1. Wat is goederenrecht?
● Onderscheid tussen zakelijke rechten en vorderingsrechten:
● Patrimoniale rechten: de zakelijke rechten, vorderingsrechten en intellectuele
rechten. Deze hebben pecuniaire waarde. Gaat over geld.
○ Zakelijke rechten (bv. eigendom, hypotheek, vruchtgebruik)
○ Vorderingsrechten (bv. schuldvorderingen, huurcontracten)
○ Intellectuele rechten (bv. auteursrechten, merkenrechten, octrooien)
● Extra-patrimoniale rechten: de persoonlijkheidsrechten en de familiale rechten.
Deze hebben geen pecuniaire waarde.
○ Persoonlijkheidsrechten (bv. recht op naam juist geschreven, recht op fysieke
integriteit)
○ Familiale rechten (bv. recht op kinderen, huwelijkscontract, recht om begraven te
worden)
● De term “goederenrecht” is eigenlijk correcter dan “zakenrecht”;
○ Goed
= lichamelijk/tastbaar (een boek, horloge, beker,...)
= onlichaamlijk/niet tastbaar (een naam, een licentie, een hypotheek,crypto, aandelen,...)
○ Zaak = lichamelijk/tastbaar (een boek, horloge, beker,...)
● Verbintenissen verbonden aan de hoedanigheid van de eigenaar van het goed
(overdraagbaar) vs. verbintenissen verbonden aan de persoon van de schuldenaar (in
regel niet overdraagbaar).
● Louter formele benadering: zakelijke rechten worden erkend door de wetgever.
● Twee groepen:
1. Eigenlijke zakelijke rechten of zakelijke hoofdrechten (eigendom, mede-
eigendom, vruchtgebruik, erfpacht, opstal, recht van gebruik, recht van bewoning,
rechten van de aangelanden van waterlopen en erfdienstbaarheden).
2. Accessoirezakelijke rechten of zakelijke zekerheidsrechten (hypotheek of pand).
Het voorwerp staat hier centraal.
● Numerus clausus-beginsel. De partijen moeten bij het vestigen van een zakelijk recht dus
steeds de wezenlijke bestanddelen ervan respecteren.
2. Algemene kenmerken van zakelijke rechten
● Het volgrecht (ook sommige vorderingsrechten. (Bv. huur – art. 1743 Oud BW).
● Het recht van voorrang:
○ Doorbreking van de regel van de pondspondsgewijze verdeling onder schuldeisers).
○ Zakelijk recht voorrang op vorderingsrecht.
○ Zakelijke rechten onderling: anterioriteitsregel.
● Het specialiteitsbeginsel.
○ Individualisatie is steeds vereist. (art. 3.8 § 1 Nieuw BW)
○ het zakelijke recht slaat steeds op een bepaald goed of op een geheel van goederen
○ dwingend recht
● Zakelijke subrogatie.
○ Enkel titularis van het zakelijk recht.
○ Oorspronkelijk object van het zakelijk recht gaat (juridisch of materieel) verloren.
○ Het oorspronkelijke object van het zakelijk recht wordt vervangen door een ander
object dat de waarde ervan vertegenwoordigt.
○ Zowel het oorspronkelijke object als het in de plaats tredende object moeten steeds
individualiseerbaar zijn geweest.
○ Subsidiaire rechtsfiguur.
● Het anterioteitsbeginsel
○ In geval dat er meerdere zakelijke rechten op eenzelfde goed rusten, dan heeft het
ouder zakelijk recht voorrang op het jonger zakelijk recht (art. 3.4 Nieuw BW)
, ● Het eenheidsbeginsel
○ een zakelijk recht heeft betrekking op een goed als geheel en niet op 1 of meerdere
bestanddelen (art. 3.8 §2 Nieuw BW)
● de accessoriumregel
○ bijgoed volgt hoofdgoed (art. 3.9 Nieuw BW)
○ Een bijgoed wordt omschreven als een goed dat duurzaam verbonden of bevestigd is
met het hoofdgoed, of in dienste staat van de uitbetaling of bewaring van het
hoofdgoed.
○ het zakelijk recht dat slaat op het hoofdgoed heeft van rechtswege ook betrekking op
het bijgoed (tenzij anders wordt bepaald)
3. onderverdeling van goederen: algemeen
● Alle goederen zijn ofwel roerend, ofwel onroerend (art. 3.46 BW)
● Vroeger stond de verplaatsbaarheid van het goed centraal. Thans is dit enigszins achterhaald.
