Celleer 1 – Celmembraan
Indeling
Celleer
= Cytologie
• Celstructuur: cytologie
• Celwerking: celbiologie & celfysiologie
Situatie binnen verschillende niveaus
➢ Atomen & moleculen: chemie
➢ Cel: organisatie van atomen en moleculen in cellen
➢ Weefsels
➢ Organen, orgaanstelsel, organismes: anatomie
Dogma 1: Celtheorie
Een cel is de kleinste anatomische en functionele eenheid van het leven, gevormd door deling van eerder bestaande
cellen.
• 4 basisconcepten
o Bouwstenen van leven
o Kleinste functionele eenheden
o Gevormd door deling van andere cellen*
o Homeostate: inwendig evenwicht
! virussen voldoen niet: ze kunnen geen aanleiding geven tot andere virussen (gastheer!)
*Waar is het allemaal begonnen: de eerste cel is niet ontstaan door deling
➢ Men denkt dat de eerste cel is door ontstaan van toevallige mengeling van componenten die zo een
elementaire cel vormde en evolueerde tot cellen nu
➢ Laatste jaren kunnen ze in labo cellen maken: het dogma is niet meer zo ingekaderd!
Hoe groot zijn cellen
Een gemiddelde EUK cel in 10𝜇m
Dogma 2: Celbiologie
Cellen hebben erfelijke info die aanstuurt hoe cellen moeten werken, deze zitten op DNA dragers. DNA w
opgeschreven naar RNA en die wordt dan vertaalt naar EW. Deze bepalen doe de cel eruit ziet en werkt. DNA heeft 4
bouwstenen & 20 AZ om de cel functie en structuur te geven.
,Deze dogma is correct, maar er is meer …
➢ Rol epi-genetica: extra niveaus van genetica, nl. genetisch materiaal die invloed hebben op fenotype
o DNA: methylatie & acetlylatie
o RNA: RNA interferentie
➢ Niet alle RNA wordt vertaal naar EW: rRNA, miRNA, tRNA
➢ Aanwezigheid van RT in DNA en RNA: RNA kan ook worden omgezet in DNA
➢ Prionen (EW) die info bevatten om een ander EW te maken
Celbouw van menselijke cel
Cel bestaat uit drie grote delen en hebben dezelfde biochemische opbouw
• Celmembraan: omhulsel
• Cytoplasma: celinhoud met organellen
• Celkern: commandocentrum van de cel
Celsoorten en origine
• Zygote: na fusie van zaadcel en eicel heb je 46 CS
• Eerste delingen (Klievings-delingen) zorgen voor blastomeren
o Deze dochtercellen worden eerst kleiner door delen
• Morula (moerbei): 16 cellen in blastomeer
• Verder groeien naar blastocyt en uiteindelijk embryo
Alle cellen zijn hetzelfde, maar meercellige organisme doen aan cel differentiatie. Cellen gaan een bepaalde richting
uit door specifieke gen-activatie en omgevingsfactoren. Zo krijg je vier soorten cellen:
➢ Oppervlaktecellen: epithelen
➢ Steuncellen: bindweefsel
➢ Contractiele cellen: spierweefsel
➢ Zenuwcellen: geleidingscellen
Algemeen - Celmembraan
= omhulsel van de cel (extreem dun 6-10nm)
• Functies
o Stevigheid
o Uitwisseling & passage van stoffen
o Signalisatie in/out
Anatomie van celmembraan
Celmembraan bestaat uit 3 delen:
➢ Membraan lipiden (vetten)
o Glycero-FL: obv glycerol (P-AP)
o Spingo-FL: obv sphingosine
o Sterolen: ringstructuur
➢ Eiwitten
o Geïntegreerd
o Perifeer: eraan hangen
! Vroeger sprak men van ‘Fluid mosaic model’:
blokken EW op golven van FL
➢ Suikers
o Hangen aan lipiden of eiwitten
▪ Glycolipiden
▪ Glycoproteïnen
, Lipiden
Vetzuurketens
➢ Aan de kop hangt een bepaalde groep
➢ 3 bouwstenen: glycero-FL, spingo-FL en cholesterol
Verzadigd Strakke enkele bindingen met maximale aantal H > strak verpakt
Onverzadigd Soms een dubbele binding, dus geen maximale H > minder strak verpakt
Eigenschappen
40% massa membraan
• Amphiphatische eigenschap
o Polaire kop: hydrofiel (water)
o Apolaire staart: hydrofoob (vet)
• Bi-layer: 2 lagen F
o Asspontane formatie door amphiphatische eigenschap
o FL met 1 staart vormen michelle
o Selectief en zelf herstellend
• Rigiditeit & fluïditeit
o Rigiditeit: stijfheid <> fluïditeit: vloeibaarheid
▪ Hoe langer, hoe meer rigide
▪ Hoe meer VZ, hoe meer rigide
▪ Hoe meer CS, hoe meer rigide
Functie van bepaalde lipiden
Elke FL heeft zijn eigen functie, dus het is belangrijk dat je verschillende FL kent
• Type lipiden
o Fosfatidyl choline & sphingomyeline
o Fosfatidyl inositol
o Fosfatidyl serine
o Cardiolipine
o Cholesterol
Aanmaak membraan obv lipiden
Lipiden ontstaan niet zomaar, maar door synthese enzymen. Het zijn EW blokken aan cytosolzijde van ER. De FL
worden in GA gemodificeerd. Zo krijg je een set van EW.
