- Longziekte: 1 v/d !! oorzaken van sterfte in België
o Roken !!
o Overgewicht
▪ Vermijden → langer + kwaliteitsvoller leven
Veel ouderdomsziekten ontstaan op kinderleeftijd
- COPD: niet alleen door versneld verlies op oudere leeftijd (normale leeftijd)
- MAAR: heel groot deel v. bevolking die niet een goeie longgroei hebben (start al vroeger)
- Nu zitten wij op de piek → !! Om te meten
- Groen: !! Voor groei van organen (dus ook longen) tot jongvolwassen (20j)
- Ook op latere leeftijd ingrijpen om die longfunctie te modificeren (bv. fysieke activiteit, gewicht
verlies,…)
- COPD komt vaker voor dan longkanker
- COPD → kortademig… → mensen gaan vroeger cardiovasculair sterven
- Spirometrie: kijken naar longfunctie
- Exacerbaties: slechte ziektecontrole
1. INLEIDING
- !! functie v/d longen: uitwisseling v. gasoplosbare afvalstoffen (vnl. CO2) en O2 tussen bloed en
omgevingslucht
o Uitwisseling thv alveoli (longblaasjes)
- Optimalisatie uitwisseling: het alveolo-capillaire membraan heeft een enorm uitwisselingsopp.
o Tussen 40-100 m²
1
,- → Opdeling:
o Inwendige ademhaling
▪ gasuitwisseling tussen cel en “milieu intérieur” + biochemische intracellulaire
processen → tot aerobe energieproductie
▪ alle cellen en fabriekjes hebben O2 nodig + CO2 afgeven aan bloedbaan (afval)
o Uitwendige ademhaling:
▪ Uitwisseling van O2 (nodig voor het celmetabolisme en de aerobe
energieproductie) en CO2 (afvalstof van het celmetabolisme) tussen het
organisme en de omgevingslucht
• Deze uitwisseling dient aangepast te zijn aan het celmetabolisme
• Dwz: de ademhaling een constante + dus gereguleerde PO2 en PCO2
moet verzekeren in het arterieel bloed
▪ O2 uit lucht halen naar bloedbaan + CO2 afgeven aan omgeven
- Aangepast aan celmetabolisme, activiteit….
- Uitwendige ademhaling: volgende processen:
o Longventilatie: aanvoeren van voldoende O2-rijke verse lucht in de alveolen + afvoeren
van schadelijke stoffen zoals CO2
▪ Mechanisch transport van lucht
o Gasuitwisseling thv de longen: intacte permeabiliteit van de membraan
▪ → diffusiecapaciteit
• ~ opp.
• ~ oplosbaarheid v/h gas over alveolo-capillaire membraan tot i/h bloed
o Veel kapotte blaasjes → minder diffusie
• ~ MG v/h gas
• ~ dikte alveolo-capillair membraan
o Bv. bij fibrose → moeilijker doorheen membraan
o Gastransport: Aanvoeren van voldoende bloed en transportcapaciteit t.h.v. de
longblaasjes + van en naar de weefsels
▪ waar opnieuw gasuitwisseling gebeurt met de interstitiële vloeistof
▪ Hb !!!
▪ Mbv saturatiemeter : Toont hoe goed het O2 werd opgenomen in het bloed (rond
98%, niet 100%) → hoeveel O2 in bloed
• in O2-nood → 90% (of minder) → opnemen +O2 toedienen
o Goede sensing v/d samenstelling v/d (potentieel) gasvormige elementen in het bloed
- Verstoring v/d werking van 1 van bovenstaande factoren → gevoel van ademtekort of dyspnoe
o + ook tot beperken v/d aanvoer van O2 naar perifere weefsels
- Dyspnoe = symptoom (geen diagnose!!!)