● Belang van het onderscheid ligt hem in:
1. De publiciteit
2. Verkrijgende verjaring
3. Ook de ‘’verschillende ‘’ fiscale behandeling kan een rol spelen.
● Bijzondere categorie: de registergoederen
○ Bv. Schepen, vliegtuigen, treinen,..
○ Hoewel roerend, zijn zij onderworpen aan de hypothecaire inschrijving.
3.1 Onderverdeling van goederen: de onroerende goederen
onroerende goederen zijn goederen die je niet kan verplaatsen, deze moeten gepubliceerd worden, en zijn fiscaal meer
belast. beslag tegen deze leggen is moeilijk en duur.
1. Onroerende goederen door zijn aard (art. 3.47 BW)
● De grond en de samenstellende volumes:
○ De grond: zowel erop als eronder, in de hoogte en in de diepte.
○ delfstoffen
■ Voor ontginning: onroerend uit hun aard. Vanaf ontginning: roerend
uit hun aard.
■ Uitzondering: vervoegde roerendmaking
■ Bv. ertsen, fossielen, brandstoffen, aardolie, goud, aardgas,....
■ Uitzondering: water is altijd roerend uit haar aard!
■ Opgelet: de schat van Piet Piraat is ook roerend uit haar aard
● De grond en de samenstellende volumes:
○ Volume: dit is een bestanddeel van de grond dat in drie dimensies wordt
bepaald (onder, op en boven de grond).
■ Dit is een legislatieve verankering van de jurisprudentiële
ontwikkelingen binnen het opstalrecht (volumes in de ondergrond),
met als doel om de bebouwde volumes niet langer tegenover de
onbebouwde volumes te zetten.
■ Dit is een techniek voor het afbakenen van onroerende eigendom
(vgl. met Nederland en Frankrijk) die door landmeters en de
administratie zal moeten worden overgenomen.
2
,2. Onroerende goederen door incorporatie (art. 3.47 BW)
● Incorporatie is een noodzakelijke, maar voldoende, voorwaarde. Er zijn 2 mogelijke
onroerende goederen uit hun aard:
○ Werken en gebouwen
■ Ruime opvatting: alle voorwerpen die zowel duurzaam als
gewoonlijk met de grond zijn verbonden.
■ Hof van Cassatie vanaf 15/09/1988: verschuiving van een objectief
naar een subjectief criterium (bv. tankstation)
■ Onderdelen: deze vormen één geheel met een gebouw en zijn
bijgevolg altijd onroerend (= inherent bestanddelen art. 3.47 §3
Nieuw BW). Bv. deuren, trappen, rolluiken en leidingen. (als het verbonden is met
het huis dan is het altijd onroerend)
■ Uitrustingappartuur: deze maken het gebouw geschikt voor een
normale bestemming en zijn enkel onroerend bij incorporatie .
Bv. badkuip, verwarmingsradiator en keukenapparatuur.
○Beplantingen
■ De incorporatie bepaalt hun statuut
■ dat geldt ook voor de vruchten die aan deze beplantingen hangen
■ Let op voor de uitzondering van vervroegde roerendmaking!
3. Onroerende goederen door bestemming (art. 3.47 BW)
● Dit zijn goederen die juridisch weliswaar een verschillend statuut hebben, maar vanuit
economisch oogpunt 1 geheel vormen.
● accessorta van een onroerend goed worden geacht onroerend door bestemming te zijn (art.
3.47 §4 Nieuw BW)
● Dergelijke goederen zijn onderworpen aan tal van cumulatieve voorwaarden:
○ Subjectieve voorwaarde: uitsluitend de wilsbeslissing van de (volle) eigenaar.
■ Bv. beslissing van de huurder, vruchtgebruiker, naakte eigenaar of mede-
eigenaar is onvoldoende.
■ Bv. beslissing van alle mede-eigenaars is wel voldoende.
○ Objectieve voorwaarden:
■ Het moet gaan om een lichamelijke zaak.
★ Bv. Schuldvorderingen en een handelszaak zijn onlichamelijk, en
kunnen nooit onroerend door bestemming zijn
■ De zaken moeten duurzaam zijn voor de exploitatie van een onroerend goed.
