Psychologie
Deel I: Van Diest
1.1 Inleiding in de psychologie
Psychologie = wetenschap: waarbij het gedrag bestudeerd en gebruikt wordt om interne processen
te begrijpen (die aan de basis liggen van gedrag)
❖ Concreter: zijn er omstandigheden die gedrag kunnen beïnvloeden? (Dit wordt getest dmv
observaties, bevindingen en toetsbare theoriën)
Voorlopers van de psychologie:
• Plato: geheugen en tabula rasa (het ongeschreven blad)
• Socrates: geheugen als een vogelkooi (opslagruimte – beperkt)
Rede belangrijker dan observatie (niet-wetenschappelijke manier)
Psychologie werd mogelijk door:
▪ Toenemende belang van (exacte) wetenschap in maatschap
• Kerk = centrale rol in onderwijs tot reformatie in 16e E
• Wetenschappelijke revolutie tegelijk met reformatie
• Copernicus: van Geocentrisme (aarde = centrum van heelal) naar Heliocentrisme (zon
= centrum van heelal) => mens niet langer centrum en is dus ook onderworpen aan
natuurwetten => mag het voorwerp van een studie zijn (later ook Galilei en Newton)
• enorme groei van wetenschap en techniek vanaf 18e E → bijdrage voor de psychologie
▪ Ontwikkelingen in de filosofie
• Vroeger dualisme: lichaam en geest gescheiden => Descartes: beide interageren (in
de pijnappelklier) – Dualistisch interactionisme
• Kenmerken Descartes: Dualisme, Rationalisme (kennis is gebaseerd op denken
alleen; geen observatie nodig), Nativisme (sommige kennis is aangeboren) en
menselijk lichaam = machine (=> kan bestudeerd worden)
• Nadien Empirisme naar voor = vs rationalisme: observatie is noodzakelijk. Kennis
komt voort uit ervaring/observatie en is dus niet aangeboren (=> geest kan ook
bestudeerd worden)
• Grondlegger Empirisme = Hobbes, theorie verspreid door Locke.
• Belangrijk principe van Empirisme = Associationisme: hogere orde kennis komt tot
stand door associaties tussen eenvoudige dingen (bv hond en beet)
▪ Darwin en de Evolutietheorie
• “the origin of species”: zelfde soort vogel naar verschillende gebieden met
verschillende voedselbronnen => sommige afstammelingen hebben een aangeboren
, afwijking aan hun snavel die toevallig voordelig is om voedsel te verzamelen => de
vogels (op verschillende plekken) krijgen andere snavels.
• ‘Survival of the fittest’ => soorten die zich het best aanpassen hebben meer succes.
• Mensen ontstaan uit dieren! (=start van de comparatieve psychologie; vgl van
dieren en mensen) => mens onderhevig aan natuurwetten.
De eerste scholen van de psychologie:
Europa:
▪ Structuralisme – Wundt
o Elk complex proces kan gereduceerd worden tot een combinatie van elementaire
componenten
o 1ste psychologisch laboratorium in leipzig (Titchener = student v Wundt: Amerika)
o Dmv analytische introspectie (zelfreflectie)
▪ Wat zijn de basiselementen/structuren?
▪ Hoe worden ze gecombineerd?
▪ Wanneer worden ze gecombineerd?
o Kritiek: tijdrovend en onbetrouwbaar (=> naar achtergrond vanaf 1920)
▪ Toegepaste psychologie – Binet
o Intelligentietest: hebben kinderen extra onderwijs nodig?
