Diabetes
Definitie
Stofwisselingsziekte.
o Om te kunnen functioneren heeft lichaam energie nodig. Ons lichaam haalt dit
voornamelijk uit glucose (suikers). Insuline (aangemaakt door pancreas) zorgt dat
glucose uit bloed door de cellen kan worden opgenomen.
o Insuline = sleutel die nodig is om suikers binnen te laten in cellen van verschillende
organen.
Chronische aandoening:
o Stoornis in glucosemetabolisme:
Door relatief of absoluut insulinetekort:
Door tekort aan insuline of ontoereikende werking van insuline.
Chronisch verhoogde glucoseconcentratie in bloed
o Gepaard met veranderingen in metabolisme van koolhydraten, vetten en eiwitten
samen met andere aandoeningen waarbij alle systemen vh menselijk lichaam bij
betrokken zijn.
Raakt mens in alle aspecten van bestaan:
o Persoonlijk
o Sociaal
o Economisch
o Cultureel
Vormen
1- Type 1 (absoluut insulinetekort 10%)
Jeugddiabetes omdat meeste mensen dit type krijgen voor of na puberteit (< 40j)
Vaak mager
Laag/onmeetbaar C-peptide
Risico op keto-acidose
Pancreas (alvleesklier) -> door nog onbekende reden gaan bètacellen in eilandjes van
Langerhans geen insuline meer aanmaken -> ernstige insulinedeficiëntie
o Hierdoor wordt deze vorm als auto-immuun ziekte beschouwd.
Insuline sc toedienen
Factoren hebben rol in ontstaan Type 1 diabetes:
o Erfelijke aanleg -> wilt niet persé zeggen dat persoon dit krijgt.
o Immunologische processen: bv optreden van virale infectieziekten
o Omgevingsfactoren: bv psychologische factoren, voedingsfactoren
2- Type 2 (relatief insulinetekort 90%)
Ouderdomsdiabetes
, Meest frequente vorm
Boven 40 jaar neemt kans toe op krijgen hiervan. Laatste jaren zelfs bij jongeren.
Aandoening waarbij insulineresistentie (verminderde gevoeligheid voor effect van insuline op
doelwitorganen) + falende eigen insulineproductie aanwezig kunnen zijn.
Eilandjes van Langerhans -> In alfacellen blijft productie van glucagon wél gebeuren -> geeft
aan lever signaal om glucose af te geven in bloed
o DUS: té weinig afgifte van insuline en té veel afgifte van glucagon
HYPERGLYCEMIE.
Factoren in ontstaan:
o Erfelijke aanleg kan rol spelen, maar niet de doorslag.
o Overgewicht: pancreas produceert nog insuline maar celreceptoren in weefsels
werken minder goed door aanwezigheid van te veel vetcellen -> dus moet meer
insuline geproduceerd worden (hyperinsulinemie) om zelfde effect te krijgen
(bloedsuiker doen dalen).
o Ontstaan hangt sterk samen met levensstijl: ongezonde voeding, weinig beweging.
o Leeftijd
o Eerder zwangerschapsdiabetes gehad.
o Diagnose vaak na jaren complicaties.
3- Zwangerschapsdiabetes
Tijdens zwangerschap hoge glycemie, voor zwangerschap geen diabetes.
In 2de helft van de zwangerschap: productie van placentaire hormonen ↗, zorgen voor sterk
insuline-antagonistisch effect en toegenomen insulinebehoefte.
o Ontstaat dus door relatief tekort aan circulerend insuline en antagonisme door
andere hormonen.
Glycemie meestal weer normaal na bevalling.
50% krijgen later op hogere leeftijd type 2 diabetes.
4- Andere vormen
LADA: Latent Autoimmune Diabetes in Adults (type 1 op latere leeftijd)
M.O.D.Y.: Maturity Onset Diabetes in Youth (type 2 bij zwaarlijvige kinderen)
Tgv chronische pancreatitis
Tgv diabetogene farmaca
Tgv endocriene aandoeningen
, Basisprobleem
Samenspel tussen insuline (bètacellen) en glucagon (alfacellen). Andere hormonen die een
rol spelen zijn adrenaline, cortisol en leptine.
