Levensloop psychologie deel 1
Hoofdstuk 1: Terreinverkenning
Korte historiek
Filosofie
Voor de komst van de wetenschap was er filosofie:
Filosofen stelde zich allerlei vragen over de wereld, over de plaats van de mens binnen het
dierenrijk over de zin van het leven,…
Denkt, geen systematische observatie
Babybiografieën (vormde het begin van de prille ontwikkelingspsychologie)
Vanaf de 19e eeuw waren er geleerde die systematische observaties begonnen uit te voeren over
het gedrag van hun eigen kinderen
Sigmund Freud en Charles Darwin waren de eerste die aan babybiografieën deden.
Babybiografieën = het systematisch observeren van het gedrag van eigen kind
➔ Niet objectief, eerder subjectief
➔ Te kleine groep bestudeerd
Later nieuwe wetenschappelijke methodes ontwikkeld → objectieve wetenschap
- Vragenlijsten
- Objectief
, - Groepen bestuderen
- Systematisch
Wilhehlm Stern (1911)
Groepen vergelijken van opeenvolgende levensfases
Doel: een beeld schetsen van hoe bepaalde eigenschappen evolueren over verschillende
levensfase. Vb. intelligentie
Levenslooppsychologie = bestudeert elke levensfase
Ontwikkeling wordt opgevat als = levenslange veranderingsproces
Volwassenheid is de langst onderzochte fase → omdat ze dachten dat de volwassenheid een
stabiele periode was, later ontdekt dat ook volwassenen evolueren
Sociologie: adolescentie
Sociologie en psychologie: Ouderdom
1.2 indeling in fasen
Levensloop -> normatieve veranderingen= gebeurtenissen die alle mensen binnen een
bepaalde generatie meemaken
➔ voor iedereen
➔ grote groepen
Fases
1. De prenatale fase: de negen maanden tussen de bevruchting en de geboorte
2. De babytijd: 1ste levensjaar
3. De peutertijd: 1-3j
4. De kleutertijd: 3-6j
5. De schoolperiode: 6-12j
6. De adolescentie: 12-20j
7. De volwassenheid: 20-65j
8. De ouderdom: 65j tot levenseinde
Verschillende methodes om levensfases op een wetenschappelijke manier te bestuderen:
Longitudinale methode: dezelfde deelnemers (mensen, bedrijven, etc.) worden herhaaldelijk
gemeten over een langere periode om veranderingen en ontwikkelingen in de tijd te bestuderen
Vb. Charles Darwin die zoon bestudeert
Cross-sectionele methode of transversale methode: een type observationeel onderzoek dat
gegevens verzamelt van een groep mensen op één specifiek moment in de tijd
Vb. William stern die de evolutie van intelligentie probeert te verklaren
,Cohort-sequentiële methode: zowel cross-sectioneel als longitudinaal maar omzeilt de
nadelen van beide.
Er wordt gewerkt met steekproeven van verschillende leeftijdsgroepen (cohorten) maar wordt
zoals bij longitudinaal onderzoek meerdere keren getest
Cohort= mensen van 1 zelfde levensfase
Sequentieel= herhaaldelijk
1.3 Factoren die de ontwikkeling sturen
Discussie binnen de ontwikkelingspsychologie: hoe gedrag en de ontwikkeling van de mens
bepaald worden door aangeboren, erfelijke factoren of door omgeving- en ervaringsinvloeden
Nature-nurture-debat:
Nature: verwijst naar de erfelijke aanleg die we biologisch meegekregen hebben van onze ouders
Nurture: alle omgevingsinvloeden die in de loop van het leven zowel voor en na de geboorte op
het individu inwerken
Impact van de omgeving
Erfelijke code: de enorme hoeveelheid potentieel die vervat zit in iedere afzonderlijke ei en
zaadcel kan maar tot uiting komen wanneer de cellen op het goeie moment worden
samengevoegd en wanneer de combinatie in een aangepaste omgeving terechtkomt
Vb. wolfskinderen
Psychosociale onwtikkeling: de wijze waarop ouders met hun kinderen omgaan is belangrijk
voor de ontwikkeling van het individu
Effecten: kunnen levenslang zijn
Ecologische systementheorie (Urie Bronfenbrenner 1979)
• Rusisch- amerikaanse onwtikkelingspsycholoog
• Theorie: over veel soortige omgevingsinvloeden die een rol kunnen spelen in de ontwikkeling
• Hij probeert deze onder te brengen in een aantal lagen en concentrische cirkels die over
elkaar heen liggen
- Microsysteem: rechtstreeks contact, tweerichtingsverkeer: invloed vanuit de
omgeving en jij die reageert op de omgeving ( gezin, school, werkplak, vriendenkring,
club, buren,..)