▪ Binet-Simon test (reeks van 30 vragen)
▪ Eerst: schedelafmetingen => geen succes
▪ Later: gedicht lezen en opnieuw opschrijven → meer voorspellende
waarde
o = toegepast onderzoek: oplossingen zoeken voor een praktisch probleem (vs
fundamenteel onderzoek: fenomeen begrijpen en een theorie ontwerpen)
▪ Het onbewuste – Freud
o Psychoanalyse: gedrag en bewustzijn zijn slechts oppervlakkige fenomenen, veel
belangrijker is het onbewuste.
o Psychologische problemen in volwassenheid gaan terug op problematische
ervaringen die verdrongen zijn van de kindertijd → onbewuste onderzoeken
door analyse van ‘vergissing, droomduiding, vrije associatie
o Kritiek: vaag en onsystematische gegevensverzameling
Verenigde Staten:
Veel Amerikaanse studenten van Wundt die bij terugkeer een laboratorium oprichten
▪ Functionalisme – James
o Hoe functioneert iets?
o Stream of consciousness
o Vooral in onderwijs en bevordering productie (als je iets onderneemt heeft dat
een postief effect)
o Nadruk meer op gedrag (ook nog introspectie) + verruiming van de
studiepopulatie (dieren, mentaal gehandicapten, …) = invloed van Darwin
o Succes psychologie = afh van mate dat het oplossingen biedt aan praktische
problemen.
, ▪ Behaviorisme – Watson
o Vooral (aangepast) gedrag is van belang. (verband met evolutieleer)
o Gedrag = observeerbaar
o Afzetten tegen structuralisme : tegen introspectie (gedrag als enige studieobject)
o Afzetten tegen functionalisme : studie vd geest = onmogelijk (agressie is niet te
bestuderen, enkel het aantal gevechten waarin de persoon terecht komt)
o Onderzoek: Kleine Albert (dmv conditionering angst creëren)
o Enkel studie van direct observeerbaar gedrag: ontkennen geest niet, maar deze
is niet bestudeerbaar.
o Veel leeronderzoeken: S(timulus)-R(espons) onderzoeken, hoe kan een stimuli
gedrag uitlokken en hoe kan dit beïnvloed worden? –Skinner
o Belang van experimenteel onderzoek + systematische observatie
o Bestaat nog steeds!
▪ Cognitieve psychologie
o Gedachtegang voor computertijdperk: Homunculus = personificatie van het
bewustzijn: klein mannetje in de hersenen die vrije wil heeft (de geest in de
machine)
o Computertijdperk leidde tot inzicht dat zo’n mannetje niet nodig is: bv
thermostaat, niet computergestuurd, maar met feedbackmechanisme
→ sommige dingen gebeuren ‘onbewust’
o De geest begrijpen door het met een computer te vergelijken: mens als
informatieverwerker
Psychologie vandaag = biopsychosociaal model
▪ Psychologisch aspect:
o Emotie op een ervaring (bv bedreiging, frustratie)
o Leergeschiedenis (beloond in het verleden = ervaring, en leren door observatie)
o Verkeerde perceptie
o Oplossingsvaardigheden
▪ Biologisch aspect:
o Bv agressie: rede?
▪ Erfelijkheid
▪ Testosteron
▪ Signaaloverdracht in limbische hersenstructuren
▪ Sociaal-cultureel aspect
o Mensen worden beïnvloed door hun omgeving
▪ Wat wel/niet tolereerbaar is
▪ Conformisme (aanpassen van zichzelf aan de groep)
▪ Sociale vergelijking
o Mensen zoeken soms een bepaalde sociale omgeving op (bv gangs)
o Bv agressie: gaat vaak over van generatie op generatie owv observering
o Sociale invloeden hebben sterke invloed op biologisch kwetsbare personen
, Onderzoeksmethoden in de psychologie
1) Beschrijvend onderzoek
▪ naturalistische observatie: systematische observatie van gedrag in natuurlijke context
o Bv. Invloed van klasgrootte op gedrag: wat is de ideale klasgrootte?
o Nut = adviezen die op evidentie gebaseerd zijn (+ levendig beeld)
o Gevaar = mensen passen hun gedrag aan vanaf ze doorhebben dat ze worden
geobserveerd!!! => streven naar niet-reactieve observaties (dmv camouflage of
integratie in de groep)
▪ Vragenlijsten:
o Bv. Gedragen kinderen zich anders in grote of kleine klas? Vragenlijst aan leerkracht
o Gevaar = resultaat sterk afhankelijk van ondervraagde, niet noodzakelijk weergave
van de realiteit.