★ Uitgezonderd zaden, stro en mest zijn grondstoffen of andere
verbruikbare goederen niet duurzaam.
■ De zaken moeten bestemd zijn voor een onroerend goed dat wordt ingericht
om een industrie te exploiteren
★ Het hoeft niet één welbepaald onroerend goed te zijn
★ Inrichting voor de industrie moet in die zin worden begrepen dat er
geen andere bestemming mogelijk is, behoudens wanneer dit niet
leidt tot een waardevermindering (nuttig zijn volstaat
■ Bestemming van het goed is
★ ofwel voor de dienst en exploitatie (moet niet in economische zin
zijn) van het erf. Voorwerp moet wel ten dienste staan van het erf,
louter persoonlijk gebruik is onvoldoende. Noodzakelijk is echter
niet vereist, nuttig is voldoende.
★ Ofwel wordt het door de eigenaar blijvend aan het erf verbonden .
Dergelijke voorwerpen moeten zelfs niet nuttig zijn voor het erf. De
wilsintentie van de eigenaar moet objectief vast te stellen zijn.
Incorporatie is hierbij een aanwijzing, maar geen vereiste.
3
, ● Gevolgen van onroerend door bestemming:
○ De overdracht van het onroerend goed uit zijn aard leidt automatisch tot overdracht
van het roerend goed door bestemming.
○ De rechten van een beperkt zakelijke gerechtigde strekken zich ook uit over
onroerende goederen door bestemming (zij zijn accessoir aan de hoofdzaak).
○ Onroerend beslag treft ook de onroerende goederen door bestemming.
○ Kan er een afzonderlijk roerend beslag worden gelegd?
■ Een afzonderlijk onroerend beslag zeker niet.
■ Een afzonderlijk roerend beslag is voor discussie vatbaar.
★ Proceseconomisch is dat voordeliger ⬄ een
afzonderlijk beslag op een bijzaak bij een
gedwongen mede-eigendom is niet toegestaan.
○ Einde van onroerend door bestemming:
■ Einde van het nut voor de exploitatie van het erf.
■ Einde van de wilsintentie van de volle eigenaar.
4. Onroerende goederen door het voorwerp waarop ze betrekking hebben (art. 3.49 BW)
● Onroerende zakelijke rechten:
○ Erfdienstbaarheden, recht van gebruik, recht van bewoning, erfpacht en opstal zijn
altijd onroerend.
○ De andere zakelijke rechten kunnen onroerend zijn, en is afhankelijk van het
voorwerp waarop ze betrekking hebben.
● Onroerende rechtsvorderingen:
○ Afhankelijk van het voorwerp waarop ze betrekking hebben.
■ Bv. Vordering tot erkenning van een erfdienstbaarheid, vordering tot
afpaling of afsluiting, vordering tot burenhinder of onteigening.
● Onroerende schuldvorderingen:
Bv. Een laptop die geleverd wordt over 6 weken betekent wel dat je op dat moment al eigenaar bent, zelfs als je
nog zo lang moet wachten op het goed.
○ Schuldvorderingen met betrekking tot een onroerend goed zullen meestal roerend
zijn. De reden is dat de eigendomsoverdracht gebeurt bij wilsovereenstemming en het
goed in eigendom over te dragen, een verbintenis is om iets te doen (en/of om iets
niet te doen).
○ Uitsluitend in geval dat de eigendomsoverdracht niet gebeurt bij de
wilsovereenstemming, maar op een later ogenblik (bv. bij verlijden van de
authentieke akte), hangt het karakter af van het goed waarop de schuldvordering
betrekking heeft (= verbintenis om iets te geven).
3.2 Onderverdeling van goederen: de roerende goederen
● Dit zijn alle goederen die niet onroerend zijn (artikel 3.46 BW).
● Zoals eerder werd aangehaald, zijn alle goederen hetzij onroerend, hetzij roerend.
● Dit is de restcategorie. Indien een goed niet onroerend is, is het roerend.
● Er bestaan drie categorieën van roerende goederen.
1. Roerende goederen uit hun aard
● Dit zijn alle verplaatsbare zaken
● Verplaatsbaar zowel vanuit zichzelf (bv. dieren) als door een externe kracht (bv. een
stoel die door een mens wordt verplaatst).
● Dit zijn alle roerende goederen die niet onder een andere categorie van roerende
goederen kunnen worden geplaatst.
4