1. Communicatie
Communicatievormen
verbaal = woorden non-verbaal
→ mondeling en schriftelijk → stemgeluid en lichaamstaal
visueel
→ gebarentaal en schematisering
Communicatievormen
55% non-verbaal 38% stem 7% woorden
Lichaamstaal
Dezelfde houding aannemen = duidt vaak op overeenstemming of verbondenheid
Armen kruisen = kan geslotenheid betekenen
Opzij kijken bij nadenken= iemand overdenkt wat hij gehoord heeft
Gelijkwaardige handdruk = je hand in verticale positie
Opgetrokken wenkbrauwen = verbazing, herkenning of interesse
Tijdens een gesprek je lichaamstaal = vertelt over de onderlinge relatie
Tijdens een persoonlijk gesprek = vullen lichaamstaal en taal elkaar aan
Meeste gesprekken = vinden plaats in de sociale zone
1
,Stem en intonatie
Mond dicht
Zacht praten
Hummen
Hard praten
Toon omhoog
Adem inhouden,
adem loslaten
hoog-laag-hoog
Toon omlaag
Ogen starend
Communicatieproblemen
LSD = luisteren, samenvatten en doorvragen
Fuik = gesprekstechniek waarbij je van open naar gesloten vragen gaat
Fuik bestaat uit:
- een ontlokker of hoofdvraag
= open vraag
vragen
- vervolgvragen of doorvragen ⇶ gerichte vragen
vragen of gerichte vragen
- samenvatten
2
, Directe stijl
Zou u mij willen vertellen of dit voor vandaag nog mogelijk is?
→ Kan dat vandaag nog?
Het is niet onbelangrijk dat u dit bekijkt
→ Het is belangrijk dat u dit bekijkt
Ik denk dat we zouden kunnen samenwerken en dat dat voor ons allebei goed zou zijn
→ Wij gaan samenwerken want dat zou goed zijn voor ons allebei
Ik zal u misschien eens uitleggen hoe dit werkt
→Ik zal u tonen hoe het werkt
Ik had een afspraak met u
→ Wij hebben een afspraak
We kunnen dan misschien een afspraak maken of zo
→ Wanneer zien we elkaar nog eens?
Hebt u daar geen problemen mee?
→ Is dat een probleem?
2. Communicatiestijlen
3