▪ Interviews:
o Gevaar = vertekening door sociale wenselijkheid: antwoorden op een manier die
door de maatschappij gewaardeerd wordt
▪ Opiniepeiling:
o Bevraging van meningen bij een representatieve steekproef
o Gevaren = representativiteit en sociale wenselijkheid
▪ Psychologische tests:
o Procedures liggen vast (gestandariseerd)
o Bv. Intelligentietest (WISC = wechsler intelligent scale for children),
persoonlijkheidstest (Rorschach test = inktvlekkentest of Big five test = dmv van
vragenlijst 5 eigenschappen testen: extraversie, emotionaliteit, consciëntieusheid,
meegaandheid en openheid)
▪ Gevalsstudie:
o Een grondig onderzocht geval (vb. neuropsychologie, Freud)
2) Correlatie-onderzoek
o Beschrijvend onderzoek geeft statisch beeld en = weinig informatief
o Om fenomenen echt te begrijpen: verband bepalen tussen 2 variabelen
o Een variabele = kenmerk dat kan veranderen en gemeten kan worden (lengte, IQ,..)
o Een correlatie geeft het verband weer tussen 2 variablen (correlatie-coëfficiënt)
o Gebruik van grafieken
o Gevaren : stel negatieve correlatie tussen huwelijkstevredenheid en aantal kinderen
▪ A oorzaak van B?
▪ B oorzaak van A?
▪ Of veroorzaakt door 3de factor? Vb’en van 3de factor
• Pos. Cor. Tussen loon en gewicht van vrouw: 3de factor = leeftijd
• Pos. Cor. Tussen het # kerken en # moorden in een stad: 3de factor =
grootte van de stad
Deel I: Van Diest
1.1 Inleiding in de psychologie
Psychologie = wetenschap: waarbij het gedrag bestudeerd en gebruikt wordt om interne processen
te begrijpen (die aan de basis liggen van gedrag)
❖ Concreter: zijn er omstandigheden die gedrag kunnen beïnvloeden? (Dit wordt getest dmv
observaties, bevindingen en toetsbare theoriën)
Voorlopers van de psychologie:
• Plato: geheugen en tabula rasa (het ongeschreven blad)
• Socrates: geheugen als een vogelkooi (opslagruimte – beperkt)
Rede belangrijker dan observatie (niet-wetenschappelijke manier)
Psychologie werd mogelijk door:
▪ Toenemende belang van (exacte) wetenschap in maatschap
• Kerk = centrale rol in onderwijs tot reformatie in 16e E
• Wetenschappelijke revolutie tegelijk met reformatie
• Copernicus: van Geocentrisme (aarde = centrum van heelal) naar Heliocentrisme (zon
= centrum van heelal) => mens niet langer centrum en is dus ook onderworpen aan
natuurwetten => mag het voorwerp van een studie zijn (later ook Galilei en Newton)
• enorme groei van wetenschap en techniek vanaf 18e E → bijdrage voor de psychologie
▪ Ontwikkelingen in de filosofie
• Vroeger dualisme: lichaam en geest gescheiden => Descartes: beide interageren (in
de pijnappelklier) – Dualistisch interactionisme
• Kenmerken Descartes: Dualisme, Rationalisme (kennis is gebaseerd op denken
alleen; geen observatie nodig), Nativisme (sommige kennis is aangeboren) en
menselijk lichaam = machine (=> kan bestudeerd worden)
• Nadien Empirisme naar voor = vs rationalisme: observatie is noodzakelijk. Kennis
komt voort uit ervaring/observatie en is dus niet aangeboren (=> geest kan ook
bestudeerd worden)
• Grondlegger Empirisme = Hobbes, theorie verspreid door Locke.