, - Mesosysteem: interacties tussen sommige mensen uit het microsysteem (ouder-
leraar interacties)
- Exosysteem: sociale instellingen, onrechtstreeks invloed (werkplek van ouders,
maatschappelijke positie en vriendenkring van de ouders, waar je woont, medische en
sociale voorzieningen)
- Macrosysteem: (cultuur, religie, minderheidsgroep,..)
- Chronosysteem: (veranderingen over de tijd vb. scheiding v. ouders, van job veranderen,
milieuramp,..)
1.3.3. Interacties tussen erfelijkheid en omgeving
Erfelijkheid bevat enkel een code, deze moet eerst worden omgezet in eiwitten voordat ze iets
kan teweeg brengen en daarvoor zijn bepaalde invloeden nodig vanuit het milieu.
Het ontwikkelen van een bepaalde eigenschap veronderstelt wel altijd de aanwezigheid van
zowel een erfelijke basis als een passende omgeving.
Fysieke eigenschappen: vorming van een menselijk lichaam
Psychologische eigenschappen: vb. ontwikkelen van menselijke taal en intelligentie
➔ Soms kunnen ze in wisselende mate door de ene factor of de andere factor bepaald
worden en hoe groot de relatieve impact van beide factoren is kan variëren
2 opties:
- Het kan dat iemand een aangeboren talent heeft die thuis niet gestimuleerd wordt maar
toch tot uiting komt
- Het kan dat iemand met aangeboren talenten en een gunstige omgeving er niet inslaagt
om daar iets moois van te maken
Nature vs Nuture
Nature = erfelijkheid -> endogeen
Darwin: vb DNA, genetische code
➔ Uit zichzelf, cellen, zc, eicel
Nuture = omgeving -> exogeen
Locke: invloed van anderen
Interactiemodel tussen beide
Bronfenbrenner: voorziet versch. sysytemen
➔ Invloed van buitenaf, milieu
Hoofdstuk 1: Terreinverkenning
Korte historiek
Filosofie
Voor de komst van de wetenschap was er filosofie:
Filosofen stelde zich allerlei vragen over de wereld, over de plaats van de mens binnen het
dierenrijk over de zin van het leven,…
Denkt, geen systematische observatie
Babybiografieën (vormde het begin van de prille ontwikkelingspsychologie)
Vanaf de 19e eeuw waren er geleerde die systematische observaties begonnen uit te voeren over
het gedrag van hun eigen kinderen
Sigmund Freud en Charles Darwin waren de eerste die aan babybiografieën deden.
Babybiografieën = het systematisch observeren van het gedrag van eigen kind
➔ Niet objectief, eerder subjectief
➔ Te kleine groep bestudeerd
Later nieuwe wetenschappelijke methodes ontwikkeld → objectieve wetenschap
- Vragenlijsten
- Objectief
, - Groepen bestuderen
- Systematisch
Wilhehlm Stern (1911)
Groepen vergelijken van opeenvolgende levensfases
Doel: een beeld schetsen van hoe bepaalde eigenschappen evolueren over verschillende
levensfase. Vb. intelligentie
Levenslooppsychologie = bestudeert elke levensfase
Ontwikkeling wordt opgevat als = levenslange veranderingsproces
Volwassenheid is de langst onderzochte fase → omdat ze dachten dat de volwassenheid een
stabiele periode was, later ontdekt dat ook volwassenen evolueren
Sociologie: adolescentie
Sociologie en psychologie: Ouderdom
1.2 indeling in fasen
Levensloop -> normatieve veranderingen= gebeurtenissen die alle mensen binnen een
bepaalde generatie meemaken
➔ voor iedereen
➔ grote groepen
Fases
1. De prenatale fase: de negen maanden tussen de bevruchting en de geboorte
2. De babytijd: 1ste levensjaar
3. De peutertijd: 1-3j
4. De kleutertijd: 3-6j
5. De schoolperiode: 6-12j
6. De adolescentie: 12-20j
7. De volwassenheid: 20-65j
8. De ouderdom: 65j tot levenseinde
Verschillende methodes om levensfases op een wetenschappelijke manier te bestuderen:
Longitudinale methode: dezelfde deelnemers (mensen, bedrijven, etc.) worden herhaaldelijk
gemeten over een langere periode om veranderingen en ontwikkelingen in de tijd te bestuderen
Vb. Charles Darwin die zoon bestudeert
Cross-sectionele methode of transversale methode: een type observationeel onderzoek dat
gegevens verzamelt van een groep mensen op één specifiek moment in de tijd
Vb. William stern die de evolutie van intelligentie probeert te verklaren
,Cohort-sequentiële methode: zowel cross-sectioneel als longitudinaal maar omzeilt de
nadelen van beide.