2
, o Verwijst naar subjectieve beleving v/d patiënt dat er onevenwicht is tussen de
uitgevoerde ademhalingspanning en de levering v. O2 aan weefsels
▪ Ook bv. bij te snel fietsen → verhoogde ademhaling
1.1 enkele belangrijke fysische aspecten van gassen
- In gasmengsel (bv. lucht): elk gas oefent een partiële spanning of druk uit (onafh. v/d andere
gassen)
o Pgas= totale gasspanning x fractie gas
o Partiële druk voor O2 in droge lucht:
▪ 760 mm Hg (normale luchtdruk) x 21 % = 160 mm Hg
- In de hoogte:
o O2-fractie blijft gelijk
o Luchtdruk ↓
▪ → ↓ partieelspanning v. O2
- Top Mount Everest: luchtdruk = 252 mmHg (weinig)
o → PO2 = 53 mmHg (= 252 x 21%)
- Lucht bevat variabele hoeveelheid waterdamp
- Waterdampspanning v. ingeademde lucht varieert met het klimaat (T en relatieve vochtigheid)
o MAAR: variatie = beperkt
o Bv. 7 mmHg bij 20°C en 40% vochtigheid
- Eens in luchtwegen → lucht snel verzadigd met waterdamp
o Waterdampspanning bij 37°C = 47 mmHg
o Totale druk in luchtwegen blijft gelijk (760 mmHg) → waterdamp verdunt de andere
gassen + ↓ partieelspanning v/d andere gassen
o Partieelspanning v. O2 i/d ingeademde lucht verzadigd met waterdamp = 150 mmHg (=
760 – 47 x 21%)
- In hoogte: dilutie (verdunning) v. ingeademde lucht met waterdam nog !!!!
o Mount Everest: PO2 v. verzadigde ingeademde lucht = 43 mmHg (= 252 -47 x21%)
o % O2 is overal gelijk (21%)
▪ TOCH: hoogtestage → ↓ O2-opname (door lagere luchtdruk) → ↑ aanmaak v.
EPO
• Zie wielrenners
2. ANATOMIE EN FYSIOLOGIE VAN DE RESPIRATOIRE TRACTUS
Opbouw luchtwegen:
- Mucosa (slijmvlies): slijmbekercellen + onderliggende mucusklieren die slijm (mucus)
produceren
o Natuurlijke reiniging
- Trilhaarcel: cellen met uitlopers (cilia)
o die golvende bewegingen uitvoeren in de richting van de keel
o reiniging longen, gel continu vervangen + inslikken
- Gladde spiercellen (= bronchomotoren) → ≠ diameter v. luchtwegen
o Vnl. bronchiolen zijn relatief sterk voorzien van gladde spiercellen
o Deze gladde spiercellen beschikken over:
▪ Bèta2-receptoren: Bij stimulatie → bronchorelaxatie
• bv. door langwerkende β2 agonisten (LABA’s) formoterol, indacaterol,
olodaterol, salmeterol, vilantero
3
, • Door rechtstreeks effect op de gladde spiercellen OF door beletten v/d
vrijstelling van acetylcholine uit de cholinerge zenuwbanen
(presynaptische inhibitie)
▪ Muscarine receptoren: Bij stimulatie → bronchoconstrictie + ↑ secretie
• Parasympatisch geïnnerveerd via de nervus vagus
• Geblokt door langwerkende anticholinergica (LAMA’s)
o bv. aclidinium, glycopyrronium, tiotropium en umeclidinium
- Kraakbeen: belet dat de luchtwegen collaberen wnr de intrathoracale druk ↑ bij het uitademen
o Zodat luchtwegen niet samenklappen
o De relatieve hoeveelheid kraakbeen ↓ van proximaal → distaal
o Thv trachea en hoofdbronchi; hemi-ringen aanwezig
▪ Meer distaal: enkel nog kraakbeenplaten
o Bronchiolen hebben geen kraakbeen
- Onderscheidt tussen:
o Bovenste luchtwegen: neus, farynx, larynx
o Onderste luchtwegen: vanaf trachea
▪ Stembanden als grens
2.1 Bovenste luchtwegen
Neus
- !! functies:
o verwarmen v. lucht, bevochtigen en filteren
▪ Bevochtigen: v/d mucosa, vocht uit paranasale sinussen en traanvocht
o Resonantiekamer voor stem
o Plaats voor reukreceptie (beïnvloed sterk de smaaksensatie bv. smaakverlies bij
verkoudheid)
- Lucht doorheen neusgaten → eerst doorheen vestibule
o Vestibule: afgeboord met huid met stevige haren die grote stofdeeltjes uitfilteren
- Neusholten gevuld door elk 3 neusschelpen ( 6 neusschelpen in totaal)
o Verhogen weerstand + zorgen voor turbulente luchtstroom (→ neerslag van grote
partikels zoals pollen) + verhogen contactopp. Met lucht
o Beletten ook uitdroging: waterdruppels opvangen tijdens uitademing via neus
- Wnr kanaal tussen neus en sinusholte verstopt is door mucus → absorptie lucht in sinusholte →
onderdruk → sinushoofdpijn
- Neusmucosa = sterk doorbloed
o Neusbloedingen (epistaxis) : frequent + gevolg van trauma, infectie, allergie,
bloedstollingsstoornis en hypertensie
4