Werkcollege 1 – Variabelen, operatoren, functies, if
Variabelen
Uitdrukking Expressie; stukjes code die een resultaat terug geven
Variabele Veranderlijke gegeven (resultaten en waarden) bewaren
➢ Ze worden gemaakt door iets aan toe te wijzen
Wat is een geldige variabele?
1. Naam variabelen: letters, nummers en underscores
o Karakters (@,$,%,-) en spaties zijn niet toegestaan
2. Bepaalde woorden zijn niet gestaan omdat het functies zijn: if, not, and, True, …
3. Sommige functies kun je wel gebruiken als variabele, maar dit overschrijft de functie*: print
4. Hoofdlettergevoelig
o TIP: gebruik enkel kleine letters
5. Naam niet met een nummer beginnen: 1variabele
6. Gebruik zinvolle variabele namen voor leesbaarheid
7. Naam van variabele is gevolgd door gelijk aanteken (=), waarna je de waarde zet die je wil opslaan
Overschrijven van een variabele
Als een variabele een nieuwe waarde krijgt, door toekenning of door programma, dan wordt de bestaande waarde
overgeschreven en wijzigt de waarde van de variabele!
Types variabelen
Integer int Geheel getal
Float float Kommagetal
String str Kort stukje tekst
➢ Begin aan eind met enkele/dubbele aanhalingstekens
➢ + operator lijmt 2 string getallen aan elkaar: ‘5’ + ‘5’ = ‘55’
= concatenation
Boolean bool Variabele met 2 mogelijke opties: True/False
➢ Hoofdlettergevoelig: hoofdletter!
➢ GEEN aanhalingstekens
Bij twijfel welke variabele het is kun je type() functie gebruiken
Functies
Functies nemen een input (argumenten) en geven een output
Type functies
Round round() Afronden van kommagetallen naar gehele getallen
Print print() Stuk tekst weer te geven op het scherm
➢ Vaak in combi met f-string: print(f ‘Het is vandaag {dag}’)
➢ Bevat een default argument sep: schrijft standaard een spatie tussen
variabelen gescheiden door een komma
• Oplossing 1: print (‘ … ‘,variabel,’ …’, sep=’’)
• Oplossing 2: print (‘ … ‘+variabel+’ …’)
• Oplossing 3: gebruik maken van f-string
construct int(), float(), str() … Om een functie van type te veranderen gebruiken we een constructer
Input input() Aan de gebruiker van programma om input vragen, deze wordt opgeslagen
onder een variabele
Type type() Heeft weer welke type een variabele is
, Control flow
= volgorde van uitvoeren van een programma
Control flow statements
Voorwaardelijke constructies
If, elif, else:
een bepaalde stukje code uitvoeren enkel onder een bepaalde voorwaarde
Voorbeeld
Voorwaardelijk woord
Uitdrukking met gelijk aan (==) en aanhalingstekens
Dubbelpunt
Inspringen van output
• Via inspring (indentation blocks) maken we duidelijk welke code bij ‘if’ hoort
o Zolang dezelfde inspring aangehouden, hoort alles bij ‘if’
• ‘If’ gevolg door ‘else’
o Als de ‘if’ voorwaarde niet voldoend, wordt de ‘else’ uitgevoerd
• ‘if’ gevolg door ‘elif’
o Hij controleert de voorwaarden tot hij de juiste tegenkomt, de lager gelegen voorwaarden
controleert hij dan niet meer
• ‘if’ gevolg door ‘if’
o Alle voorwaarden woorden getest
Vergelijkingsoperatoren, wiskundige operatoren, verkorte operatoren combinatie-operatoren
Sommige operatoren werken zowel met tekst als met getallen
! Bij tekst wel altijd aanhalingstekens gebruiken
Symbool Betekenis Symbool Betekenis
== Gelijk aan + Optelling
!= Niet gelijk aan - Aftrekking
< Kleiner dan / Deling
> Groter dan * Vermenigvuldiging
<= Kleiner dan of gelijk aan ** Machtsverheffing
>= Groter dan of gelijk aan % Modulo: geeft de rest na een deling
// Deling met afrond naar beneden
Bij verkorte operatoren zet je operator voor gelijk aanteken: +=, -+, *= , /=
Symbool Betekenis
And ‘True’ als beide voorwaarden ‘True’ zijn
Or ‘True’ als een van twee kanten ‘True’ is
not ‘True’ wordt ‘False’ en vice versa
Variabelen
Uitdrukking Expressie; stukjes code die een resultaat terug geven
Variabele Veranderlijke gegeven (resultaten en waarden) bewaren
➢ Ze worden gemaakt door iets aan toe te wijzen
Wat is een geldige variabele?