Er wordt gewerkt met steekproeven van verschillende leeftijdsgroepen (cohorten) maar wordt
zoals bij longitudinaal onderzoek meerdere keren getest
Cohort= mensen van 1 zelfde levensfase
Sequentieel= herhaaldelijk
1.3 Factoren die de ontwikkeling sturen
Discussie binnen de ontwikkelingspsychologie: hoe gedrag en de ontwikkeling van de mens
bepaald worden door aangeboren, erfelijke factoren of door omgeving- en ervaringsinvloeden
Nature-nurture-debat:
Nature: verwijst naar de erfelijke aanleg die we biologisch meegekregen hebben van onze ouders
Nurture: alle omgevingsinvloeden die in de loop van het leven zowel voor en na de geboorte op
het individu inwerken
Impact van de omgeving
Erfelijke code: de enorme hoeveelheid potentieel die vervat zit in iedere afzonderlijke ei en
zaadcel kan maar tot uiting komen wanneer de cellen op het goeie moment worden
samengevoegd en wanneer de combinatie in een aangepaste omgeving terechtkomt
Vb. wolfskinderen
Psychosociale onwtikkeling: de wijze waarop ouders met hun kinderen omgaan is belangrijk
voor de ontwikkeling van het individu
Effecten: kunnen levenslang zijn
Ecologische systementheorie (Urie Bronfenbrenner 1979)
• Rusisch- amerikaanse onwtikkelingspsycholoog
• Theorie: over veel soortige omgevingsinvloeden die een rol kunnen spelen in de ontwikkeling
• Hij probeert deze onder te brengen in een aantal lagen en concentrische cirkels die over
elkaar heen liggen
- Microsysteem: rechtstreeks contact, tweerichtingsverkeer: invloed vanuit de
omgeving en jij die reageert op de omgeving ( gezin, school, werkplak, vriendenkring,
club, buren,..)
, - Mesosysteem: interacties tussen sommige mensen uit het microsysteem (ouder-
leraar interacties)
- Exosysteem: sociale instellingen, onrechtstreeks invloed (werkplek van ouders,
maatschappelijke positie en vriendenkring van de ouders, waar je woont, medische en
sociale voorzieningen)
- Macrosysteem: (cultuur, religie, minderheidsgroep,..)
- Chronosysteem: (veranderingen over de tijd vb. scheiding v. ouders, van job veranderen,
milieuramp,..)
1.3.3. Interacties tussen erfelijkheid en omgeving
Erfelijkheid bevat enkel een code, deze moet eerst worden omgezet in eiwitten voordat ze iets
kan teweeg brengen en daarvoor zijn bepaalde invloeden nodig vanuit het milieu.
Het ontwikkelen van een bepaalde eigenschap veronderstelt wel altijd de aanwezigheid van
zowel een erfelijke basis als een passende omgeving.
Fysieke eigenschappen: vorming van een menselijk lichaam
Psychologische eigenschappen: vb. ontwikkelen van menselijke taal en intelligentie
➔ Soms kunnen ze in wisselende mate door de ene factor of de andere factor bepaald
worden en hoe groot de relatieve impact van beide factoren is kan variëren
2 opties:
- Het kan dat iemand een aangeboren talent heeft die thuis niet gestimuleerd wordt maar
toch tot uiting komt
- Het kan dat iemand met aangeboren talenten en een gunstige omgeving er niet inslaagt
om daar iets moois van te maken
Nature vs Nuture
Nature = erfelijkheid -> endogeen
Darwin: vb DNA, genetische code
➔ Uit zichzelf, cellen, zc, eicel
Nuture = omgeving -> exogeen
Locke: invloed van anderen
Interactiemodel tussen beide
Bronfenbrenner: voorziet versch. sysytemen
➔ Invloed van buitenaf, milieu