts deeltje van prehistorische
nederzettingen (uitsluitend sites in de openlucht)
o Enkel voor in kalkgebieden
§ Door karstvorming grotten ontstaan
2
,Openluchtnederzettingen
• Vandaag: niks meer overeind
• Houten gebouwen (meer sedentair): (negatieve) sporen van de
‘paalkuilen’
o Opnieuw constructies samengesteld
• Minder permanente hutten of tenten (jager-verzamelaars): tentringen in
het grondplan van achtergelaten afvalmateriaal (negatieve sporen)
• Nadeel: grotendeels aangetast door moderne mens
o Grootste aantal gekende sites: bestaan enkel door
oppervlaktevondsten (relatieve archeologische waarde)
§ Kan enig inzicht verschaffen
• Bv. omvang, voorkeur voor inplanting …
• Begraven site: bewaringstoestand afhankelijk context waarin het zich
bevindt
o Bv: alluviale sites (in afzetting van een rivier gevonden)
§ Nabijheid van water levensnoodzakelijk
• Rijk aan archaeologica
§ Rivierterassen: vaak informatie over evolutie milieu
§ Nederzettingen in situ hier zeldzaam
§ Dynamische karakter zorgt voor verplaatsing artefacten
§ Gebieden die langzaam overstroomde: fijne sedimenten (slib)
achterlaten en bewaringstoestand uitzonderlijk goed
o Bv: eolische sedimenten (door de wind afgezet)
§ Ijstijden: NW-wind nam voortduren stof aan
• Grootste fractie (zand) in N à kleinere fractie (loess) in
Z
- Op sommige plaatsen dik pakket interessante
stratigrafieën
§ Kalkrijke lagen: beenderen
§ Duinvorming: afdekking van archeologische vindplaatsen op
sommige plaatsen
• Duinruggen favo. Plek mesolithische jager-
verzamelaars
- Drinkwater, rijk aan wild, gevogelte en vis
3
, o Bv: organische sedimenten (meren verlandden door de groei van
veen)
§ Rijk aan organische prehistorische resten
§ Bieden mogelijkheid voor gedetailleerd onderzoek nr de
reconstructie vh milieu
o Bv: antropogene sedimenten (mens op dezelfde plek en afvan en
bouwpuin)
§ Eeuwenlange opeenhoping door de mens gevormde lagen
• Ontstaan tells
Afvalhopen
• Vanaf neolithicum: in zowat alle nederzettingen worden afvalhopen en/of
afvalkuilen aangetroffen
• Aparte groep sites die enkel bestaat uit gigantische hopen voedselresten of
‘keukenafval’ (tot 3m hoog)
o Køkkenmøddingen (Denemarken) of escargotières (Noord-Afrika)
• Interessante bron vr reconstructies van economie en consumptie
Begraafplaatsen
• Belangrijke groep van sites
• Intentionele begravingen in de grond of grafheuvels à vaak beter bewaard
dan eigenlijke nederzettingen
o Nagenoeg enige bronnen in laatneolithicum en metaaltijd i.o.g.
• Type informatie dat hieruit onttrokken kan wordenover bertrokken
samenleving in relatief beperkt
o Wel iets vertellen over populaties uit verleden (studie
skeletmateriaal)
o Bron voor sociale analyse (status dooe grafgiften)
Monumentale sturcturen
• In West-Europa (megalithisme) en niet Nabije Oosten
• Neolithicum: dolmen, menhirs, hengemonumenten
o Vormen samen met grafheuvels zichtbare elementen in landschap
• Echte stenen gebouwen in NW-Europa: vanaf Gallo-Romeinse periode
4