1. Wat is het fundamentele verschil tussen 'classificeren' en 'diagnosticeren' in de
context van de ontwikkelingspsychopathologie?
A) Classificeren betreft het vaststellen van de ernst van de problematiek, terwijl
diagnosticeren zich beperkt tot het categoriseren van de stoornis in de DSM-5.
B) Diagnosticeren is een statische momentopname van gedrag, terwijl classificeren de
dynamische ontwikkeling van een kind over een langere periode in kaart brengt.
C) Classificeren richt zich op het toewijzen van een label op basis van symptomen,
terwijl diagnosticeren de onderliggende mechanismen en oorzaken probeert te
verklaren.
D) Classificeren is een proces voorbehouden aan psychiaters, terwijl diagnosticeren
uitsluitend door psychologen wordt uitgevoerd middels testonderzoek.
2. Sinds de introductie van de DSM-III is er sprake van een belangrijke
methodologische verschuiving. Welk principe staat sindsdien centraal in dit
classificatiesysteem?
A) Een dimensionele benadering waarbij de nadruk ligt op de gradaties van
symptoomernst in plaats van binaire categorieën.
B) De integratie van neurologische markers als primaire basis voor elke classificatie.
C) Het beschrijven van stoornissen op basis van uitsluitend observeerbare
gedragskenmerken zonder causale interpretatie.
D) Een focus op etiologische verklaringen vanuit psychoanalytische kaders.
3. Bij de dimensionale benadering van psychopathologie, zoals bij de Child
Behavior Checklist (CBCL), wordt uitgegaan van een specifiek perspectief op
gedrag. Wat is dit perspectief?
A) De focus ligt op het identificeren van unieke, zeldzame symptomen die kenmerkend
zijn voor specifieke syndromen.
B) Psychische problemen worden beschouwd als een continuüm waarbij de mate van
ernst bepalend is.
C) Gedrag wordt gezien als 'normaal' of 'abnormaal' op basis van strikte afkappunten.
D) Gedrag wordt uitsluitend geëvalueerd op basis van de subjectieve ervaring van het
kind zelf.
4. Welk risico is inherent aan de toegenomen tendens tot categorisatie en labeling
(zoals bij ADHD of ASS) in de huidige maatschappij?
A) Het label wordt door de omgeving vaak gezien als een volledige verklaring voor het
gedrag, wat kan leiden tot stigmatisering en lagere verwachtingen.
B) Labels zorgen ervoor dat de biologische basis van een stoornis volledig wordt
genegeerd in de behandeling.
2
,C) Categorisatie belemmert de toegang tot specialistische zorg doordat criteria te streng
zijn geformuleerd.
D) Door categorisatie vervalt de noodzaak voor zorgverzekeraars om behandelingen te
vergoeden bij gebrek aan nuances.
5. In het bio-ecologische systeemmodel van Bronfenbrenner wordt het
'mesosysteem' beschreven. Welke interactie staat hier centraal?
A) De invloed van de werkomgeving van de ouders op de thuissituatie.
B) De verbindingen tussen verschillende microsystemen, zoals het contact tussen de
ouders en de school.
C) De directe invloed van culturele waarden en wetgeving op het kind.
D) De biologische rijping van het kind in relatie tot de directe sociale omgeving.
6. Een kind met een 'hoge locus of control' vertoont specifiek gedrag in zijn
ontwikkeling. Wat typeert dit kind?
A) Het kind zoekt voortdurend bevestiging bij autoriteitsfiguren om keuzes te kunnen
maken.
B) Het kind ervaart dat het zelf keuzes kan maken en invloed kan uitoefenen op de
gebeurtenissen in zijn leven.
C) Het kind schrijft successen toe aan toeval en falen aan externe omgevingsfactoren.
D) Het kind past zich moeiteloos aan aan de verwachtingen van de sociale omgeving
zonder eigen initiatief.
7. Wat wordt in de ontwikkelingspsychopathologie verstaan onder het concept
'multifinaliteit'?
A) Het proces waarbij een stoornis gedurende de levensloop van vorm verandert, maar
dezelfde kern behoudt.
B) Eén specifieke risicofactor kan bij verschillende kinderen leiden tot uiteenlopende
ontwikkelingsuitkomsten.
C) De noodzaak om meerdere behandelmethoden tegelijkertijd in te zetten voor één
individu.
D) Verschillende risicofactoren leiden bij diverse kinderen tot exact hetzelfde
ziektebeeld.
8. Welke ontwikkelingsopgave is cruciaal in de fase van 0 tot 2 jaar en vormt het
fundament voor de exploratie van de omgeving?
A) Het ontwikkelen van een genderidentiteit en moreel besef.
B) De ontwikkeling van taal en symbolisch denken.
C) De vorming van een veilige gehechtheidsrelatie met de opvoeders.
D) Het aanvaarden van sociale regels en het uitstellen van behoeftebevrediging.
3
, 9. Waarop is 'geïndiceerde preventie' specifiek gericht binnen de
preventiehiërarchie?
A) Op groepen die een verhoogd statistisch risico lopen vanwege hun sociale context.
B) Op kinderen met een gediagnosticeerde stoornis om complicaties en comorbiditeit te
voorkomen.
C) Op de totale populatie om het ontstaan van nieuwe gevallen te minimaliseren.
D) Op individuen die reeds lichte symptomen vertonen maar nog niet voldoen aan de
criteria van een stoornis.
10. Bij de anamnese in een diagnostisch interview wordt informatie verzameld
over de voorgeschiedenis. Waarom is dit essentieel voor het diagnostisch
proces?
A) Om te bepalen of de symptomen voldoen aan de statistische prevalentiecijfers in de
regio.
B) Om inzicht te krijgen in de context en de factoren die de problematiek hebben doen
ontstaan en in stand houden.
C) Om de biologische markers van de stoornis direct te kunnen correleren aan de
erfelijkheidsgraad.
D) Om de betrouwbaarheid van de testsituatie te verifiëren via externe informanten.
11. Wat is een kenmerkend verschil in de uiting van psychopathologie tussen
jongens en meisjes volgens de beschreven biologische risicofactoren?
A) Jongens zijn gevoeliger voor omgevingsfactoren, terwijl meisjes vaker kampen met
genetisch bepaalde stoornissen.
B) Er zijn geen significante verschillen in de uiting van psychopathologie tussen de
seksen voor de adolescentie.
C) Jongens vertonen vaker externaliserende problemen, terwijl meisjes vaker
internaliserende problemen ontwikkelen.
D) Meisjes vertonen vaker externaliserende problemen, terwijl jongens vaker
internaliserende problemen hebben.
12. Welk onderdeel van het bio-ecologische model representeert de invloed van
de tijd op de ontwikkeling van een kind?
A) Het Chronosysteem
B) Het Exosysteem
C) Het Mesosysteem
D) Het Macrosysteem
13. Wat houdt het principe van 'equifinaliteit' in binnen de
ontwikkelingspsychopathologie?
A) Kinderen met verschillende achtergronden en risicofactoren kunnen uiteindelijk
4