• Belangrijk principe van Empirisme = Associationisme: hogere orde kennis komt tot
stand door associaties tussen eenvoudige dingen (bv hond en beet)
▪ Darwin en de Evolutietheorie
• “the origin of species”: zelfde soort vogel naar verschillende gebieden met
verschillende voedselbronnen => sommige afstammelingen hebben een aangeboren
, afwijking aan hun snavel die toevallig voordelig is om voedsel te verzamelen => de
vogels (op verschillende plekken) krijgen andere snavels.
• ‘Survival of the fittest’ => soorten die zich het best aanpassen hebben meer succes.
• Mensen ontstaan uit dieren! (=start van de comparatieve psychologie; vgl van
dieren en mensen) => mens onderhevig aan natuurwetten.
De eerste scholen van de psychologie:
Europa:
▪ Structuralisme – Wundt
o Elk complex proces kan gereduceerd worden tot een combinatie van elementaire
componenten
o 1ste psychologisch laboratorium in leipzig (Titchener = student v Wundt: Amerika)
o Dmv analytische introspectie (zelfreflectie)
▪ Wat zijn de basiselementen/structuren?
▪ Hoe worden ze gecombineerd?
▪ Wanneer worden ze gecombineerd?
o Kritiek: tijdrovend en onbetrouwbaar (=> naar achtergrond vanaf 1920)
▪ Toegepaste psychologie – Binet
o Intelligentietest: hebben kinderen extra onderwijs nodig?
▪ Binet-Simon test (reeks van 30 vragen)
▪ Eerst: schedelafmetingen => geen succes
▪ Later: gedicht lezen en opnieuw opschrijven → meer voorspellende
waarde
o = toegepast onderzoek: oplossingen zoeken voor een praktisch probleem (vs
fundamenteel onderzoek: fenomeen begrijpen en een theorie ontwerpen)
▪ Het onbewuste – Freud
o Psychoanalyse: gedrag en bewustzijn zijn slechts oppervlakkige fenomenen, veel
belangrijker is het onbewuste.
o Psychologische problemen in volwassenheid gaan terug op problematische
ervaringen die verdrongen zijn van de kindertijd → onbewuste onderzoeken
door analyse van ‘vergissing, droomduiding, vrije associatie
o Kritiek: vaag en onsystematische gegevensverzameling
Verenigde Staten:
Veel Amerikaanse studenten van Wundt die bij terugkeer een laboratorium oprichten
▪ Functionalisme – James
o Hoe functioneert iets?
o Stream of consciousness
o Vooral in onderwijs en bevordering productie (als je iets onderneemt heeft dat
een postief effect)
o Nadruk meer op gedrag (ook nog introspectie) + verruiming van de
studiepopulatie (dieren, mentaal gehandicapten, …) = invloed van Darwin
o Succes psychologie = afh van mate dat het oplossingen biedt aan praktische
problemen.
, ▪ Behaviorisme – Watson
o Vooral (aangepast) gedrag is van belang. (verband met evolutieleer)
o Gedrag = observeerbaar
o Afzetten tegen structuralisme : tegen introspectie (gedrag als enige studieobject)
o Afzetten tegen functionalisme : studie vd geest = onmogelijk (agressie is niet te
bestuderen, enkel het aantal gevechten waarin de persoon terecht komt)
o Onderzoek: Kleine Albert (dmv conditionering angst creëren)
o Enkel studie van direct observeerbaar gedrag: ontkennen geest niet, maar deze
is niet bestudeerbaar.
o Veel leeronderzoeken: S(timulus)-R(espons) onderzoeken, hoe kan een stimuli
gedrag uitlokken en hoe kan dit beïnvloed worden? –Skinner
o Belang van experimenteel onderzoek + systematische observatie
o Bestaat nog steeds!