Het basisprobleem = abnormale glucosetolerantie, lichaamscellen kunnen een belangrijke
suiker, nl. de glucose niet opnemen. (Zowel uit voeding als stofwisseling)
o Opnemen is nodig om nodige energie te geven aan cel om te functioneren.
o Insuline zorgt ervoor dat glucose in de cel opgenomen wordt: niet werken of
onvoldoende = geen glucose in cel -> bloedsuikerspiegel stijgt -> ongebruikte glucose
via nieren in urine.
o Lichaam moet dan overschakelen op andere energiebronnen:
Eiwitten
Vetten -> VEEL afvalstoffen oa ketonen (aceton)
o Wanneer glucosegehalte ↗ is -> insuline uitscheiden -> passeert de lever -> deel
wordt geïnactiveerd.
Normaal is de insulineconcentratie in de vena porta hoger dan in de perifere
circulatie.
Rol van insuline:
o Glucoseopslag in lever = glycogenese
o Opname van glucose in spier-en vetcellen
o Verlaagt de bloedsuikerspiegel
Hormonale invloeden op insuline:
o Darmhormonen die worden afgescheiden als de darm zich vult met voedsel=
versterken de secretie van insuline.
o Adrenaline = remt de secretie van insuline.
1- Normale glucosestofwisseling
Koolhydraten omgezet in enkelvoudige suikers of monosacchariden(glucose, fructose en
galactose) = hoofdbron van energie.
Door cellen vd darmwand glucose opgenomen en afgegeven aan bloed -> glucose naar
weefsels -> via verbranding omgezet in energie.
Glucose in bloed = glycemie of bloedsuikerspiegel. Varieert naargelang inname KHrijke
maaltijd:
o Normale waarden bij niet-diabeet:
70-110 mg/dl in nuchtere toestand
Tot 150 mg/dl afhankelijk van de de maaltijd
o Om deze waarden te behouden heeft ons lichaam een aantal mechanismen.
Exogene inname van glucose
Glycogenese
Gluconeogenese
Glycogenolyse
2- Hoe wordt de bloedsuikerspiegel op peil gehouden?
Glucose in bloed ↗ na maaltijd of drank -> pancreas gestimuleerd om insuline af te scheiden.
o Glucose wordt door de lever, spiercellen, vetcellen opgenomen -> Teveel omgezet tot
glycogeen -> aangetroffen in lever en spieren.
o Vetzuren oiv insuline opgeslagen in vorm van tryglyceriden in vetweefsel en spieren.
Definitie
Stofwisselingsziekte.
o Om te kunnen functioneren heeft lichaam energie nodig. Ons lichaam haalt dit
voornamelijk uit glucose (suikers). Insuline (aangemaakt door pancreas) zorgt dat
glucose uit bloed door de cellen kan worden opgenomen.
o Insuline = sleutel die nodig is om suikers binnen te laten in cellen van verschillende
organen.
Chronische aandoening:
o Stoornis in glucosemetabolisme:
Door relatief of absoluut insulinetekort:
Door tekort aan insuline of ontoereikende werking van insuline.
Chronisch verhoogde glucoseconcentratie in bloed
o Gepaard met veranderingen in metabolisme van koolhydraten, vetten en eiwitten
samen met andere aandoeningen waarbij alle systemen vh menselijk lichaam bij
betrokken zijn.
Raakt mens in alle aspecten van bestaan:
o Persoonlijk
o Sociaal
o Economisch
o Cultureel
Vormen
1- Type 1 (absoluut insulinetekort 10%)
Jeugddiabetes omdat meeste mensen dit type krijgen voor of na puberteit (< 40j)
Vaak mager
Laag/onmeetbaar C-peptide
Risico op keto-acidose
Pancreas (alvleesklier) -> door nog onbekende reden gaan bètacellen in eilandjes van
Langerhans geen insuline meer aanmaken -> ernstige insulinedeficiëntie
o Hierdoor wordt deze vorm als auto-immuun ziekte beschouwd.
Insuline sc toedienen
Factoren hebben rol in ontstaan Type 1 diabetes:
o Erfelijke aanleg -> wilt niet persé zeggen dat persoon dit krijgt.
o Immunologische processen: bv optreden van virale infectieziekten
o Omgevingsfactoren: bv psychologische factoren, voedingsfactoren
2- Type 2 (relatief insulinetekort 90%)
Ouderdomsdiabetes
, Meest frequente vorm
Boven 40 jaar neemt kans toe op krijgen hiervan. Laatste jaren zelfs bij jongeren.
Aandoening waarbij insulineresistentie (verminderde gevoeligheid voor effect van insuline op
doelwitorganen) + falende eigen insulineproductie aanwezig kunnen zijn.