➢ Scramblasen: EW complexen die de FL roeren (beide kanten)
➢ Flippasen: EW die FL naar intracellulaire kant brengen
➢ Floppasen: EW die FL naar extracellulaire kant brengen
! luminale zijde: extracellulair, weg van cytosol <> cytosolische zijde
Indeling
Celleer
= Cytologie
• Celstructuur: cytologie
• Celwerking: celbiologie & celfysiologie
Situatie binnen verschillende niveaus
➢ Atomen & moleculen: chemie
➢ Cel: organisatie van atomen en moleculen in cellen
➢ Weefsels
➢ Organen, orgaanstelsel, organismes: anatomie
Dogma 1: Celtheorie
Een cel is de kleinste anatomische en functionele eenheid van het leven, gevormd door deling van eerder bestaande
cellen.
• 4 basisconcepten
o Bouwstenen van leven
o Kleinste functionele eenheden
o Gevormd door deling van andere cellen*
o Homeostate: inwendig evenwicht
! virussen voldoen niet: ze kunnen geen aanleiding geven tot andere virussen (gastheer!)
*Waar is het allemaal begonnen: de eerste cel is niet ontstaan door deling
➢ Men denkt dat de eerste cel is door ontstaan van toevallige mengeling van componenten die zo een
elementaire cel vormde en evolueerde tot cellen nu
➢ Laatste jaren kunnen ze in labo cellen maken: het dogma is niet meer zo ingekaderd!
Hoe groot zijn cellen
Een gemiddelde EUK cel in 10𝜇m
Dogma 2: Celbiologie
Cellen hebben erfelijke info die aanstuurt hoe cellen moeten werken, deze zitten op DNA dragers. DNA w
opgeschreven naar RNA en die wordt dan vertaalt naar EW. Deze bepalen doe de cel eruit ziet en werkt. DNA heeft 4
bouwstenen & 20 AZ om de cel functie en structuur te geven.
,Deze dogma is correct, maar er is meer …
➢ Rol epi-genetica: extra niveaus van genetica, nl. genetisch materiaal die invloed hebben op fenotype
o DNA: methylatie & acetlylatie
o RNA: RNA interferentie
➢ Niet alle RNA wordt vertaal naar EW: rRNA, miRNA, tRNA
➢ Aanwezigheid van RT in DNA en RNA: RNA kan ook worden omgezet in DNA
➢ Prionen (EW) die info bevatten om een ander EW te maken
Celbouw van menselijke cel
Cel bestaat uit drie grote delen en hebben dezelfde biochemische opbouw
• Celmembraan: omhulsel
• Cytoplasma: celinhoud met organellen
• Celkern: commandocentrum van de cel
Celsoorten en origine
• Zygote: na fusie van zaadcel en eicel heb je 46 CS
• Eerste delingen (Klievings-delingen) zorgen voor blastomeren
o Deze dochtercellen worden eerst kleiner door delen
• Morula (moerbei): 16 cellen in blastomeer
• Verder groeien naar blastocyt en uiteindelijk embryo
Alle cellen zijn hetzelfde, maar meercellige organisme doen aan cel differentiatie. Cellen gaan een bepaalde richting
uit door specifieke gen-activatie en omgevingsfactoren. Zo krijg je vier soorten cellen:
➢ Oppervlaktecellen: epithelen
➢ Steuncellen: bindweefsel
➢ Contractiele cellen: spierweefsel
➢ Zenuwcellen: geleidingscellen
Algemeen - Celmembraan
= omhulsel van de cel (extreem dun 6-10nm)
• Functies
o Stevigheid
o Uitwisseling & passage van stoffen
o Signalisatie in/out
Anatomie van celmembraan
Celmembraan bestaat uit 3 delen:
➢ Membraan lipiden (vetten)
o Glycero-FL: obv glycerol (P-AP)
o Spingo-FL: obv sphingosine
o Sterolen: ringstructuur
➢ Eiwitten
o Geïntegreerd
o Perifeer: eraan hangen
! Vroeger sprak men van ‘Fluid mosaic model’:
blokken EW op golven van FL
➢ Suikers
o Hangen aan lipiden of eiwitten
▪ Glycolipiden
▪ Glycoproteïnen
, Lipiden
Vetzuurketens
➢ Aan de kop hangt een bepaalde groep
➢ 3 bouwstenen: glycero-FL, spingo-FL en cholesterol
Verzadigd Strakke enkele bindingen met maximale aantal H > strak verpakt
Onverzadigd Soms een dubbele binding, dus geen maximale H > minder strak verpakt
Eigenschappen
40% massa membraan
• Amphiphatische eigenschap
o Polaire kop: hydrofiel (water)
o Apolaire staart: hydrofoob (vet)
• Bi-layer: 2 lagen F
o Asspontane formatie door amphiphatische eigenschap
o FL met 1 staart vormen michelle
o Selectief en zelf herstellend
• Rigiditeit & fluïditeit
o Rigiditeit: stijfheid <> fluïditeit: vloeibaarheid
▪ Hoe langer, hoe meer rigide
▪ Hoe meer VZ, hoe meer rigide
▪ Hoe meer CS, hoe meer rigide
Functie van bepaalde lipiden
Elke FL heeft zijn eigen functie, dus het is belangrijk dat je verschillende FL kent
• Type lipiden
o Fosfatidyl choline & sphingomyeline
o Fosfatidyl inositol
o Fosfatidyl serine
o Cardiolipine
o Cholesterol
Aanmaak membraan obv lipiden
Lipiden ontstaan niet zomaar, maar door synthese enzymen. Het zijn EW blokken aan cytosolzijde van ER. De FL
worden in GA gemodificeerd. Zo krijg je een set van EW.
➢ Scramblasen: EW complexen die de FL roeren (beide kanten)
➢ Flippasen: EW die FL naar intracellulaire kant brengen
➢ Floppasen: EW die FL naar extracellulaire kant brengen
! luminale zijde: extracellulair, weg van cytosol <> cytosolische zijde