▪ Cognitieve psychologie
o Gedachtegang voor computertijdperk: Homunculus = personificatie van het
bewustzijn: klein mannetje in de hersenen die vrije wil heeft (de geest in de
machine)
o Computertijdperk leidde tot inzicht dat zo’n mannetje niet nodig is: bv
thermostaat, niet computergestuurd, maar met feedbackmechanisme
→ sommige dingen gebeuren ‘onbewust’
o De geest begrijpen door het met een computer te vergelijken: mens als
informatieverwerker
Psychologie vandaag = biopsychosociaal model
▪ Psychologisch aspect:
o Emotie op een ervaring (bv bedreiging, frustratie)
o Leergeschiedenis (beloond in het verleden = ervaring, en leren door observatie)
o Verkeerde perceptie
o Oplossingsvaardigheden
▪ Biologisch aspect:
o Bv agressie: rede?
▪ Erfelijkheid
▪ Testosteron
▪ Signaaloverdracht in limbische hersenstructuren
▪ Sociaal-cultureel aspect
o Mensen worden beïnvloed door hun omgeving
▪ Wat wel/niet tolereerbaar is
▪ Conformisme (aanpassen van zichzelf aan de groep)
▪ Sociale vergelijking
o Mensen zoeken soms een bepaalde sociale omgeving op (bv gangs)
o Bv agressie: gaat vaak over van generatie op generatie owv observering
o Sociale invloeden hebben sterke invloed op biologisch kwetsbare personen
, Onderzoeksmethoden in de psychologie
1) Beschrijvend onderzoek
▪ naturalistische observatie: systematische observatie van gedrag in natuurlijke context
o Bv. Invloed van klasgrootte op gedrag: wat is de ideale klasgrootte?
o Nut = adviezen die op evidentie gebaseerd zijn (+ levendig beeld)
o Gevaar = mensen passen hun gedrag aan vanaf ze doorhebben dat ze worden
geobserveerd!!! => streven naar niet-reactieve observaties (dmv camouflage of
integratie in de groep)
▪ Vragenlijsten:
o Bv. Gedragen kinderen zich anders in grote of kleine klas? Vragenlijst aan leerkracht
o Gevaar = resultaat sterk afhankelijk van ondervraagde, niet noodzakelijk weergave
van de realiteit.
▪ Interviews:
o Gevaar = vertekening door sociale wenselijkheid: antwoorden op een manier die
door de maatschappij gewaardeerd wordt
▪ Opiniepeiling:
o Bevraging van meningen bij een representatieve steekproef
o Gevaren = representativiteit en sociale wenselijkheid
▪ Psychologische tests:
o Procedures liggen vast (gestandariseerd)
o Bv. Intelligentietest (WISC = wechsler intelligent scale for children),
persoonlijkheidstest (Rorschach test = inktvlekkentest of Big five test = dmv van
vragenlijst 5 eigenschappen testen: extraversie, emotionaliteit, consciëntieusheid,
meegaandheid en openheid)
▪ Gevalsstudie:
o Een grondig onderzocht geval (vb. neuropsychologie, Freud)
2) Correlatie-onderzoek
o Beschrijvend onderzoek geeft statisch beeld en = weinig informatief
o Om fenomenen echt te begrijpen: verband bepalen tussen 2 variabelen
o Een variabele = kenmerk dat kan veranderen en gemeten kan worden (lengte, IQ,..)
o Een correlatie geeft het verband weer tussen 2 variablen (correlatie-coëfficiënt)
o Gebruik van grafieken
o Gevaren : stel negatieve correlatie tussen huwelijkstevredenheid en aantal kinderen
▪ A oorzaak van B?
▪ B oorzaak van A?
▪ Of veroorzaakt door 3de factor? Vb’en van 3de factor
• Pos. Cor. Tussen loon en gewicht van vrouw: 3de factor = leeftijd
• Pos. Cor. Tussen het # kerken en # moorden in een stad: 3de factor =
grootte van de stad