1. Naam variabelen: letters, nummers en underscores
o Karakters (@,$,%,-) en spaties zijn niet toegestaan
2. Bepaalde woorden zijn niet gestaan omdat het functies zijn: if, not, and, True, …
3. Sommige functies kun je wel gebruiken als variabele, maar dit overschrijft de functie*: print
4. Hoofdlettergevoelig
o TIP: gebruik enkel kleine letters
5. Naam niet met een nummer beginnen: 1variabele
6. Gebruik zinvolle variabele namen voor leesbaarheid
7. Naam van variabele is gevolgd door gelijk aanteken (=), waarna je de waarde zet die je wil opslaan
Overschrijven van een variabele
Als een variabele een nieuwe waarde krijgt, door toekenning of door programma, dan wordt de bestaande waarde
overgeschreven en wijzigt de waarde van de variabele!
Types variabelen
Integer int Geheel getal
Float float Kommagetal
String str Kort stukje tekst
➢ Begin aan eind met enkele/dubbele aanhalingstekens
➢ + operator lijmt 2 string getallen aan elkaar: ‘5’ + ‘5’ = ‘55’
= concatenation
Boolean bool Variabele met 2 mogelijke opties: True/False
➢ Hoofdlettergevoelig: hoofdletter!
➢ GEEN aanhalingstekens
Bij twijfel welke variabele het is kun je type() functie gebruiken
Functies
Functies nemen een input (argumenten) en geven een output
Type functies
Round round() Afronden van kommagetallen naar gehele getallen
Print print() Stuk tekst weer te geven op het scherm
➢ Vaak in combi met f-string: print(f ‘Het is vandaag {dag}’)
➢ Bevat een default argument sep: schrijft standaard een spatie tussen
variabelen gescheiden door een komma
• Oplossing 1: print (‘ … ‘,variabel,’ …’, sep=’’)
• Oplossing 2: print (‘ … ‘+variabel+’ …’)
• Oplossing 3: gebruik maken van f-string
construct int(), float(), str() … Om een functie van type te veranderen gebruiken we een constructer
Input input() Aan de gebruiker van programma om input vragen, deze wordt opgeslagen
onder een variabele
Type type() Heeft weer welke type een variabele is
, Control flow
= volgorde van uitvoeren van een programma
Control flow statements
Voorwaardelijke constructies
If, elif, else:
een bepaalde stukje code uitvoeren enkel onder een bepaalde voorwaarde
Voorbeeld
Voorwaardelijk woord
Uitdrukking met gelijk aan (==) en aanhalingstekens
Dubbelpunt
Inspringen van output
• Via inspring (indentation blocks) maken we duidelijk welke code bij ‘if’ hoort
o Zolang dezelfde inspring aangehouden, hoort alles bij ‘if’
• ‘If’ gevolg door ‘else’
o Als de ‘if’ voorwaarde niet voldoend, wordt de ‘else’ uitgevoerd
• ‘if’ gevolg door ‘elif’
o Hij controleert de voorwaarden tot hij de juiste tegenkomt, de lager gelegen voorwaarden
controleert hij dan niet meer
• ‘if’ gevolg door ‘if’
o Alle voorwaarden woorden getest
Vergelijkingsoperatoren, wiskundige operatoren, verkorte operatoren combinatie-operatoren
Sommige operatoren werken zowel met tekst als met getallen
! Bij tekst wel altijd aanhalingstekens gebruiken
Symbool Betekenis Symbool Betekenis
== Gelijk aan + Optelling
!= Niet gelijk aan - Aftrekking
< Kleiner dan / Deling
> Groter dan * Vermenigvuldiging
<= Kleiner dan of gelijk aan ** Machtsverheffing
>= Groter dan of gelijk aan % Modulo: geeft de rest na een deling
// Deling met afrond naar beneden
Bij verkorte operatoren zet je operator voor gelijk aanteken: +=, -+, *= , /=
Symbool Betekenis
And ‘True’ als beide voorwaarden ‘True’ zijn
Or ‘True’ als een van twee kanten ‘True’ is
not ‘True’ wordt ‘False’ en vice versa