Eilandjes van Langerhans -> In alfacellen blijft productie van glucagon wél gebeuren -> geeft
aan lever signaal om glucose af te geven in bloed
o DUS: té weinig afgifte van insuline en té veel afgifte van glucagon
HYPERGLYCEMIE.
Factoren in ontstaan:
o Erfelijke aanleg kan rol spelen, maar niet de doorslag.
o Overgewicht: pancreas produceert nog insuline maar celreceptoren in weefsels
werken minder goed door aanwezigheid van te veel vetcellen -> dus moet meer
insuline geproduceerd worden (hyperinsulinemie) om zelfde effect te krijgen
(bloedsuiker doen dalen).
o Ontstaan hangt sterk samen met levensstijl: ongezonde voeding, weinig beweging.
o Leeftijd
o Eerder zwangerschapsdiabetes gehad.
o Diagnose vaak na jaren complicaties.
3- Zwangerschapsdiabetes
Tijdens zwangerschap hoge glycemie, voor zwangerschap geen diabetes.
In 2de helft van de zwangerschap: productie van placentaire hormonen ↗, zorgen voor sterk
insuline-antagonistisch effect en toegenomen insulinebehoefte.
o Ontstaat dus door relatief tekort aan circulerend insuline en antagonisme door
andere hormonen.
Glycemie meestal weer normaal na bevalling.
50% krijgen later op hogere leeftijd type 2 diabetes.
4- Andere vormen
LADA: Latent Autoimmune Diabetes in Adults (type 1 op latere leeftijd)
M.O.D.Y.: Maturity Onset Diabetes in Youth (type 2 bij zwaarlijvige kinderen)
Tgv chronische pancreatitis
Tgv diabetogene farmaca
Tgv endocriene aandoeningen
, Basisprobleem
Samenspel tussen insuline (bètacellen) en glucagon (alfacellen). Andere hormonen die een
rol spelen zijn adrenaline, cortisol en leptine.
Het basisprobleem = abnormale glucosetolerantie, lichaamscellen kunnen een belangrijke
suiker, nl. de glucose niet opnemen. (Zowel uit voeding als stofwisseling)
o Opnemen is nodig om nodige energie te geven aan cel om te functioneren.
o Insuline zorgt ervoor dat glucose in de cel opgenomen wordt: niet werken of
onvoldoende = geen glucose in cel -> bloedsuikerspiegel stijgt -> ongebruikte glucose
via nieren in urine.
o Lichaam moet dan overschakelen op andere energiebronnen:
Eiwitten
Vetten -> VEEL afvalstoffen oa ketonen (aceton)
o Wanneer glucosegehalte ↗ is -> insuline uitscheiden -> passeert de lever -> deel
wordt geïnactiveerd.
Normaal is de insulineconcentratie in de vena porta hoger dan in de perifere
circulatie.
Rol van insuline:
o Glucoseopslag in lever = glycogenese
o Opname van glucose in spier-en vetcellen
o Verlaagt de bloedsuikerspiegel
Hormonale invloeden op insuline:
o Darmhormonen die worden afgescheiden als de darm zich vult met voedsel=
versterken de secretie van insuline.
o Adrenaline = remt de secretie van insuline.
1- Normale glucosestofwisseling
Koolhydraten omgezet in enkelvoudige suikers of monosacchariden(glucose, fructose en
galactose) = hoofdbron van energie.
Door cellen vd darmwand glucose opgenomen en afgegeven aan bloed -> glucose naar
weefsels -> via verbranding omgezet in energie.
Glucose in bloed = glycemie of bloedsuikerspiegel. Varieert naargelang inname KHrijke
maaltijd:
o Normale waarden bij niet-diabeet:
70-110 mg/dl in nuchtere toestand
Tot 150 mg/dl afhankelijk van de de maaltijd
o Om deze waarden te behouden heeft ons lichaam een aantal mechanismen.
Exogene inname van glucose
Glycogenese
Gluconeogenese
Glycogenolyse
2- Hoe wordt de bloedsuikerspiegel op peil gehouden?
Glucose in bloed ↗ na maaltijd of drank -> pancreas gestimuleerd om insuline af te scheiden.
o Glucose wordt door de lever, spiercellen, vetcellen opgenomen -> Teveel omgezet tot
glycogeen -> aangetroffen in lever en spieren.
o Vetzuren oiv insuline opgeslagen in vorm van tryglyceriden in vetweefsel en spieren.